Plenair Huizinga-Heringa bij behandeling Stikstofreductie en natuurverbetering



Verslag van de vergadering van 2 maart 2021 (2020/2021 nr. 27)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 12.01 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. We zullen zeker op tijd klaar zijn, want ik heb maar een korte bijdrage. Ik wil beginnen met de heer Berkhout van harte te feliciteren met zijn maidenspeech. Gezien de manier waarop hij die speech heeft gehouden, denk ik dat we nog veel van hem zullen horen de komende tijd, en daar kijk ik naar uit.

Mijn fractie is blij met het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken. Ik kan het ook anders zeggen: wij waarderen het dat er vandaag een wetsvoorstel ligt dat ons land een uitweg lijkt te bieden uit de stikstofimpasse waarin wij sinds enkele jaren terecht zijn gekomen. Met dit voorstel kan de noodzakelijke woningbouw verder op gang komen, wordt de onzekerheid bij sommige boeren over het al of niet illegaal zijn van hun activiteiten weggenomen, en zetten we een belangrijke stap in het zo noodzakelijke herstel en in stand houden van onze kwetsbare natuur.

De opsomming van de verschillende effecten die deze wet beoogt, laat zien dat het een compromiswet is. In deze wet wordt met veel verschillende, soms tegenstrijdige belangen rekening gehouden. Dat heeft geleid tot een behoorlijk ingewikkelde wet. Maar het uitgangspunt en uiteindelijke doel van de wet is het herstel en het in stand houden van de stikstofgevoelige natuurgebieden. Daarop sluit het kabinet geen compromis en daar is mijn fractie blij mee.

In de Tweede Kamer is het wetsvoorstel uitgebreid besproken. Een aantal amendementen en moties hebben de wet belangrijk verbeterd wat mijn fractie betreft. Ik denk daarbij aan het legalisatieprogramma en de provinciale gebiedsplannen. Ook de extra omgevingswaarde die al in 2025 bereikt moet zijn, vindt mijn fractie een goede zaak. Zo staat de aanpak direct op scherp en kunnen we zien of de maatregelen inderdaad tot de vastgelegde omgevingswaardes leiden. Het is de aanname van de minister dat deze omgevingswaarde gehaald kan worden. Mijn fractie vraagt zich af wat er gebeurt, mocht die omgevingswaarde in bijvoorbeeld 2025 toch niet gehaald worden. Wie stelt dat vast? Welke juridische gevolgen zou dat kunnen hebben?

Mijn waardering en positieve begin laten onverlet dat mijn fractie nog wel een aantal vragen heeft over dit wetsvoorstel. Die vragen betreffen in de eerste plaats de uitvoerbaarheid. De vastgelegde omgevingswaardes: 40%, 50% en 74% in 2035, zijn een resultaatsverplichting voor de rijksoverheid, voor de minister. Het is de verantwoordelijkheid van de minister dat deze waardes worden bereikt. Naast waterschappen en gemeentes zijn het vooral de provincies die vanuit hun eigen bevoegdheid aan de slag moeten om te zorgen dat deze waardes worden gehaald. De resultaatsverplichting van het Rijk kan in deze situatie gaan schuren. Heeft de minister overwogen om de resultaatsverplichting daarom bij de provincie neer te leggen? En waarom heeft de minister daar niet toe besloten?

Voorzitter. Ik stel nogmaals een vraag aan de orde die ik ook in de schriftelijke ronde heb gesteld. In de memorie van toelichting lees ik dat er een uitvoeringsplicht is voor bestuursorganen die hebben ingestemd met de door hen uit te voeren maatregelen. Op mijn vraag wat er gebeurt wanneer een bestuursorgaan niet instemt en er dus geen uitvoeringsplicht is, noemt de minister een aantal dingen als "instrumenten vanuit interbestuurlijk toezicht" of een "uitvoeringsplicht die volgt uit door het Rijk in te stellen instructieregels". De minister verwacht niet dat hier problemen zullen ontstaan, omdat Rijk en provincies zich ten volle verantwoordelijk voelen voor de stikstofaanpak. Dit laatste ben ik met de minister eens, en het is ook zeker niet mijn bedoeling om de bereidheid ter discussie te stellen van andere bestuursorganen om zich in te zetten voor de stikstofaanpak. Maar er kan natuurlijk verschil van inzicht bestaan wat betreft de urgentie of de wenselijkheid van bepaalde maatregelen. De minister eindigt haar beantwoording met de zin: "Indien bovenstaande instrumenten niet voldoende blijken of niet wenselijk worden geacht, zal het kabinet alternatieve maatregelen moeten opstellen, daar de resultaatsverplichting zich richt tot de rijksoverheid". Zou de minister erop in kunnen gaan wat deze alternatieve maatregelen in zouden kunnen houden? En ik ben er vooral ook benieuwd naar omdat ik aanneem dat deze maatregelen ook in het vizier komen wanneer onverhoopt uit de monitoring zou blijken dat de omgevingswaardes niet gehaald gaan worden.

Voorzitter, nog een andere vraag. Mijn fractie heeft met nieuwsgierigheid gekeken naar het percentage van de resultaatsverplichtingen voor 2035. 74% van het areaal moet dan onder de KDW liggen. Gewoon even de vraag: waarom 74%, waarom niet gewoon 75%?

En dan: door amendering zijn provinciale gebiedsplannen in de wet opgenomen. Mijn fractie lijkt dat een goede zaak; op deze manier is provinciaal maatwerk mogelijk. Zou de minister nog eens helder willen maken hoe deze gebiedsplannen zich verhouden tot de maatregelen waar de provincies aan gehouden zijn omdat ze ermee ingestemd hebben? En de minister schrijft dat het IPO de regie zal nemen bij het opstellen van deze gebiedsplannen. Worden deze plannen ook ter consultatie of beoordeling aan de minister voorgelegd?

De juridische houdbaarheid van de partiële drempelwaarde voor de bouw is al herhaalde malen aan de orde geweest. Toch zou ik graag van de minister, en dan misschien ten overvloede, nog eens willen horen waarom zij ervan overtuigd is dat deze drempelwaarde juridisch houdbaar is.

Mijn fractie neemt met instemming kennis van de nadruk die de minister legt op het monitoren van de genomen maatregelen. Het is daarmee in lijn dat de aangekondigde tussendoelen geen resultaats- maar inspanningsverplichtingen zijn. Wanneer er tussendoelen niet gehaald worden, kan op tijd met extra maatregelen worden bijgestuurd. De tussendoelen zijn er ten dienste van de omgevingswaardes. Om aan deze waardes te kunnen voldoen, is een goede monitoring onmisbaar, en zelfs cruciaal. Is het meetinstrumentarium zodanig op orde dat de monitoring op een betrouwbare wijze kan plaatsvinden? En ik zou daar nog een heleboel vragen achteraan kunnen stellen, maar ik sluit me kortheidshalve aan bij de vragen die mevrouw Prins hier ook over gesteld heeft.

De heer Schalk i (SGP):

Even een verhelderingsvraag: op welke tussendoelen doelt mevrouw Huizinga?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Ik doel op wat eerst bekeken wordt om te kijken of je op weg bent naar de omgevingswaardes. Er wordt op een gegeven moment — ik dacht twee jaar van tevoren — gekeken van: hoe staan we er nu voor, liggen we goed op koers? Dat bedoel ik met de tussendoelen.

De heer Schalk (SGP):

Ja, oké. Dus u doelt niet op 2025, die 40%?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Nee, daarvóór.

De heer Schalk (SGP):

Dat is een helder antwoord, dank u wel.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Gelukkig.

Ik begon mijn bijdrage met de opmerking dat deze wet een compromiswet is, een poging om op het oog tegenstrijdige belangen met elkaar te verzoenen. Het is de overtuiging van mijn fractie dat natuur en bedrijvigheid elkaar niet in de weg hoeven te zitten. Met goede innovatieve maatregelen en voldoende investeringen moet het mogelijk zijn om onze kwetsbare natuur te herstellen en in stand te houden, en tegelijk Nederlandse boeren in staat te stellen hun bedrijf door te zetten. Mijn fractie vraagt de minister om de Nederlandse boeren de ruimte te geven om zelf met oplossingen te komen. Het landbouwakkoord kan daarbij een rol spelen en ook bijvoorbeeld de verkenning naar de afrekenbare stoffenbalans. Nederlandse boeren zijn ondernemend en staan internationaal in hoog aanzien. Zij zijn in staat om in te spelen op nieuwe methodes, zo is de overtuiging van mijn fractie. Mijn fractie hoopt dat deze wet een bijdrage zal leveren aan een gezonde natuur en een gezonde bedrijvigheid. Ik zie uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Huizinga-Heringa. Voor de mensen die meeluisteren: u sprak uiteraard namens de ChristenUnie.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze tot 13.30 uur.