Plenair Kuiper bij behandeling Annuleren enkelefeitconstructie AWGB



Verslag van de vergadering van 3 maart 2015 (2014/2015 nr. 22)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.14 uur


De heer Kuiper i (ChristenUnie):

Voorzitter. Er wordt ons vandaag een initiatiefwet voorgelegd die, mocht deze worden aangenomen — en daar ziet het naar uit — nieuwe verhoudingen schept tussen de grondrechten in onze Grondwet. Deze wet is dus van constitutioneel belang. Hadden we een Constitutioneel Hof, waar mijn partij op zichzelf voor is, dan zouden de kwesties die hier worden aangeroerd daaraan voorgelegd kunnen worden. Nu worden ze aan deze Kamer voorgelegd.

De zaken die het wetsvoorstel wil regelen, en die volgens de indieners deze opvatting van de Grondwet rechtvaardigen, moeten van groot gewicht zijn. Is dat zo? Het is in Nederland niet toegestaan onderscheid te maken op grond van persoonskenmerken, zoals ras, geslacht en seksuele gerichtheid. Dat "enkele feit" mag geen grond voor afwijzing of onderscheid zijn, zegt de wet; wel kunnen bijkomende omstandigheden meegewogen worden. De indieners van de wijzigingswet zijn het daarmee niet oneens, alleen zij willen niet dat ook gedragingen in de privésfeer worden meegewogen, bijvoorbeeld bij de benoeming van een docent in het bijzonder onderwijs. Maar gedragingen in de privésfeer worden natuurlijk altijd wel meegewogen, zie de discussies over de voorbeeldfunctie en integriteit van politieke vertegenwoordigers en over bijvoorbeeld politiebeambten van wie verwacht wordt ook buiten werktijd een bij hun functie passend gedrag te vertonen. Dit geldt ook voor docenten die geacht worden een bepaald patroon van normen en waarden uit te dragen. Practice what you preach, zeggen we dan.

De indieners vinden dit kennelijk ver gaan, te ver. Ze hebben daarvoor een aantal casussen bij de hand, een beperkt aantal, vrijwel uitsluitend betrekking hebbend op de homoseksuele leraar op een bijzondere school. Zij menen dat we met het oog daarop de AWGB moeten wijzigen en constitutionele verhoudingen moeten aanscherpen ten nadele van de vrijheid van onderwijs, vereniging en godsdienst en ten gunste van het individu dat zich benadeeld zou kunnen voelen omdat sommige scholen benoemingseisen stellen aan hun personeel, die gedragingen raken in de privésfeer.

De heer Thom de Graaf i (D66):

De heer Kuiper gebruikt een formulering die mijn interesse wekt, namelijk dat constitutionele verhoudingen worden aangescherpt. Zou de heer Kuiper dat nog even kunnen toelichten? Doelt hij op de verhoudingen tussen de grondrechten in de Grondwet?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mijn betoog gaat daar eigenlijk helemaal over. Ik zal dat straks helemaal uit de doeken doen. Is het goed als ik mijn betoog vervolg en dat ik u daarmee beantwoord?

De heer Thom de Graaf (D66):

Zeker.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De Grondwet is er voor ons allemaal. Zij beschermt mensen die onderling zeer kunnen verschillen in geloof, opvatting en levensstijl. Dat is het grote goed van de Grondwet. De Grondwet mag niet een instrument worden waarmee de vrijheid van de een dwang wordt voor de ander. Daarom luistert de omgang met de Grondwet zo nauw. Als land van minderheden, waarin we elkaar ruimte hebben leren geven en in betrekkelijke harmonie met elkaar samenleven, hebben we daar ook ervaring mee. Daarom zouden we bij dit initiatiefwetsvoorstel op onze hoede moeten zijn voor inbreuken op de Grondwet en de vrijheden die daarin verankerd zijn. Er zijn rondom dit wetsvoorstel maar liefst vier signalen uitgezonden die ieder voor zich reden tot extra waakzaamheid zouden moeten zijn.

In de eerste plaats is er de veelbesproken balans tussen de grondrechten. Dat betekent dat niet één van de grondrechten voorrang heeft op andere. De heer De Graaf heeft daar zelf over geschreven in de nota uit 2004. Ook in 1994, toen de Algemene wet gelijke behandeling aan de orde was, is dat nog eens bevestigd. Het gelijkheidsbeginsel staat dus niet boven de vrijheid van onderwijs, vereniging en godsdienst, maar is van gelijke waarde. Door het een grondrecht te noemen onderkennen we de intrinsieke betekenis ervan. Het respect dat van ons gevraagd wordt voor een gelijke behandeling wordt ook van ons gevraagd als het gaat om de vrijheid van godsdienst. Tekenend voor het denken van de initiatiefnemers is dat zij zich de balans voorstellen als een evenwicht. Dat staat in de memorie van toelichting, zelfs na de aanpassing na het advies van de Raad van State. Er staat dat de initiatiefnemers zich de balans voorstellen als een evenwicht, met aan de ene kant de vrijheid van godsdienst en onderwijs en aan de andere kant het recht op gelijke behandeling. Zij denken dat die balans hier slaat op evenwicht en dat een beetje meer van het ene wel ten koste kan gaan van het andere. Dat is kwantitatief denken, terwijl hier kwalitatief denken wordt vereist. Er wordt hier gevraagd — en dat is constitutioneel denken — om de vrijheid van godsdienst en onderwijs voluit te erkennen, inclusief opvattingen over de geloofspraxis. Nu zeggen de indieners dat dit onherroepelijk tot een botsing van grondrechten zal leiden. Ik betoog nu dat de initiatiefwetgevers zelf accepteren dat er een verschuiving tussen de grondrechten plaatsvindt.

Nu zeggen de indieners dat de balans tot een botsing kan leiden tussen die grondrechten. Dat is waar, maar het is gevaarlijk om daarop vooruit te lopen. De wetgever moet daar helemaal niet op vooruitlopen. Dat is principieel onjuist. Afgezien van het feit dat we niet te snel moeten besluiten dat er een botsing van grondrechten is —zoveel casussen daarvan hebben we in dit geval niet — hoort de conflictregeling thuis bij de rechter. Die rechtsgang is er, die wordt ook benut en die laat zien dat we niet veel gevallen hebben die daar terechtkomen.

Mevrouw De Boer i (GroenLinks):

Ik dank de heer Kuiper voor deze uiteenzetting, maar die roept bij mij wel de vraag op of dat alles wat hij zegt over het huidige wetsvoorstel niet nog in veel sterkere mate geldt voor de enkelefeitconstructie zelf. Die maakt meer inbreuk op grondrechten dan de huidige afzwakking van die enkelefeitconstructie. Misschien kan de heer Kuiper daar nog op ingaan. De enkelefeitconstructie is een ordening van grondrechten, namelijk dit mag wel maar niet op het enkele feit dat. Is het niet zo dat juist die enkelefeitconstructie die inperking geeft en dat dit wetsvoorstel die inperking juist afzwakt?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ja. Tussen grondrechten kan het schuren op meerdere vlakken. We hebben het vandaag over één van die vlakken. Toch wordt van ons als wetgever gevraagd om aan alle grondrechten het volle pond te geven, zoals we de Grondwet uit overtuiging verdedigen. Nu kunnen in concrete wetgeving verbindingen worden gemaakt en de enkelefeitconstructie is er zo-een. Die brengt het gelijkheidsbeginsel binnen het kader van de vrijheid van vereniging of de vrijheid van onderwijs. Het enkele feit van ras, geslacht of nationaliteit mag geen grond zijn voor discriminatie. Zo is die verhouding daarin dus geregeld, alleen gaat de enkelefeitconstructie noodzakelijkerwijs samen met de bijkomende omstandigheden.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Dit is een mooie voorstelling van zaken, maar volgens mij is de enkelefeitconstructie niet bedoeld om de gelijkheidsrechten binnen de vrijheidsrechten te brengen, maar om de werking daarvan te beperken, juist door de term "enkele feit" te gebruiken, waarmee de verdere werking wordt uitgebreid. Ik wil hier niet de hele parlementaire behandeling van de enkelefeitconstructie overdoen, maar zoals ik het zie is juist de enkelefeitconstructie de beperking van de grondrechten en is dit voorstel een afzwakking van die beperking.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat klopt. Ik denk dat de betekenis is dat het enkele feit van iemands seksuele gerichtheid, nationaliteit, ras of geslacht op geen enkele manier een grond mag zijn voor discriminatie, ook niet bij benoemingen in het bijzonder onderwijs. Eigenlijk gaat het nu al te veel over deze casus, maar ook breder bij benoemingsbeleid weet ik zeker dat men dat prudent weegt. Dat enkele feit kan dus geen grond zijn voor een afwijzing. Dat doet recht aan het gelijkheidsbeginsel binnen het kader van de vrijheid van vereniging en onderwijs. Zo zie ik het althans.

Dit was mijn eerste punt, de grondrechtenbalans, waar de initiatiefnemers zelf over spreken. Ik kom hierop omdat het op deze manier in de stukken is aan te treffen.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik ben niet alleen erg nieuwsgierig naar de opvatting van de initiatiefnemers, maar ook naar die van de heer Kuiper zelf.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Die heb ik al gegeven.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ja, maar daar probeer ik nog even wat meer duidelijkheid over te krijgen. U had het over een inbreuk op de Grondwet. Ik vond dat nogal zware woorden. Uiteindelijk — die indruk krijg ik uit uw tekst — gaat het evenwel over de vraag of de wetgever er verstandig aan doet om een grondrecht uit te werken in wetgeving en vervolgens de verhouding met andere grondrechten te regelen. U hebt dus eigenlijk niet zozeer bezwaar tegen dit initiatiefvoorstel, maar tegen het feit dat wij een Algemene wet gelijke behandeling hebben. Daarin wordt non-discriminatie namelijk als uitgangspunt genomen en wordt pas daarna bekeken of dat verbonden kan worden met andere grondrechten. Is het naar uw opvatting fundamenteel onjuist dat de wetgever dat doet?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat zijn meerdere vragen ineen. Wat ik wil aangeven, is dat dit wijzigingsvoorstel voor mijn fractie niet beslist noodzakelijk was geweest. Hiermee neem ik een positie in die verwant is aan wat het CDA heeft verwoord. Immers, er is een regeling en er is een rechtsgang mogelijk. Het is dus de vraag of het nodig is dat de wetgever hier optreedt. Vandaar dat in mijn tekst staat dat het de vraag is of het wel nodig of juist is dat wij hier op dit moment als wetgever optreden. Mijn opvatting hierover is in ons land vaak bevestigd, ook door u en in parlementaire debatten. Die opvatting is dat de grondrechten die wij in de Grondwet kennen, van gelijke waarde zijn en dat daar gelijkelijk respect aan betoond moet worden. De uitwerking in wetgeving kan natuurlijk tot allerlei figuren leiden, maar daar ligt ons uitgangspunt. En aan dat uitgangspunt wordt nu getornd.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik maak nog een laatste opmerking in dit verband. Als de heer Kuiper ten principale aanvaardt dat nevengeschikte grondrechten door de wetgever in een nadere regeling bij elkaar kunnen worden gezet in specifieke gevallen, of het nu gaat om openbare manifestaties, demonstratievrijheid of gelijke behandeling, dan is het niet principieel onjuist en ook geen inbreuk op de Grondwet als een initiatiefvoorstel een bestaande regeling op een eigen betrekkelijk technisch punt aanpast om daar de rechtszekerheid mee te dienen. Dan begrijp ik niet waar die grote woorden van inbreuk op de Grondwet vandaan komen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik deel uw opvatting dat de wetgever de Grondwet uitlegt. Als de wetgever de Grondwet nu uitlegt op een manier die raakt aan de verhouding tussen grondrechten — ik zal zo nog andere voorbeelden geven — dan is er iets zwaarwegends aan de hand. We hebben het over de vraag hoe wij de Grondwet en de verhouding tussen de grondrechten opvatten en hoe we straks de vrijheid van onderwijs gaan zien. Ik vind dat heel grote zaken die achter een kleine technische wetswijziging vandaan komen. Ik begin er evenwel niet over; de stukken die wij ontvangen hebben, staan er bol van.

De heer Koole i (PvdA):

De heer Kuiper vroeg zich net af of het wel nodig is om hier als wetgever op te treden. Ik neem aan dat je als wetgever optreedt om via wetgeving iets te doen aan maatschappelijke misstanden en dingen die verbeterd moeten worden. De koepelorganisatie van de christelijke lhbt-organisaties zegt dat met het wetsvoorstel, als het wordt aangenomen, een einde kan komen aan genoemde ondragelijke spanning voor docenten en leerlingen in het religieus onderwijs. Zou de door de koepelorganisatie genoemde ondragelijke spanning niet een zodanige maatschappelijke misstand kunnen zijn dat hier optreden van de wetgever noodzakelijk is?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb nog geen kennisgenomen van die brief. Die is volgens mij net binnen. Wat daar gezegd wordt, neem ik natuurlijk serieus, maar ik moet het nog afwegen tegen het feit dat schoolbesturen in het bijzonder onderwijs hier buitengewoon prudent mee omgaan. Ze hebben de afgelopen twintig jaar een eigen proces doorgemaakt en geleerd om daarin stappen te zetten. Daar staat tegenover het feit dat er betrekkelijk weinig zaken ter kennis van de Commissie gelijke behandeling zijn gebracht. Waar ik voor opkom, is de vrijheid van een eigen afweging door besturen en bevoegd gezag. Die ruimte is straks weg, maar ik heb niet de indruk dat die nu vreselijk misbruikt wordt of gebruikt wordt om grote misstanden in stand te houden.

De heer Koole (PvdA):

Ik wil de heer Kuiper nageven dat schoolbesturen, ook van christelijke scholen, in de meeste gevallen heel zorgvuldig handelen. Waar het om gaat, is dat je dan afhankelijk bent van die zorgvuldige behandeling van de schoolbesturen. Het bestuur van een andere school kan het anders doen, hetgeen kan leiden tot die ondragelijke spanning bij docenten. Het is dus niet zozeer van belang dat er weinig rechtszaken zijn geweest en dat schoolbesturen zorgvuldig handelen, maar dat ze onzorgvuldig kunnen handelen en via de enkelefeitconstructie spanning kunnen veroorzaken bij de docenten. Dat is de misstand en daar zou je via dit wetsvoorstel een einde aan kunnen maken.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog.

Mijn eerste punt betrof dus de verhouding tussen de grondrechten. Het tweede signaal ligt in het verlengde daarvan en gaat over de vrijheid van vereniging. Het wetsvoorstel maakt inbreuk op de eigenstandige afweging van het bevoegd gezag van een organisatie, vereniging, school of verband. Grondrechten beschermen de vrijheid om dergelijke afwegingen zonder inmenging van een overheid te maken. Ze beschermen een staatsvrije sfeer. De Raad van State noemde de inbreuk op deze verenigingsvrijheid ingrijpend. Laat ik op dit punt een vergelijking maken. Wij verdedigen naar aanleiding van de aanslagen in Parijs de vrijheid van meningsuiting met hand en tand en willen van geen beperking weten. Zo beschermen we een grondrecht. Waarom doen wij dat dan niet als het gaat om de vrijheid van vereniging?

Een derde signaal betreft de vrijheid van onderwijs en raakt hetgeen bepaald is in artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid van richting. Ook die vrijheid wordt aangetast wanneer er door deze wetswijziging inbreuk kan worden gemaakt op de manier waarop een vereniging of school die eigen richting vorm wil geven. Zo wordt dus ook de onderwijsvrijheid geraakt.

Een vierde signaal betreft de vraag of de Grondwet alleen individuen beschermt of ook groepen. Dit wetsvoorstel lijkt te kiezen voor het eerste. Het gelijkheidsbeginsel wordt nu zo uitgelegd dat individuen worden beschermd. Maar de Grondwet beschermt ook groepen en beschermt daarmee de pluriformiteit van de samenleving. We hoeven niet allemaal hetzelfde te zijn en dezelfde keuzes te maken. De opvattingen en de keuzes van de een hoeven niet die van de ander te zijn, maar laten we elkaar niet dwingen om gelijk te denken of te zijn. Dat gebeurt als de vrijheid van het individu in stelling wordt gebracht tegen ieder collectief dat op aangelegen punten anders denkt over opvattingen of gedragingen van dat individu.

Wij kennen natuurlijk de afwegingen die al in het vorige kabinet zijn gemaakt, mede naar aanleiding van die Europese kwestie die speelde. Die afwegingen waren er echter op uit om de gelijkheid tussen de grondrechten intact te laten. De Raad van State adviseerde een andere route, zoals anderen ook al hebben gezegd. Waarom hebben de indieners niet opnieuw advies gevraagd aan de Raad van State nadat zij hun wetsvoorstel hadden gewijzigd? Belangrijk is verder — dat moeten wij goed in de afwegingen betrekken, dat zei ik net ook al tegen collega Koole — dat er al een sterk bewustzijn bestaat over de gevoeligheid van vraagstukken op dit terrein. Het blijkt dat hier in het onderwijs nu al zeer prudent mee wordt omgegaan. Dat is ook de reden waarom er in mijn ogen zo weinig casussen bij de Commissie gelijke behandeling komen. Het beperken van de eigen afwegingsruimte van scholen helpt hier volgens mij niet bij.

Tot slot merk ik nog dit op. Tot in de taal van het wetsvoorstel aan toe wordt duidelijk dat dit wetsvoorstel het op bepaalde geloofsopvattingen gemunt heeft. Die worden steevast aangeduid met orthodox of streng. Zeker die laatste kwalificatie is niet neutraal. Is het dan zo dat de vrijheid van godsdienst weliswaar godsdienstige opvattingen verdedigt, behalve als ze orthodox of streng zijn? Wij hebben in dit land in een lang proces geleerd ruimte te scheppen voor andere overtuigingen, overtuigingen die niet de onze zijn; de Grondwet doet dat ook. Laten we die ruimte nu niet weer inperken met dit type wetgeving. Wij zullen dit debat voortzetten en wachten nu de antwoorden van de initiatiefnemers af.