Plenair Van Hattem bij behandeling wetsvoorstel 35874 en debat over de verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19



Verslag van de vergadering van 12 juli 2021 (2020/2021 nr. 45)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 18.44 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. In oktober 2020 hebben we als PVV-fractie tegen de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 gestemd. Deze wet zorgt immers voor een onacceptabele aantasting van onze grondrechten en vrijheden. Daarbij gaat het om maatregelen die veelal niet effectief bewezen bescherming bieden tegen de coronaepidemie, zoals de mondkapjesplicht en de avondklok. Destijds hield het kabinet voor dat de wet slechts tijdelijk van aard zou zijn en alleen indien nodig met drie maanden kon worden verlengd. Inmiddels zijn deze driemaandelijkse verlengingen van de wet voor het kabinet een vanzelfsprekendheid geworden. Bij de nu voorgenomen verlenging per 1 september wil het demissionaire kabinet weliswaar bepaalde onderdelen laten vervallen, maar tegelijkertijd veel maatregelen slapend achter de hand houden om ze naar goeddunken van het kabinet weer in te voeren. Zo blijkt maar weer: niets is zo permanent als tijdelijke maatregelen.

Zo kan het dat in de zomer even wordt versoepeld en in het najaar de lockdowns weer als een soort Groundhog Day op een persconferentie worden afgekondigd. De bevolking mag dan ook weer, net als bergmarmotten, weggestopt in een hol in winterslaap. De horeca en andere ondernemers delven dan opnieuw het onderspit.

Het is dan ook op zichzelf goed dat de beide Kamers der Staten-Generaal met het vandaag voorliggende wetsvoorstel, verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19, de mogelijkheid krijgen om de verlenging met een goedkeuringswet achteraf weg te kunnen stemmen. Het zou nog beter zijn om deze Tijdelijke wet maatregelen überhaupt niet meer te verlengen. De delegatie onder de vereiste goedkeuring bij wet heeft bovendien nog enkele haken en ogen. De goedkeuringswet wordt immers pas ingediend nadat de verlenging van de wet van kracht is geworden. Geen van beide Kamers heeft op die manier nog aan de voorkant invloed op de te verlengen maatregelen. Omdat de vereiste goedkeuringswet pas in de nahangprocedure komt, blijven of worden de maatregelen al van kracht voordat het parlement een definitief oordeel heeft geveld. Daar komt nog bij dat het artikel dat in RegelMaat verscheen en dat bij de stukken was gevoegd, over dergelijke procedures stelde dat het onduidelijk is of de termijn van indiening van de goedkeuringswet een termijn van orde is of een fatale termijn. Het is dus de vraag wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan deze termijn door het kabinet. Kan de minister daarover opheldering verschaffen?

Een ander punt is dat de minister in de memorie van toelichting wel heel indringend stelt dat met het verwerpen van de goedkeuringswet de Tijdelijke wet maatregelen, en daarmee de juridische grondslag voor alle maatregelen, volledig vervalt. Dat moet niet als drukmiddel richting het parlement gebruikt worden, in de zin van: slikken of stikken. Het parlement moet deze druk zelf weerstaan en ervoor durven te kiezen om deze tijdelijke wet niet steeds te verlengen. Daarbij is het opmerkelijk dat de juridische grondslag opeens zo belangrijk is voor het kabinet. Eerder had het daar immers totaal geen boodschap aan.

EenVandaag onthulde op 23 juni jongstleden dat minister Grapperhaus eerder geen discussie over de juiste juridische basis wilde aangaan bij het invoeren van de avondklok. De avondklok moest en zou er komen, zo bleek uit stukken op basis van een Wob-verzoek. De minister vond het volstaan om de avondklok te baseren op de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, de Wbbbg, terwijl deskundigen nadrukkelijk stellen dat deze wet bedoeld is voor acute rampen en niet voor vooraf voorzienbare ontwikkelingen. Sterker nog, bij de voorliggende verlenging van de Twm stelt het kabinet, onder andere op pagina 55 van de stand-van-zakenbrief, dat het eventueel opnieuw invoeren van een avondklok ook weer kan op basis van de Wbbbg. Volgens EenVandaag weigert de minister het advies van de landsadvocaat hierover openbaar te maken, vanwege intern beraad. Daarom heb ik de volgende vraag aan de minister, en daarmee aan het kabinet: is hij bereid om deze stukken alsnog te verstrekken? Ik doe dit verzoek mede gelet op artikel 68 van de Grondwet. Graag een reactie.

Over de juridische grondslag gesproken: de Twm is nadrukkelijk bedoeld voor de bestrijding van COVID-19 als epidemie. In de nu voorliggende kabinetsplannen, waaronder de stand-van-zakenbrief van 18 juni jongstleden, geeft het kabinet aan dat we in een overgangsfase komen van epidemie naar endemie. In deze stand-van-zakenbrief stelt de minister op pagina 53 ook: "Voor de verlengingsbevoegdheid van de regering geldt dat deze slechts mag worden toegepast voor zover dat noodzakelijk (en evenredig is) is voor bestrijding van de epidemie van covid-19 of de directe dreiging daarvan." Kan de minister aangeven of de Twm überhaupt nog wel verlengd kan worden als er geen sprake meer is van een epidemische maar van een endemische fase? Kan de minister tevens aangeven hoe bepaald wordt of er formeel sprake is van een epidemie? Wordt hiervoor een epidemische drempelwaarde gehanteerd en, zo ja, welke? Graag een reactie van de minister.

In de nu beschikbaar gestelde stukken zijn ten aanzien van de eventueel te verlengen maatregelen vooralsnog geen duidelijke en meetbare indicatoren aangegeven. Ook bij de maatregelen die nu acuut zijn genomen, zoals het sluiten van de horeca om 00.00 uur 's nachts vanwege het oplopende aantal positieve testen, is onduidelijk wat de concrete indicatoren zijn. Eerder stelde de minister dat het aantal ziekenhuisopnames leidend zou zijn, maar dat aantal daalt juist op dit moment, of is in ieder geval stabiel. Ook geven de recente OMT-adviezen aan dat er op korte termijn geen toename van het aantal ziekenhuisopnames te verwachten is. Kan de minister aangeven hoe hij omgaat met indicatoren bij de maatregelen en op welke wijze hij op dit moment uitvoering geeft aan de aangenomen motie-Van Hattem? Graag een reactie.

De voorgenomen verlenging van de Twm, als juridische grondslag voor de maatregelen, roept ook de vraag op waarom de minister tegelijkertijd het wetgevingstraject voor de wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met het coronavirus doorzet. Dit wetsvoorstel legt de status van infectieziekte-A voor COVID-19 in de wet vast en biedt daarmee ook een juridische grondslag voor verstrekkende maatregelen. De minister lijkt nu voor een juridisch tweesporenbeleid te kiezen door tegelijkertijd de Twm te verlengen. Kan de minister aangeven waarom het wetsvoorstel dan niet wordt ingetrokken, nu de Twm als juridische grondslag wordt voorzien? Graag een reactie.

Voorzitter. Dan nog een punt over vaccinaties. Het uitgangspunt is duidelijk: vrijwillig vaccineren, waarbij ook geen sprake kan zijn van indirecte dwang. De indirecte dwang komt echter steeds nadrukkelijker naar voren. Minister De Jonge stelde al: het is óf vaccineren óf ziek worden. Met de gedwongen testmaatregelen lijkt ook steeds meer indirecte dwang tot vaccineren te ontstaan. Zo schreef het Algemeen Dagblad op 5 juli jongstleden: "Iedere week een test of toch maar prik? Kroegpubliek voelt zich voor het blok gezet." In het artikel wordt geschetst hoe de testverplichting knaagt en dat velen het niet zien zitten om iedere week een wattenstaafje in de neus te moeten krijgen om op stap te mogen: "Het is en blijft een eigen keuze, zo benadrukt het kabinet steevast in de discussie of vaccineren al dan niet verplicht moet worden. Maar is dat wel zo als iedereen die de prik niet wil, zich keer op keer moet laten testen om mee te doen met het gewone leven?" Sommige horecaondernemers pleiten er nu zelfs al voor om de jeugd maar verplicht te vaccineren. Kan de minister aangeven hoe de uitwerking van het steeds verplicht testen en de uitrol van de testsamenleving met testen voor toegang zich verhoudt tot de harde afspraak dat van indirecte dwang tot vaccineren geen sprake mag zijn? Graag een reactie.

Voorzitter. In het debat van 25 mei jongstleden gaf minister De Jonge desgevraagd aan dat de doorgifte van vaccinatiegegevens en eenieders privacy rond de corona-apps goed geregeld waren en dat dit geen problemen oplevert voor de benodigde verlengde toestemming bij het elektronisch patiëntendossier. Op pagina 29 van de stand-van-zakenbrief stelt de minister echter dat er wel degelijk problemen zijn met het opvragen van vaccinatiegegevens via CoronaCheck, omdat uitwisseling via het Landelijk Schakelpunt, het LSP, niet mogelijk is gebleken. Kan de minister aangeven hoe deze constatering zich verhoudt tot zijn reactie in het debat van 25 mei jongstleden?

Voorzitter, tot slot. De PVV-fractie wil zo snel mogelijk af van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19, die disproportioneel onze grondrechten en vrijheden aantast en die dus zeker niet verlengd moet worden. Het voorliggende wetsvoorstel voor de verlengingsprocedures maakt het in ieder geval voor zowel de Tweede als de Eerste Kamer mogelijk om deze spoedwet in één klap af te schaffen. Omdat het belangrijk is die stap te kunnen zetten, zullen we dit wetsvoorstel steunen.

Voorzitter, tot zover in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. De heer Van der Voort namens D66.

De heer Van der Voort (D66):

Ik zit nog even na te denken over wat meneer Van Hattem zei over de indicatoren. Als ik hem goed begrepen heb, is zijn wens om indicatoren te hebben op grond waarvan maatregelen al dan niet ingesteld worden. Klopt dat?

De heer Van Hattem (PVV):

Dat klopt, ja. Dat is de strekking van de motie die eerder is aangenomen.

De heer Van der Voort (D66):

Dan ben ik toch een beetje in verwarring, want in de motie die door D66 is ingebracht, samen met GroenLinks, vragen we om een ondergrens, de aan-uitknop zoals de minister zegt. Is dat dan hetzelfde als de indicatoren waar u om vraagt en, als dat zo is, hoe kan het dan dat u die motie niet gesteund heeft?

De heer Van Hattem (PVV):

Dat debat is door mijn collega Van Strien gedaan. Hij heeft duidelijk uitgelegd dat de motie methodologisch niet in de haak was. Dat ten eerste. Ten tweede ging die motie over het testbeleid en mijn motie ging over álle maatregelen, zowel op centraal als decentraal niveau, en het daaraan ten grondslag leggen van indicatoren. Dat vind ik van een totaal andere orde en strekking dan de motie die door de heer Van der Voort is ingediend.

De heer Van der Voort (D66):

Ik zou denken dat het testbeleid een van de maatregelen is en dat daar een ondergrens als indicator opgevat zou kunnen worden. Ik begrijp dat we het in beginsel daarover eens zijn, hoewel u de motie toch niet gesteund heeft. Dank u wel.

De heer Van Hattem (PVV):

Zoals ik zei: het is van een andere orde, maar bij alle maatregelen gaat het erom daaraan een indicator ten grondslag te leggen. Dat voor alle duidelijkheid.

Tot zover, voorzitter, in deze termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Janssen namens de fractie van de SP.