Plenair Verkerk bij behandeling Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs



Verslag van de vergadering van 8 juni 2021 (2020/2021 nr. 40)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.12 uur


De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Dit is mijn eerste debat als nieuwe woordvoerder van de ChristenUnie over het onderwijs. Eerlijk gezegd, het voelt toch ook wel een beetje als een maidenspeech, maar ik heb er alle vertrouwen in. Mirjam Bikker, mijn voorgangster, zei tegen mij: "Maarten, je boft. OCW is de leukste commissie van de hele Eerste Kamer." Ik denk dat ze gelijk heeft. En zoals ik het tot nu toe ervaren heb, is en wordt dit een boeiend debat. Ik begin met twee algemene opmerkingen.

Ten eerste. In de voorbereiding van het debat heb ik het rapport Onderwijsvrijheid én overheidszorg van de Onderwijsraad over artikel 23 Gw gelezen. Dat rapport is van december 2019. De Onderwijsraad laat zien dat er inherente spanningen in dit artikel zitten. Kort samengevat: de spanning tussen de vrijheid van onderwijs en de deugdelijkheidseisen van de overheid. Die spanningen zijn er volgens dit rapport ook bij het onderwerp van vandaag. Ik heb mezelf ook afgevraagd, juist als filosoof "wat vind ik van die spanning", en dan in de context van een toenemende pluriformiteit en groter wordende maatschappelijke tegenstellingen. Ik denk eerlijk gezegd dat je dit soort spanningen niet echt kunt wegmasseren. Daarvoor zijn ze te fundamenteel. Misschien moet je ze juist koesteren. Koesteren in de zin van: het gesprek aangaan over die spanningen en mensen en partijen verbinden rond het onderwerp dat die spanningen oproept. Ook koesteren in de zin van: erkennen dat die spanning er is en steeds weer tot de conclusie komen dat je die spanning niet echt kunt opheffen. Laten we beseffen dat het in die spanning ook gaat om ouders: ouders die onderwijs willen voor hun kinderen in overeenstemming met hun normen en waarden en hun visie op onderwijs. In de visie van onze fractie gaat het dan uiteindelijk om het zoeken naar een positie die, om het paradoxaal uit te drukken, enerzijds die spanningen overstijgt maar anderzijds toch weer steeds spanningen oproept.

Voorzitter. In de tweede plaats valt het me op in dit debat dat sommige partijen veel aandacht geven aan de relatie van de onderhavige wet met artikel 23 van de Grondwet, over de vrijheid van onderwijs, terwijl andere partijen zich juist richten op de relatie met artikel 1 van de Grondwet, gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod. Deze constatering laat zien, denk ik, hoe breed en hoe diep ons debat is. Al die invalshoeken zijn nodig om te begrijpen waar het over gaat.

Deze constatering is ook een illustratie van de uitspraak van de Raad van State: "Tegelijkertijd spreekt vanzelf dat artikel 23 van de Grondwet niet in isolement, maar in de context van de constitutionele orde en de grondrechtencatalogus in zijn geheel moet worden bezien, en in dat licht uitgelegd moet worden." (pagina 5, Advies en Nader Rapport)

Ik denk dat deze constatering van groot belang is voor dit debat. We komen alleen verder als we én over artikel 1 Gw én over artikel 23 Gw willen spreken. En natuurlijk ook over artikel 6 Gw (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) én over artikel 7 Gw (vrijheid van meningsuiting). Enzovoorts.

In dit verband wil ik ook wijzen op het debat dat we enige tijd geleden ook in deze Kamer gevoerd hebben met de minister van Binnenlandse Zaken over de uitbreiding van de antidiscriminatiegronden van artikel 1 Gw. In dat debat heb ik namens mijn fractie laten zien dat ook de aanvulling met de gronden handicap en seksuele gerichtheid in overeenstemming is met de waarden van onze partij; waarden die door het evangelie geïnspireerd zijn.

Voorzitter, ik kom nu tot het wetsontwerp. De commissie-Remkes constateert in haar rapport over ons parlementair stelsel — een prachtig rapport, een van de collega's zei het al — dat onze democratie zowel van binnenuit als van buitenaf bedreigd wordt. De commissie pleit dan ook voor een versterking van de democratische kennis en vaardigheden. Onze fractie onderschrijft het pleidooi van de minister. Onze fractie onderschrijft ook de conclusie van de commissie dat dit wetsontwerp een stap in de goede richting is (pagina 250). Daarom is de fractie van de ChristenUnie ook blij met dit wetsontwerp.

Voorzitter, als ik het goed begrijp, probeert de minister in deze wet zo goed mogelijk recht te doen aan zowel de vrijheid van onderwijs als de zorg van de overheid. De minister doet dit door voor te schrijven wát er moet gebeuren en door de scholen de vrijheid te geven hóe ze dat willen doen. Het wát wordt omschreven met woorden als: bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie, waarbij het onderwijs zich richt op kennis en vaardigheden. Maar ook gaat het om een schoolcultuur die recht doet aan de basiswaarden van de rechtstaat en die gekenmerkt moet worden door veiligheid en acceptatie.

Over het hóe benadrukt de minister dat de burgerschapsopdracht ruimte biedt voor een eigen invulling. Ik citeer de memorie van antwoord: "De vrijheid van onderwijs houdt in dat bijzondere scholen het onderwijs kunnen inrichten op een manier die past bij hun identiteit en dat zij die identiteit mogen uitdragen in het onderwijs." Onze fractie heeft waardering voor de manier waarop de minister met de eerdergenoemde spanning rond artikel 23 omgaat en hoe hij een nieuwe balans probeert te zoeken. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat deze nieuwe balans ook weer vragen oproept en misschien wat nieuwe spanningen.

In de memorie van toelichting (pagina 18) benadrukt de minister dat het wetsvoorstel een gemeenschappelijke kern voorschrijft, namelijk het bevorderen van kennis van en respect voor de basiswaarden: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dit zijn hele mooie waarden. En toch is de vraag van onze fractie: hoe komt de minister aan deze drie basiswaarden? Ze staan niet in de tekst van de wet en in deze samenhang ook niet in de Grondwet. Graag een reactie van de minister.

In de memorie van antwoord zegt de minister dat het onvermijdelijk is dat deze begrippen "enige interpretatieruimte met zich meebrengen", en voegt de minister toe: "zeker omdat ze altijd in de context van de school bezien moeten worden". Het gaat mij om de woorden "enige interpretatieruimte". En laat ik dat concreet maken aan de hand van het woord "vrijheid". In het christelijke onderwijs zal deze waarde verbonden worden met het geschapen zijn naar het beeld van God en herschapen worden naar het beeld van Jezus Christus. In een klassiek-humanistische school zal vrijheid verbonden worden met de redelijke ethiek en met de rechten van de mens. En in een meer postmoderne school zal de vrijheid van het individuele kind centraal staan. De vraag van onze fractie is: omvatten de woorden "enige interpretatieruimte" al deze verschillende betekenissen van het woord "vrijheid"? En ik zou trouwens nog meer voorbeelden kunnen noemen, waar we andere nuances aantreffen. Een vergelijkbare redenering kan gegeven worden voor de begrippen "gelijkwaardigheid" en "solidariteit". Graag een reactie van de minister.

Vergelijkbare vragen kunnen gesteld worden bij de waarden die genoemd worden waardoor een schoolcultuur gekarakteriseerd zou moeten worden en waar de inspectie op gaat toezien. En toen ik die las — dat moet ik eerlijk zeggen — dacht ik: dat zijn mooie waarden. Maar wel is de vraag: hoe komt de minister aan dat lijstje waarden? Is dat lijstje compleet? Et cetera, et cetera. En als je verder gaat kijken, dan is een van die waarden "autonomie". Nou, als er een begrip is waar veel verschillende interpretaties over zijn, dan is dat het begrip "autonomie". Ik geef weer even het voorbeeld van als je naar christelijke scholen gaat kijken. Die zullen dat bespreken vanuit het idee van God de Schepper. Humanistische scholen zullen heel sterk de nadruk leggen op een rationele ethiek en ook op een gezamenlijke visie op het leven, terwijl meer postmoderne scholen nadruk zullen leggen op de individuele, misschien wel hyperindividuele, keuzen van de postmoderne mens. Graag een reactie van de minister.

Op meerdere plaatsen in de memorie van antwoord stelt de minister dat de inspectie "terughoudendheid zal betrachten" met betrekking tot de inhoud van de burgerschapsvisie en de overtuigingen die daaraan ten grondslag liggen. Onze fractie begrijpt wat de minister met deze woorden wil uitdrukken: ook hier zoekt hij weer een balans tussen aan de ene kant de bescherming van de vrijheid en aan de andere kant de verantwoordelijkheid van de overheid. Het is mij opgevallen dat de verschillende koepels — en dan denk ik aan de protestante, katholieke, gereformeerde, islamitische, en ook het vrije onderwijs — zich zorgen maken over dat begrip "terughoudendheid". En ik kan me daar in principe iets bij voorstellen. Op het moment dat de waarden en visie van een inspecteur min of meer in overeenstemming zijn met de identiteit en de waarden van de school, is het gemakkelijker om in de schoenen van die school te staan en wat "terughoudend" te zijn. Maar op het moment dat de eigen waarden schuren met de waarden van de school, dan zal dat een stuk lastiger zijn. En dan gaat het er helemaal niet om welke visie een inspecteur heeft of welke school wordt bezocht; dit geldt in de breedte. Daarom heb ik ook de vraag aan de minister: is er evidentie dat de inspectie moeite heeft met die terughoudendheid? En hoe gaan inspecteurs om dat "schuren", als hun eigen waarden schuren met die waarden van de school die zij bezoeken? En wordt dat ook bespreekbaar gemaakt, eventueel onderling maar ook met de school zelf? En hoe kan een inspecteur in dat geval nog steeds "inspirerend" zijn? Graag een reactie van de minister. En misschien ook algemeen geformuleerd: hoe kan de minister de zorg van de genoemde scholen wegnemen?

De heer Pijlman (D66):

U spreekt over de waarden van de school versus mogelijkerwijs de waarden van de inspectie, maar de generieke waarden zijn beschreven. Daar moet de school zich toe verhouden. De inspectie toetst dat. Dus ik snapte niet helemaal waar uw vraag op duidt. Of zegt u: ik vind dat die generieke waarden, waar eenieder zich toe moet verhouden, niet goed beschreven zijn?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Nee, dat zeg ik niet. Ik dank de heer Pijlman voor deze vraag. Uiteindelijk gaat het om … Ik neem even die drie waarden: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Ik denk dat dit basiswaarden zijn. Vanuit mijn diepste overtuiging kan ik ook goed kiezen voor die basiswaarden, maar we moeten beseffen dat er — laat ik het vriendelijk uitdrukken — grote accentverschillen zijn in de manier waarop deze waarden uitgelegd worden in verschillende tradities. Dan is het de vraag of een inspecteur lenig genoeg is in zijn hoofd om mee te denken met een school die het uitlegt op een manier waarvan de inspecteur zegt: dit schuurt met mijn opvattingen.

De heer Pijlman (D66):

Ik probeer het even door te laten dringen. Moet je niet uitgaan van wat in de wet staat en die interpretatie nemen, met als uitgangspunt dat iedere school die teksten doorleeft en invult, en daar invulling aan geeft? Ik denk dat je niet erg bang hoeft te zijn dat de inspectie helemaal haar eigen mening op wil leggen aan de school. Ik ken die voorbeelden ook niet. De inspectie zal de school wel spiegelen aan de gemeenschappelijke waarden die beschreven zijn.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik had het net al over enige interpretatieruimte. Dat was ook een vraag aan de minister. Ik gaf een voorbeeld van een paar soorten scholen. Vallen die eronder? Ik ben het met u eens dat er een heel stuk gemeenschappelijkheid zit in de interpretatie. Het enige punt is of de inspectie voldoende gevoeligheid heeft voor accentverschillen, die toch soms groot kunnen zijn. Ik heb hier geen oordeel over de inspectie. Ik vraag het aan de minister.

Ten slotte, voorzitter. Het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie 2021-2025 draagt de titel: Kiezen voor wat echt telt. Ik denk dat de minister die titel ook wel kent. In dit programma spreekt de partij uit dat zij het van groot belang vindt dat scholen aan kinderen de grondslagen van de democratische rechtsstaat bijbrengen. Dat telt echt in de visie van onze partij. Zij is ook van mening — ik verwijs weer naar het rapport van de commissie-Remkes — dat de burgerschapsopdracht van scholen aan bepaalde kwaliteitseisen moet voldoen en dat de overheid hierin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. De eerste indruk van onze fractie is dat de minister een mooie, nieuwe balans heeft gevonden, een balans die ook alleen maar stand kan houden als we steeds weer de spanningen benoemen die er zijn en als we die spanningen met elkaar bespreekbaar maken.

Ik wil afsluiten met een persoonlijke noot. Mijn ouders en grootouders behoren tot wat Abraham Kuyper noemde: de kleyne luyden. En dan "kleyne" met een Griekse y, en "luyden" met u en Griekse y. Ze waren politiek bewust en gaven vorm aan hun eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid. In die traditie ben ik opgevoed. Ik heb onderwijs genoten, eerst op een school met de Bijbel, daarna een christelijke mulo en later een reformatorische hbs. De waarden gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit heb ik met de paplepel meegekregen. Zo ben ik gevormd tot een actieve burger en ben ik mijn hele leven uitgedaagd om bij te dragen aan sociale cohesie. De fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkerk. Mevrouw Sent.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dank aan meneer Verkerk voor zijn prachtige inbreng. Hij vraagt daarin aandacht voor potentiële verschillen in de interpretatie van waarden, van de kant van de scholen en van de kant van de inspectie. Dat is een potentieel probleem bij de uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel. Ik ben heel erg benieuwd wat hij nodig heeft om gerustgesteld te worden dat er geen licht zit in de interpretatie, dat het uitvoerbaar is en dat er geen verschillen van mening over ontstaan.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik heb het rapport van de inspectie over de burgerschapsopdracht gelezen, althans hele stukken ervan. Mijn eerste indruk was: dat is evenwichtig. Ik leg dit dus met een positieve vraag bij de minister neer. Wat me opviel, is dat al die koepels die ik heb genoemd en die opgeteld meer dan 60% van onze scholen betreffen, een zorg naar voren brachten. Ik zou graag een reactie van de minister op die zorg willen horen. Als ik vraag om een reactie, is dat niet omdat ik de indruk heb dat de inspectie dat niet kan. Maar als ik die zorg hoor uitspreken en de manier waarop dat gebeurt, dan denk ik: het lijkt me goed om die zorg ook bij de minister neer te leggen.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

De heer Verkerk heeft het over de toename van pluriformiteit in de samenleving en maatschappelijke spanningen die we moeten koesteren. Daar moet je in verbinden. De rol van de inspectie is dan dat zij het bespreekbaar maakt en dat zij scholen gaat inspireren. Mijn vraag aan de heer Verkerk is of hij ook een idee heeft over de handhaving van de wet. Heeft hij ideeën over waar die handhaving uit zou moeten bestaan?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik heb niet gezegd dat je maatschappelijke tegenstellingen moet koesteren. Ik heb gezegd dat je ze in ieder geval bespreekbaar moet maken en dat pluriformiteit een feit is. Inderdaad, ik heb me niet uitgelaten over de manier waarop de inspectie dit doet. Ik verwees naar het rapport van de inspectie en mijn eerste indruk was: dat is een evenwichtig rapport. Het gaat hier over kennis en vaardigheden en cultuur. Nou, kennis is relatief makkelijk te toetsen. Bij vaardigheden is dat weer een stukje moeilijker. En bij cultuur is het nog een stukje moeilijker. Het rapport lezend, is mijn indruk dat de inspectie deze competenties in principe bezit. Als u daaraan twijfelt, zou ik zeggen: stelt u in de tweede termijn een vraag daarover aan de minister.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Als ik het goed begrijp, dan zegt de heer Verkerk dat hij meer ziet in de communicatie met de scholen, in het verleiden van de scholen om tot andere keuzes te komen, dan in de mogelijkheid van de inspectie om te handhaven.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Dat sluit elkaar niet uit. Je kunt op een dialogische manier handhaven. Ik kijk even hoe dit wetsontwerp is opgezet. De school heeft zelf de mogelijkheid om in te vullen hoe hij de burgerschapsopdracht vervult. Daarbij gaat het om kennis, vaardigheden en cultuur. Een inspecteur is volgens mij heel goed in staat om in een dialogisch gesprek te vragen om een uitleg hoe men het doet, ook in gesprek met leraren, met ouders et cetera et cetera. Dialoog staat helemaal niet in gespannen verhouding tot handhaving. Juist bij dit soort dingen is het zo belangrijk dat een dialoog plaatsvindt.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Kesteren.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Laatste vraag, voorzitter. Kunt u zich voorstellen dat er docenten op scholen zijn die de strategie die u voorstelt, onder de categorie "pappen en nathouden" scharen in plaats van onder handhaving?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik kan mij van alles voorstellen. Er zijn mensen die een bepaalde opvatting hebben. Deels begrijp ik dat ook wel, omdat er mensen zijn die een hele sterke overheid willen hebben. Maar bij dit soort onderwerpen zijn er spanningen en die krijg je er niet uit. Dat moet je bespreekbaar maken. Ik hoop dat wij docenten zo zullen trainen en opleiden dat zij die spanningen bespreekbaar kunnen maken, ook met de inspectie, zodat zij niet het gevoel hebben dat er wordt gepapt en natgehouden, maar dat de wet wordt gehandhaafd, zoals het hoort: met terughoudendheid.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkerk. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Nanninga. Zij zal spreken namens de gelijknamige fractie.