Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Doornhof bij behandeling Meer ruimte voor nieuwe scholen



Verslag van de vergadering van 12 mei 2020 (2019/2020 nr. 26)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.17 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof (CDA):

Voorzitter, staat u mij toe om twee opmerkingen te maken voordat ik van start ga. Allereerst: felicitaties aan collega Adriaansens. Ik heb haar al leren kennen als een gewaardeerde collega. Naar mijn bescheiden mening — ik heb het zojuist al even gezegd — heeft zij zojuist plenair een doorwrocht verhaal gehouden. Van harte!

Ten tweede. In verband met onze gedragscode meld ik dat ik in het dagelijks leven advocaat bestuursrecht ben bij het oude kantoor van mevrouw Adriaansens en dat ik me ook bezighoud met onderwijswetgeving. Daarbij gaat het ook om kwesties betreffende het stichten van een nieuwe school. Maar bij het onderhavige wetsvoorstel heb ik geen andere belangen dan het algemeen belang.

Voorzitter. In 1847 werd in Nijkerkerveen de derde christelijke school van Nederland opgericht. De initiatiefnemer, dominee Callenbach, wilde de arme, onderontwikkelde bevolking van het veen vooruit helpen. En, niet onbelangrijk, hij wilde de veners ook in aanraking brengen met het evangelie. Die oprichting was voor de grondwetsherziening van 1848, die ons de vrijheid van onderwijs bracht. Daarom was het vanzelfsprekend dat eerst toestemming moest worden gegeven door het gemeentebestuur. Die toestemming is door Nijkerk ook verleend. En tot de honderden kinderen waarop vervolgens met christelijk onderwijs "in de eerste en nodigste kundigheden weldadig is ingewerkt", behoor ook ik.

Het nu voorliggende voorstel beoogt de vrijheid van onderwijs te vergroten. Ook als je als initiatiefnemers je nieuwe school, anders dan in Nijkerkerveen, niet op een godsdienst of levensbeschouwing wilt baseren, kun je een aanvraag tot bekostiging doen. Denk bijvoorbeeld aan een onderwijskundige grondslag. Daarnaast is het mogelijk — daaraan werd zojuist al gerefereerd — om binnen een godsdienst ervoor te zorgen dat je een eigen invulling met je school kiest. Al met al vindt het CDA dit een goed wetsvoorstel. Kijk je naar de rechtmatigheid, waarover collega Adriaansens ook al even begon te spreken, dan wordt het alleen maar beter en kom je dichter bij de Grondwet te staan met dit voorstel. Want nu zit in de wet de eis om je school te koppelen aan een godsdienst of levensbeschouwing, maar die koppeling vind je niet terug in de Grondwet. Die koppeling wordt met dit voorstel dan ook geschrapt.

De levensvatbaarheid van de nieuwe school moet natuurlijk steeds worden aangetoond. De school in Nijkerkerveen werd destijds gefinancierd door een aantal zeer sociaal bewogen notabelen die uit het hele land kwamen. Maar het gemeentebestuur paste voor de vraag of het nou toestemming ging geven voor die school al het criterium toe of er voldoende behoefte daaraan is. Het nu voorliggende voorstel gaat ervan uit dat de belangstelling onder ouders wordt gemeten. Er wordt ook rekening gehouden met de groei of krimp van de bevolking in het voedingsgebied.

Mijn fractie juicht het toe dat vooraf wel een toets op kwaliteit wordt ingevoerd. Onder de huidige wet heb je de kwaliteitstoetsen pas als de school open is. Artikel 23 laat toe dat de overheid zich met de kwaliteit van het onderwijs op een bijzondere school bemoeit. Sterker nog, je kunt in artikel 23 ook de plicht zien van de overheid om zich met de kwaliteit te bemoeien. Daarom vindt het CDA dat, als op een bijzondere school misstanden aan het licht worden gebracht, er soms veel te gemakkelijk wordt geroepen dat artikel 23 maar moet worden afgeschaft. Nee, kennelijk mankeert er dan wat aan de overheidsbemoeienis met de kwaliteit van het onderwijs. Laat ik vooropstellen dat je kunt zeggen dat dan in elk geval de bestuurders van de school niet verantwoord omgaan met de vrijheid van onderwijs.

Op dit moment waarborgt de overheid de onderwijskwaliteit overigens nog onvoldoende. Daarbij gaat het voornamelijk om de deugdelijkheidseis dat er burgerschapsonderwijs wordt gegeven. Dat burgerschapsonderwijs heeft nu juist een impuls nodig. In onze eigen zaal hebben we in februari gedebatteerd over het rapport van de staatscommissie-Remkes. Volgens de staatscommissie moet het onderwijs de democratische kennis en vaardigheden bij kinderen en jongeren vergroten om goede burgers te kunnen worden. Wat is dan een "goede burger"? Mensen verstaan daaronder iemand die op zijn minst goed voor zichzelf opkomt en iemand die anderen niet tot last is en geen fraude pleegt.

De heer Pijlman (D66):

Ik begrijp wat u zegt. U zegt ook dat artikel 23 over de vrijheid van richting er te snel bij gehaald wordt in discussies. Maar je ziet nu dat het in de discussie over het burgerschapsonderwijs dat zo noodzakelijk is, heel snel weer gaat over de vrijheid van inrichting en niet over de vrijheid van richting. Hoe kijkt het CDA daarnaar?

De heer Doornhof (CDA):

Ja, dat snap ik, en in het vervolg van mijn betoog ga ik straks ook nog in op dat onderscheid. Want dat is een spanningsveld. Dat kunnen we, denk ik, niet ontkennen. Waar gaat de overheid nog over en waar heb je een eigen invulling? Waar mag je als bestuur zelf kiezen hoe je onderwijs inricht? Ik stel daar vragen over aan de minister, maar feit is dat we met z'n allen, althans de regering nu, vinden dat we daar meer mee moeten. Dat wordt ook bevestigd door het wetsvoorstel dat de minister nu aanhangig heeft gemaakt bij de Tweede Kamer, namelijk het wetsvoorstel aanscherping burgerschapsopdracht onderwijs. We mogen meer van scholen eisen dat ze zich ermee bezighouden dat hun leerlingen goede burgers worden.

De heer Pijlman (D66):

U verwijst naar het volgende stuk van uw betoog, dus dat wacht ik even af. U verwijst ook naar de regering, maar ik vroeg wat het CDA ervan vindt. Want ik hoor ook veel CDA-politici op de vrijheid van inrichting wijzen. Terecht zegt u dat er een spanning zit tussen de richting en de inrichting. Wat betekent dat voor u?

De heer Doornhof (CDA):

Laat ik concreet antwoord geven op de vraag. U hebt mij horen zeggen dat de eisen die op dit moment gesteld worden aan het geven van dat onderwijs, die de school dus ertoe verplichten dat ze, even plat gezegd, goede burgers maakt van de leerlingen, nu te weinig wettelijk zijn voorgeschreven. We mogen met z'n allen onze collega's aan de overkant ... Kunnen we dat nog zeggen vanuit deze Ridderzaal, voorzitter?

De voorzitter:

Schuin aan de overkant.

De heer Doornhof (CDA):

"Schuin aan de overkant" ... niet voor de voeten lopen. Laat ik het zo zeggen: de CDA-fractie in de Eerste Kamer heeft warme gevoelens bij dat wetsvoorstel. Dat sluit ook aan bij — of is er misschien de reden voor — het feit dat ik daarover straks nog een concrete vraag aan de minister stel. Bedankt voor uw vragen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Doornhof (CDA):

Voorzitter. Ik refereerde al aan het wetsvoorstel dat door de minister aanhangig is gemaakt bij de Tweede Kamer. Daar hebben we het vandaag niet over, maar dat voorstel heeft de bedoeling om de wettelijke eisen aan te scherpen als het gaat om burgerschapsonderwijs. Later krijg je dan ook nog de uitwerking in kerndoelen en eindtermen voor burgerschap.

Voorzitter. Ik kom terug bij het voorstel waarover we het nu hebben, meer ruimte voor nieuwe scholen. Dan is de volgende vraag van belang: kan ook al na de inwerkingtreding van deze wet worden verzekerd dat een nieuwe school er genoeg aan gaat bijdragen dat zijn leerlingen goede burgers worden? De minister heeft mooi geformuleerd dat het "nodig is dat we de spelregels van de samenleving kennen om op een constructieve en vreedzame manier samen te kunnen leven". Gaat het feit dat de aanvraag voor een nieuwe school getoetst zal worden aan de deugdelijkheidseis van het burgerschapsonderwijs er ook echt voor zorgen dat op die school de democratische kennis en vaardigheden bij leerlingen worden vergroot? Dat is mijn eerste vraag aan de minister.

Aan de andere kant, en dan kom ik op datgene wat de heer Pijlman naar voren bracht, is het voor mijn fractie wel de vraag hoe de inspectie omgaat met de vrijheid van godsdienst, het gelijkheidsbeginsel, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs. Dat is mijn tweede en meteen ook laatste vraag aan de minister. Ik zei dat het nodig is dat er een extra impuls komt voor het burgerschapsonderwijs. Wel moet duidelijk zijn dat de inspectie terughoudend is met haar oordeel wanneer het op de precieze invulling aankomt. De vrijheid om als ouders een eigen school te stichten mag met andere woorden niet worden uitgehold door een overheid die de manier dicteert waarop een school helpt om van leerlingen goede burgers te maken. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?

Tot zover mijn eerst termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Doornhof. Dan is het woord aan de heer Van Kesteren namens de fractie van de PVV.