Plenair Pijlman bij behandeling Doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs



Verslag van de vergadering van 1 februari 2022 (2021/2022 nr. 15)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.05 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Pijlman i (D66):

Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we een wetsvoorstel dat de kansengelijkheid in het onderwijs kan bevorderen. Kansengelijkheid staat in het regeerakkoord centraal. Het moet voor minister Wiersma een eer zijn om hier de komende jaren gestalte aan te geven. Dat geldt zeker voor een minister die een echte stapelaar is en aan den lijve heeft ondervonden hoe belangrijk het is dat de school er alles aan doet om kinderen, die vanuit huis niet optimaal gesteund worden, de kans te geven om hun talent, op welk gebied dan ook, optimaal te benutten. D66 wenst de minister daarbij heel veel succes.

Voorzitter. De doorstroomtoetsen van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs vormen een belangrijk moment in de schoolloopbaan van kinderen. De school heeft vóór de toets een oordeel gegeven welk schooltype het best bij de leerling past. Na de toets, die in de volksmond nog steeds "de Cito" wordt genoemd, wordt dit oordeel bevestigd of bijgesteld. Maar in de resultaten van de afgelopen jaren is het opvallend dat de basisscholen hun oordeel over leerlingen uit gezinnen die tot de lagere sociale milieus behoren veel vaker naar boven moeten bijstellen dan het oordeel over kinderen die tot de hogere sociale milieus behoren. Dat geldt overigens ook voor kinderen van het platteland ten opzichte van kinderen uit de steden. In beide gevallen krijgen deze kinderen een te laag schooladvies.

Dit wetsvoorstel poogt nu, door de aanmelddatum voor het voortgezet onderwijs te bepalen op 1 april, te voorkomen dat de leerlingen van wie de keuze naar boven kan worden bijgesteld, niet meer op de bij hen passende school terechtkunnen doordat de scholen al vol zijn. Zij vissen dan achter het net, hetgeen totaal oneerlijk is. Maar om deze onevenwichtigheid weg te nemen, moet de eindtoets wel worden vervroegd.

Wij menen dat dat ook wel een bezwaar heeft. Hoe groot is de kans dat de periode na de toets niet meer optimaal wordt benut? De spanning is er dan immers af, zowel voor de school als voor het kind. Volgens het gehouden onderzoek menen leraren dat dit zich niet zal voordoen. Zij zeggen: nee, wij gaan die tijd echt optimaal benutten. Het is echter onbekend hoe leerlingen zullen reageren. Je kunt natuurlijk redeneren dat wanneer de spanning geweken is de leerlingen zich optimaal kunnen voorbereiden op de schoolovergang. Maar je kunt ook redeneren, wat onze Tweede Kamerfractie bijvoorbeeld deed, dat leerlingen zelf makkelijker gaan worden. Het schooladvies is immers toch al bekend.

Onze leerlingen hebben alle tijd op de basisschool nodig. Voor veel vakken is het eindniveau de laatste jaren onder druk komen te staan. Door twee coronacrisisjaren zijn de leerachterstanden alleen maar groter geworden. De tijd die er is, moet optimaal benut worden om de overgang van primair naar voortgezet onderwijs zo goed mogelijk te laten verlopen. Die overgang is voor veel kinderen bepaald niet gemakkelijk. Op dit punt zit er voor ons een zorg wat betreft de uitvoering van dit voorstel. We herkennen de achterliggende gedachte om tot het voorstel te komen, maar twijfelen of het de beoogde effecten zal hebben. Kan de minister ons op dit punt geruststellen? Kan de minister toezeggen dat deze wet zal worden geëvalueerd en dat de inspectie ook toezicht zal houden op de leereffecten bij kinderen na de toets?

Voorzitter. Dan een volgend aspect van de wet. Eerst betrof het de volledige privatisering van de eindtoets en nu de gedeeltelijke privatisering van de eindtoets. Nu mogen de scholen al een toets kiezen die het best bij hun onderwijskundige achtergrond past. Iets meer dan de helft van de scholen maakt daar gebruik van. Wij hadden met die maatregel veel moeite, omdat wij redeneren dat de toetsen dan niet meer vergelijkbaar zijn. Die opvatting is gestaafd in de brief die u gisteren aan ons hebt gestuurd. Gelukkig corrigeert u dat in dit wetsvoorstel. Overigens had het feit dat men tot die gedeeltelijke privatisering kwam natuurlijk ook te maken met de fouten die het CvTE in het verleden heeft gemaakt. Daardoor is die nieuwe praktijk ontstaan.

U biedt het CvTE nu een nieuwe taak als toezichthouder. Alle toetsen, de Cito en de andere toetsen, van alle aanbieders, moeten door het CvTE worden gevalideerd. Wij vinden dat een hele goede zaak. Bovendien gaan die toetsen alleen over Nederlands, rekenen en wiskunde. Die vakken geven de meeste kans op een goed vervolg op de middelbare school. Ook dat vinden wij een plus. Wordt aan het CvTE ook de evaluatie van de verschillende toetsen opgedragen, vraag ik de minister. Het is belangrijk dat de verschillende aanbieders in de verscheidenheid die we nu hebben, wel van elkaar kunnen blijven leren.

Voorzitter. Ouders die de middelen hebben, bereiden hun kinderen vaak heel goed voor op de Cito-toets door allerlei vormen van bijles. Andere kinderen zullen het helemaal zelf moeten doen. Het is een vorm van ongelijkheid die je niet kunt wegnemen. Maar hoe groot is nu de kans dat commerciële partijen die de nieuwe toetsen aanbieden, tevens een op de ouders van de leerlingen gericht steunpakket aanbieden, tegen betaling uiteraard, om hun kinderen op de toetsen voor te bereiden? D66 acht die kans niet denkbeeldig, maar vindt het tegelijkertijd niet wenselijk. De school heeft de taak om de leerlingen goed op de doorstroomtoets voor te bereiden. Je kunt niet voorkomen dat ouders die dat kunnen, hun kinderen helpen. Dat wil je uiteraard ook niet; ik heb het zelf ook altijd gedaan. Maar je hoopt niet dat er verschillende commerciële pakketten op de markt komen, die tegen betaling leerlingen beter voorbereiden op de toets die hun school aanbiedt. Zijn daar afspraken over gemaakt met de verschillende commerciële partijen?

Voorzitter. Dit voorstel kan een heel klein stapje zijn om kansengelijkheid bij de overgang van p.o. naar vo te verbeteren. Veel meer zien wij in wat in het regeerakkoord staat over het weer stimuleren van de verlengde brugklassen, met daarbinnen differentiatie, om daarnaast het onderwijs in het p.o. weer veel meer te versterken voor achterstandsleerlingen. We hebben de laatste jaren ook heel veel kinderen met een biculturele achtergrond, die extra hindernissen moeten nemen. Daar moet het onderwijs zich op voorbereiden. Het onderwijs doet daar al heel veel aan, maar we vinden ook dat de scholen die die kinderen moeten begeleiden een steun in de rug mogen hebben. Naast die brede brugklas gaat het om de rijke schooldag, met huiswerkbegeleiding, sport en cultuur.

Wie mij kent, weet dat ik daar een verleden in heb. Onderwijsvernieuwing gaat langzaam. Veertig jaar geleden begon ik als leraar samen met een collega op een net gevormde brede scholengemeenschap in Groningen voor mavo, havo en vwo. De oude rijks-hbs was gefuseerd met de mavo, de Cort van der Lindenschool. Toch weer een liberaal geluid. Zo ontstond een nieuwe scholengemeenschap. Wij als leraren — althans een deel daarvan, want een ander deel voelde daar niets voor — pionierden in een experiment, namelijk het experiment om binnen een brede brugklas gedifferentieerd onderwijs aan te bieden voor mavo, havo en vwo, om keuzes uit te stellen. Het was een flinke klus, ook een heel leuke klus, en het experiment slaagde. Het werd extern begeleid.

En nu? We zien nauwelijks meer brede brugklassen. Gedifferentieerd onderwijs binnen die brugklassen is verdwenen. Het heeft ook met de bekostiging te maken. Naarmate de overheid aandrong op snellere doorstroming, gingen de scholen terughoudender zijn met deze brede brugklassen. Zij schakelen daarmee kansengelijkheid voor een deel ook uit. Het coalitieakkoord blaast het nu nieuw leven in. Het stimuleert brede brugklassen en het bevordert differentiatie. Het coalitieakkoord legt er ook veel middelen naast, eindelijk. Wij verwachten dat de minister haast gaat maken om met nieuwe voorstellen te komen om dit in te vullen, want dat zal de kansengelijkheid echt bevorderen.

Voorzitter. Ik wacht met belangstelling — ik kijk even langs de brede rug van de heer Van Kesteren — de antwoorden van de minister af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Pijlman. De heer Van Kesteren namens de PVV.

De heer Ton van Kesteren i (PVV):

Ik zou de heer Pijlman het volgende willen vragen. Kijk, de experimenteerfase was vroeger een mooi project, maar hoe groot waren die klassen? Kunt u zich voorstellen dat het onderwijsveld, de leraar voor de klas, helemaal niet zit te wachten op dit soort experimenten? Kunt u zich voorstellen dat ze liever in een kleinere klas werken? Kunt u zich voorstellen dat dat veel effectiever is in de ogen van heel veel leraren?

De heer Pijlman (D66):

Ik praat heel veel met leraren en u ook. Er zijn leraren die tegen heel veel veranderingen opzien. Ik kan me heel goed voorstellen dat zij zeggen — zo redeneert u ook — dat de omstandigheden wel zodanig moeten zijn dat je het waar kunt maken. Daarom is het zo goed — je lost niet van vandaag op morgen alle problemen op — dat het regeerakkoord nu ook middelen in wil zetten om dit weer mogelijk te maken. En ja, kleine klassen, dat is een van die omstandigheden. Het is heel erg lastig om in hele grote klassen op inhoud te differentiëren. Daar hebt u gelijk in.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Apeldoorn namens de SP.