Plenair Prins bij behandeling Afschaffing minimale beraadtermijn voor afbreking van zwangerschappen



Verslag van de vergadering van 14 juni 2022 (2021/2022 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.12 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Prins i (CDA):

Meneer de voorzitter. Vandaag spreken we met elkaar over een delicaat en gevoelig onderwerp: het afbreken van een zwangerschap. Het is een onderwerp dat vele vaak intense gevoelens oproept. Begrijpelijk, want we praten wel over de kiem van een nieuw leven. Gelukkig geldt dat in de meeste gevallen de vrouw en haar partner intens blij, geroerd en ontroerd zijn dat hun dit geluk ten deel valt. Toch is het helaas ook zo dat er vrouwen zijn die vaak onbedoeld zwanger zijn geworden en beslist niet blij zijn, maar met angst en beven naar de toekomst kijken en misschien zelfs in een zwart gat kijken of, zoals de wet het noemt, zich in een noodsituatie bevinden en geen andere keus zien dan de zwangerschap af te breken.

Voorzitter. Hoewel de CDA-fractie het van groot belang vindt om ongewenste zwangerschappen zo veel mogelijk te voorkomen, is het positief dat er in Nederland de mogelijkheid bestaat om een zwangerschap af te breken. In 1984 werd de wet van kracht, een wet met in onze ogen een zorgvuldige balans tussen de autonomie van de vrouw en het leven van een ongeboren kind. Ook een wet die zorgde voor goede medische en sociaalpsychologische begeleiding, voor goede spreiding van de abortusklinieken en voor financiële toegankelijkheid.

Sinds 1984 is deze wet twee keer geëvalueerd. Uit beide evaluaties komt naar voren dat, gelukkig, de uitvoering van deze wet grotendeels naar wens verloopt. De laatste evaluatie, gedaan door ZonMw, stamt uit 2020. Mede naar aanleiding van deze evaluatie hebben de diverse initiatiefnemers van D66, PvdA, GroenLinks en VVD een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de verplichte beraadtermijn van vijf dagen te flexibiliseren, vanuit de overweging dat ook dit onderdeel van het proces daadwerkelijk autonomie aan de vrouw dient te bieden. Immers, bij de totstandkoming van de wet is, zoals de initiatiefnemers aangeven, vanuit "paternalistische overwegingen" de verplichte beraadtermijn onderdeel van de wet geworden.

Voorzitter. Graag spreek ik mijn waardering en complimenten uit voor de inzet van de diverse initiatiefnemers om te bezien of de uitvoering van deze wet nog beter kan, en ook voor de energie en het vele werk dat dergelijke initiatieven met zich meebrengt. Waar de uitvoering beter kan móeten we dat oppakken.

Maar daar zit voor ons als fractie van het CDA ook de crux, namelijk: leidt de uitvoering van dit wetsvoorstel met alleen het flexibel maken van de beraadtermijn daadwerkelijk tot een betere uitvoering? Belangrijker nog: zijn de vrouwen die deze zware beslissing inzake al of niet afbreken van zwangerschap nemen écht geholpen met meer autonomie inzake de bepaling van de beraadtermijn? Blijft de zorgvuldige balans tussen autonomie van de vrouw en het leven van het ongeboren kind overeind, zo vragen wij ons af.

Voorzitter. De CDA-fractie heeft dus diverse vragen alvorens tot een definitief standpunt in dezen te komen. Het uitgebreide onderzoek door ZonMw geeft uiteindelijk elf aanbevelingen ter optimalisatie van genoemde wet. Sommige zijn duidelijk gericht op de beroepsgroep en betreffen betere communicatie, zodat de vrouw beter weet dat zij zich zónder verwijsbrief kan melden bij een abortuskliniek of een ziekenhuis.

Andere zijn echter een oproep aan de wetgever, dus aan minister en parlement. Graag noem ik er enkele die zonder énige disclaimer in het onderzoek genoemd worden. De wetgever dient het begrip "zwangerschap" nader te omschrijven, zodanig dat er in de Wet afbreking zwangerschap én in artikel 2.9.6 van het Wetboek van Strafrecht gelijkluidende definities worden gehanteerd. De wetgever dient alsnog duidelijkheid te verschaffen over de juridische positie van de overtijdbehandeling. De koppeling van de levensvatbaarheidsgrens bij abortus aan de medisch-technische ontwikkelingen die zien op het in leven houden van extreem vroeggeboren kinderen dient te worden losgelaten, bijvoorbeeld door in deze wet op te nemen dat bij 24 weken de grens ligt voor het afbreken van een zwangerschap.

Nog een aanbeveling. VWS dient een wijziging aan te brengen zodat ook andere BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren, met name verloskundigen, formele verwijzer naar kliniek of ziekenhuis kunnen zijn. De relatie tussen deze wet en de algemene kwaliteitswetgeving dient opnieuw bezien te worden en waar mogelijk ervoor te zorgen dat de algemene kwaliteitswetgeving zo veel mogelijk voor de abortusbehandeling kan gelden.

De inhoud van de modelformulieren moet worden herzien en de rapportageplicht dient te worden gewijzigd naar een frequentie van eens per jaar. Allemaal concrete aanbevelingen aan de wetgever. En als suggestie geeft het rapport aan dat de minister van VWS gaat bezien of de voor- en nadelen van een vaste beraadtermijn nog wel opwegen tegen de nadelen en zo niet, deze te laten vervallen.

Onze vraag aan de initiatiefnemers is dan ook: wat zijn de overwegingen geweest om slechts één advies uit dit rapport te lichten? Welke overwegingen hebben een rol gespeeld om de zeer duidelijke ándere aanbevelingen te laten liggen? Achten de initiatiefnemers die minder van belang? In dat kader vraag ik nu ook de minister of hij ons kan toezeggen of deze duidelijke aanbevelingen nu door hem worden opgepakt en zo ja, op welke termijn?

Ten aanzien van de suggestie de vaste beraadtermijn flexibel te maken heeft de CDA-fractie ook nog enige vragen en overwegingen. Uit de diverse evaluatieonderzoeken komt namelijk een heel gemengd beeld naar voren. De diverse enquêtes laten een genuanceerd beeld zien. Twee derde van de zorgverleners, zijnde abortusartsen, gynaecologen en verpleegkundigen, geven aan dat een beraadtermijn een impulsieve beslissing voorkomt en dat deze de vrouw de gelegenheid geeft om de voor- en nadelen van abortus en alternatieven te overdenken. Als het gaat om de vaste termijn zijn de meningen gelijkelijk verdeeld.

Daar komt bij dat de professionals met náme negatief zijn over de vaste beraadtermijn bij het helaas móeten afbreken van gewenste zwangerschappen in verband met medische indicaties. In dergelijke gevallen kan er toch ook een beroep worden gedaan op artikel 16 van deze wet, waarbij een arts gezien het dreigend gevaar voor het leven of de gezondheid van de vrouw de ingreep verricht zonder zich te houden aan de vaste beraadtermijn? Of je zou kunnen overwegen, zoals in enkele andere landen in Europa, de wet in dat opzicht te verruimen. Daarbij wordt een meer holistisch begrip van gezondheid gehanteerd: medisch en sociaalpsychologisch welbevinden. Hebben de initiatiefnemers dit overwogen? En zo nee, waarom niet?

Een andere reden voor de onderzoekers om slechts een advies aan de minister te geven om te onderzoeken welke voor- en nadelen er zijn bij het hanteren van een vaste beraadtermijn, is het feit dat de — zo hebben we zojuist gehoord — genuanceerde meningen van de professionals bekend zijn, maar er geen actueel onderzoek is naar de meningen van vrouwen: vrouwen die vanuit hun autonomie een besluit hebben genomen over het wel of niet afbreken van hun zwangerschap.

Uit de eerste evaluatie van begin 2000 onder vrouwen die een abortuskliniek hebben bezocht, was 43% neutraal, 20% positief en 37% vond het vervelend. Ook ten tijde van de behandeling van dit initiatiefvoorstel in de Tweede Kamer werd nogmaals duidelijk dat ook de meningen van de bestuurders van diverse abortusklinieken verdeeld zijn. De klinieken, bijvoorbeeld die in Enschede, Almere, Zwolle, Den Haag en Utrecht, gaven publiekelijk aan tegen dit wetsvoorstel te zijn. Hun overweging: er zijn veel mondige vrouwen die in de kliniek komen en exact denken te weten wat ze willen, die vervolgens spijt hebben omdat zij te snel hebben gehandeld. Zo citeer ik een uitspraak van een bestuurder van een van deze klinieken.

Voorzitter. De CDA-fractie herkent deze uitspraak. Zoals ook de WRR in diverse onderzoeken al heeft aangegeven, hebben stressvolle situaties stevig impact op het rationeel denken en doen, ongeacht iemands intellectueel vermogen. Onze vraag is dan ook of de initiatiefnemers deze observaties herkennen: het genuanceerde beeld bij professionals, bij vrouwen voor zover bekend, bij de abortusklinieken en het signaal van de WRR. Welke rol hebben deze observaties gespeeld bij het opstellen van dit initiatiefwetsvoorstel?

Mevrouw De Bruijn-Wezeman i (VVD):

Een gloedvol betoog van mevrouw Prins. Ik heb even een vraag. U haalt het voorbeeld aan van de bestuurders. Het lijkt er dan een beetje op alsof de beraadtermijn volledig wordt afgeschaft. U heeft de zaak goed bestudeerd en u weet toch ook dat in artikel 5 van de wet staat dat de hulpverlener weldegelijk voorlichting moet geven, alternatieven moet bespreken met de cliënt en dat de hulpverlener een goede afweging moet maken of de cliënt goed heeft nagedacht over de situatie? Zo niet, dan moet de hulpverlener alsnog een beraadtermijn voorstellen. In feite wordt de beraadtermijn niet afgeschaft. Die is gewoon onderdeel van het goed hulpverlenerschap. Vindt u niet dat die waarborgen in de wet voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de hulpverlener kan ingrijpen bij de impulsieve situatie die u zojuist schetste, waarbij de hulpverlener zegt: zo werkt het niet; we gaan eerst dit gesprek hebben en vervolgens gaan we bekijken of u dit goed hebt afgewogen? Het staat in feite gewoon in de wet dat die afweging getoetst moet worden.

Mevrouw Prins (CDA):

Dat heb ik natuurlijk ook gelezen met u. In mijn volgende alinea kom ik hierop terug. Dus misschien kan ik hier eerst iets over zeggen en dat we dan kijken we of u deze vraag nog heeft.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Prins (CDA):

Mag ik dat zo voorstellen, meneer de voorzitter?

De voorzitter:

Dat lijkt me heel praktisch.

Mevrouw Prins (CDA):

Ten aanzien van de praktische uitvoerbaarheid breng ik graag nog een voorbeeld voor het voetlicht. Wat als de vrouw heel duidelijk is over haar beslissing haar zwangerschap te willen afbreken en wel op diezelfde dag — dat kan immers bij dit initiatiefwetsvoorstel — terwijl de arts daar beslist geen goed gevoel over heeft? Nu kan de arts terugvallen op de verplichte beraadtermijn. Bij dit wetsvoorstel niet meer. Hebben initiatiefnemers overwogen welke impact dit heeft op het gesprek in de spreekkamer? Helpt dit initiatiefvoorstel de professional of voelt die zich meer voor het blok gezet?

Tot slot wil ik nog stilstaan bij het begrip "paternalisme". De initiatiefnemers geven aan dat de vaste beraadtermijn ontstaan is dankzij het paternalisme van de toenmalige regering. Er zou geen oog zijn voor de autonomie van de vrouw, het zelfstandig kunnen denken over het eigen lichaam en de beginnende zwangerschap. Nadenkend over deze opmerking vroeg ik me af hoe we deze uitspraak over paternalisme moeten rijmen met de vele vaste beraadtermijnen op diverse andere vlakken. Denk aan het afsluiten van een hypotheek, een verzekering of de verkoop van een huis. Zelfs voor internetaankopen is er ruimte om je aankoop te annuleren. Natuurlijk besef ik dat het afbreken van een zwangerschap van een totaal andere orde is dan het afsluiten van een verzekering. De initiatiefnemers hebben in de memorie van antwoord aangegeven dat hier sprake is van een ander juridisch kader.

Voorzitter. Het gaat me niet alleen om het juridische kader. Het gaat mij juist ook om het gevoel bij de burger. Hoe leggen we uit dat de overheid wél ondanks ieders autonomie de burger wil beschermen tegen niet goed doordachte aankopen, maar de beraadtermijn voor het afbreken van een zwangerschap, een onomkeerbare actie, flexibel wil maken? Zo flexibel, zo blijkt uit de memorie van antwoord, dat gelijk na een eerste gesprek bij de abortusarts overgegaan kan worden tot abortus. Wat is de mening van de initiatiefnemers in dezen?

Ik heb nog één alinea. Zal ik die afmaken?

De voorzitter:

Dat lijkt me verstandig, en dan zijn er twee interrumpanten zo te zien.

Mevrouw Prins (CDA):

Want dit is namelijk mijn afsluitende alinea. De CDA-fractie kijkt namelijk uit naar de antwoorden, waarbij wij graag vernemen in hoeverre deze wetswijziging ervoor zorgt dat er een zorgvuldige balans blijft bestaan tussen de autonomie van de vrouw en het ongeboren leven.

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

Het gaat om zorgvuldige besluitvorming; daar ben ik het helemaal mee eens. Maar er worden in de medische zorg wel vaker besluiten genomen in de spreekkamer die onomkeerbaar zijn. Als we dan naar het juridische kader kijken, is mevrouw Prins bekend met enig andere bepaling in de wet over enig andere behandeling waarin iemand een verplichte beraadtermijn moet ondergaan? Ik denk het niet, want die is er bij mijn weten niet. Neem bijvoorbeeld plastische chirurgie. Wij kunnen ons helemaal laten verbouwen, daar zitten geen verplichte beraadtermijnen in. Iemand kan zich laten steriliseren. Dat is een onomkeerbare behandeling, maar geen verplichte beraadtermijn. Ik neem aan dat u het met mij eens bent dat het hier echt om zorg gaat. In de wet is ook goed geborgd wat de hulpverlener allemaal moet doen voordat het besluit genomen kan worden. Waarom dan in dit specifieke geval toch een verplichte beraadtermijn opnemen? Het gaat om de verplichte duur, niet om het feit dat er een beraadtermijn moet zijn.

Mevrouw Prins (CDA):

Dat is een heel logische en terechte vraag. In de voorbeelden die u noemt, gaat het echter alleen maar om de persoon in kwestie. Dus het gaat alleen om je eigen lichaam. We hebben hier wel te maken met een balans vinden tussen de autonomie van de vrouw en een kiem van nieuw leven. Vanuit dat perspectief vind ik het heel verstandig om in ieder geval na te gaan of het niet wijs is om die vaste beraadtermijn overeind te houden, temeer omdat wij steeds weer merken dat in situaties waarin de druk op iemand groot is, het gewoon heel moeilijk is om heel helder en duidelijk gelijk een besluit te nemen. Gun dan — en gun dat ook definitief — iemand de ruimte om erover na te denken.

De voorzitter:

Heeft u een vervolgvraag?

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

Ik denk dat het gunnen van die ruimte aan iemand juist in dit voorstel zit. Iedere keer wordt het voorbeeld van dezelfde dag aangehaald. Nee, als het proces niet zorgvuldig is doorlopen zou je eventueel langer de tijd kunnen nemen. Ik denk dat dat gunnen van dat goed overwogen besluit juist in dit voorstel zit. Dat respecteert het juist door te zeggen: neem zo veel tijd als je nodig hebt. Dat kan langer zijn, dat kan korter zijn.

Mevrouw Prins (CDA):

Zoals ik het nu lees, constateer ik dat ik dat juist mis. Ik vind het bijzonder dat we in een heleboel andere wetten juist wel die vaste beraadtermijnen hebben en dat we onszelf in dit geval bij iets wat zeer onomkeerbaar is, die ruimte niet verplicht gunnen, juist om ook de professional — dat was mijn voorbeeld naar aanleiding van uw vraag — een steuntje in de rug te geven op het moment dat een vrouw er anders over denkt dan hij of zij, wie ook maar de professional is, om dit op een goede manier te bekijken.

De voorzitter:

Ik zou graag verdergaan met de heer Dittrich, want we zijn terug bij hetzelfde punt waar u op interrumpeerde. De heer Dittrich.

De heer Dittrich i (D66):

Ik wil nog even doorgaan op hetzelfde punt. Ik word altijd een beetje ongemakkelijk als het consumentenrecht in het abortusdebat wordt ingebracht. Ik vind de vergelijking namelijk niet helemaal passend. U doet dat trouwens ook niet, al hebt u het wel over die termijnen. Mijn vraag is eigenlijk de volgende. Er zit toch juist in dat vertrouwelijk gesprek tussen de hulpverlener en de vrouw een waarborg, namelijk om naar artikel 5 van de wet te kijken, zodat er geen ondoordachte, onvrijwillige of overhaaste beslissingen worden genomen? Dat is toch juist omdat die professionele hulpverlener samen met de vrouw kijkt wat de beste oplossing is?

Mevrouw Prins (CDA):

Dat stelt u zo, maar dat weten wij natuurlijk niet, want er zijn ook voorbeelden — en die noemde ik net — dat de arts een ander gevoel heeft dan de vrouw. Op dit moment heeft de arts de ruimte om te zeggen, en moet hij zelfs zeggen: ga er nog eens over nadenken. Hij zal zorgen, neem ik aan, voor extra ondersteuning. Dan wordt dat besluit definitief gemaakt. Dat laat je nu weg. Dus je haalt een stukje zekerheid weg.

De heer Dittrich (D66):

Maar stel nu dat de vrouw zegt dat ze per se een abortus wil, maar dat de zorgverlener daar z'n twijfels over heeft. Die kunnen we helemaal niet dwingen om dan mee te gaan met de vrouw. Die zou dan moeten zeggen vanuit zijn of haar professionaliteit: dat doen we niet. Er kan doorverwezen worden of er kan nog een extra gesprek worden aangegaan. Het voorbeeld dat u geeft, past niet helemaal bij de situatie zoals die zich voor zou kunnen doen.

Mevrouw Prins (CDA):

Ja, dan hebben we daar een verschil van inzicht in. Ik denk dat dit soort voorbeelden uitdrukkelijk wel kunnen voorkomen en ik heb ook wel voorbeelden uit het verleden van hoe ook patiënten artsen enorm onder druk kunnen zetten. Dus vanuit dat perspectief denk ik dat het juist een steuntje in de rug is van de professional daar waar hij of zij dat nodig heeft.

De heer Dittrich (D66):

Dan constateer ik dat wij een verschil van inzicht hebben over de professionaliteit van de hulpverlener.

Mevrouw Prins (CDA):

Nee, ik denk niet dat wij een verschil van inzicht hebben over de professionaliteit van de hulpverlener. Ik denk dat wij een verschil van inzicht hebben over het overpoweren, de macht die een patiënt soms kan hebben in de spreekkamer.

Mevrouw Mei Li Vos i (PvdA):

Ik heb precies daarover een vraag. Is het de vrouw die besluit of de arts?

Mevrouw Prins (CDA):

Als ik de wet goed lees, is het een besluit van de vrouw, waarbij de arts wel moet aangeven dat hij inziet dat de vrouw daar weloverwogen over heeft nagedacht. Volgens mij staat dat in de wet.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Vos.

Mevrouw Mei Li Vos (PvdA):

In het voorbeeld dat u noemt, gaat u ervan uit dat een arts twijfels heeft en dat daarom de beraadtermijn zou moeten blijven. Maar nogmaals de volgende vraag. Als een vrouw uiteindelijk weloverwogen — vindt zij zelf — besluit dat zij dit niet wil, is het dan de vrouw die uiteindelijk het laatste of eigenlijk het eerste woord heeft of de arts? Dit is wel even een principieel punt bij de rol die de arts volgens het CDA heeft ten opzichte van de patiënt.

Mevrouw Prins (CDA):

Ik denk dat we wat dat betreft ook moeten kijken naar wat er in de wet staat. In deze wet staat uitdrukkelijk dat de arts ermee moet instemmen vanuit zijn eigen professionele verantwoordelijkheid. Dus hier lopen twee verantwoordelijkheden naast elkaar.

De voorzitter:

Mevrouw Vos, tot slot.

Mevrouw Mei Li Vos (PvdA):

Dan verschillen de PvdA en het CDA dus principieel van mening. Wij zeggen dat de vrouw besluit ondanks eventuele twijfels van een arts. Kunt u ook andere voorbeelden noemen waarvan u vindt dat de arts zou moeten besluiten en niet de patiënt?

Mevrouw Prins (CDA):

Ik denk dat we er altijd van uit moeten gaan dat de ambitie zou moeten zijn dat de arts vanuit zijn professionele verantwoordelijkheid en gelet op waar hij of zij voor staat alleen datgene doet waar hij ook daadwerkelijk geloof in heeft. Ik constateer alleen dat er soms patiënten zijn die iets proberen af te dwingen. Dat was mijn voorbeeld. Gelukkig gebeurt dit niet altijd, maar het kan wel gebeuren.

De voorzitter:

Ter afronding graag, mevrouw Vos.

Mevrouw Mei Li Vos (PvdA):

Ik wil even afronden. In het voorbeeld impliceert u dat in dat geval de vrouw eigenlijk handelingsonbekwaam is, omdat dan de arts blijkbaar toch het laatste woord zou moeten hebben over de beraadtermijn.

Mevrouw Prins (CDA):

Nee, nu trekt u een te snelle conclusie. Dat heb ik heel uitdrukkelijk niet gezegd. Ik denk alleen dat het dan wel kan helpen dat er eerst nog even rustig over wordt gesproken en nagedacht en dat je er een paar nachtjes over slaapt. Dat heb ik gezegd. Ik heb niet gezegd dat een vrouw daarmee wilsonbekwaam is. Dat zou ik van zijn lang zal ze leven niet zeggen.

Mevrouw Mei Li Vos (PvdA):

Dat mag ik hopen, maar uiteindelijk laat u het voordeel van de twijfel bij de arts zitten en niet bij de vrouw die zeker weet wat ze wil. Dat is een fundamenteel punt dat ook deze wet raakt. De vrouw besluit en in dit geval zou dit ook gewoon haar woord moeten zijn. Ik zie dat het CDA ervoor kiest dat een arts meer ruimte krijgt om zijn of haar eigen twijfel voorrang te geven.

De voorzitter:

Mag ik hier even inbreken? Mevrouw Vos kan dit punt ook nog in haar eigen termijn maken, maar doet u een poging tot antwoorden.

Mevrouw Prins (CDA):

Ik wou even vaststellen dat ik nu in een bepaalde hoek word gezet, wat uitdrukkelijk niet mijn bedoeling is geweest. Dat heb ik ook heel duidelijk aangegeven. Ik zie alleen wel — en dat bewijzen allerlei onderzoeken — dat een vrouw soms op het ene moment … Dat geldt trouwens niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen, voor ieder mens; laat ik het gelijk even breder trekken. Iedereen die zich op een bepaald moment in een stressvolle situatie bevindt, neemt soms een besluit waarvan hij achteraf heel veel spijt heeft, juist omdat hij op dat moment wat minder helder was, het wat minder scherp had, omdat hij in de stress zat. Dat is gewoon psychologisch bewezen. Daar wil ik aandacht voor hebben, en daarbij kan een vaste beraadtermijn helpen. Dat geldt dus voor man én vrouw.

De heer Van Gurp i (GroenLinks):

Toch nog even op dit punt, want dit is een cruciaal punt in het debat. Mevrouw Prins schetst heel goed hoe dat professionele gesprek eruitziet. Maar begrijp ik het goed dat zij zegt dat de vrouw de arts zo kan domineren dat de wetgever de arts maar veiligheid moet geven door de wettelijke minimale beraadtermijn, zodat de arts zich daar tenminste op kan beroepen?

Mevrouw Prins (CDA):

Ik denk dat het een arts op een bepaald moment, in sommige gevallen, even kan helpen — dat is trouwens helemaal niet bijzonder voor deze casus, want het geldt voor heel veel casussen — om erop te wijzen dat de wet vaststelt dat er een vaste beraadtermijn is. Dan kan de arts zeggen: er is een vaste beraadtermijn, dus zullen we er allebei nog eens even over nadenken?

De heer Van Gurp (GroenLinks):

Mij lijkt dat een onderschatting van de professionele kwaliteit van de zorgverlener. Dit is dan geen paternalisme tegenover de vrouw, maar tegenover de zorgverlener, alsof die niet in staat zou zijn om vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te zeggen dat iemand er echt nog een paar dagen tijd voor moet nemen. Dat kan allemaal; we onderschrijven allemaal dat dat kan. Maar het is toch een vreemde gedachte dat de wetgever nodig zou zijn voor de zorgverlener om in dit opzicht zijn verantwoordelijkheid te kunnen nemen? Dat is toch vreemd?

Mevrouw Prins (CDA):

Ik denk dat het niet vreemd is, omdat er veel meer voorbeelden zijn waarin we constateren dat in de huidige mondige maatschappij mensen op een bepaald moment proberen iemand anders te overpoweren. Dan kan dit helpen. Ik heb niet gezegd dat de professionaliteit … De professionaliteit staat natuurlijk altijd voorop. Maar dan kan het helpen dat hij even kan zeggen: we gaan allebei, vanuit de wet geredeneerd, even die vaste termijn aanhouden.

De voorzitter:

Graag ter afronding, meneer Van Gurp.

De heer Van Gurp (GroenLinks):

Ik constateer dat wij een andere inschatting maken van de professionaliteit van de abortuszorgverlening.

De voorzitter:

Dat is een constatering, denk ik.

Dank u wel, mevrouw Prins. U sprak namens het CDA. Ik verzuimde dat te melden aan het begin van uw betoog. Dan is nu het woord aan de heer Verkerk, die namens de ChristenUnie spreekt.