Plenair Geerdink bij voortzetting behandeling Pakket Belastingplan 2020



Verslag van de vergadering van 10 december 2019 (2019/2020 nr. 12)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 17.00 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Geerdink (VVD):

Voorzitter. De fractie van de VVD dankt de regering bij monde van de staatssecretaris voor de beantwoording van de plenaire inbreng in de eerste termijn over de acht wetsvoorstellen; dat is een grote hoeveelheid tegelijkertijd. Vele vragen zijn beantwoord, waaronder de vragen over de implementatie van de ATAD 2-richtlijn in het wetsvoorstel ATAD 2, waar ik toch nog even bij stil wil staan. Het is een zeer fiscaaltechnisch wetsvoorstel. Zowel de VVD-fractie als de CDA-fractie hebben in de schriftelijke voorbereiding op deze plenaire behandeling getracht om tot de kern van het wetsvoorstel door te dringen door middel van vragen, casusposities, doorvragen en nog meer casusposities. Vooropstaat dat misbruik moet worden bestreden en dat fraude en belastingontwijking niet mogelijk moeten zijn. Maar als in het implementatieproces telkens de keuze wordt gemaakt voor de zwaarste implementatievariant, dan komt daar een antifraudemonster uit voort met een grote kop erop, een in Europa geboren Nederlands monster, dat ook wanneer er geen sprake is van belastingontwijking, ook als er geen sprake is van een fiscaal voordeel en zelfs als er sprake is van dubbele belastingheffing zonder adequate rechtsbescherming, met verregaande documentatieverplichtingen, een veel grotere groep ondernemers raakt dan de oorspronkelijke richtlijn beoogt. Dan kunt u zich voorstellen dat wij daar toch nog even bij stilstaan.

Wij weten nog niet hoe de andere landen om ons heen de richtlijn implementeren. Dan is voor de VVD — en ik spreek ook namens het CDA — de grens overschreden tussen het doel van de richtlijn en de maatregelen in het ATAD 2-wetsvoorstel die disproportionele trekken hebben. Dan is het tijd om duidelijk uit te spreken dat wij geen Europese koppen op Nederlandse wetgeving moeten zetten, want dan schaden wij ons Nederlands vestigingsklimaat, ook de ondernemingen met reële activiteiten. Daarom dien ik een gezamenlijke VVD- en CDA-motie in. Die motie hebben we "kop erop, kop eraf" genoemd, ondanks de geest van de beantwoording van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Door de leden Geerdink, Essers, Jorritsma-Lebbink, Adriaansens, De Bruijn-Wezeman en Meijer wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel ATAD 2 op onderdelen, te weten het gehanteerde gelieerdheidspercentage, de verregaande documentatieverplichting zonder adequate rechtsbescherming en de definitie van "betrekking in de heffing", stringenter is geïmplementeerd dan de bijbehorende Europese richtlijn en ook van toepassing is in gevallen waarbij noch sprake is van belastingontwijking, noch van een fiscaal voordeel;

constaterende dat deze strengere implementatie negatieve gevolgen heeft voor de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven en daarmee voor het Nederlandse vestigingsklimaat;

overwegende dat Nederlandse antimisbruikwetgeving proportioneel moet zijn om niet in strijd te komen met Europees recht;

overwegende dat het in algemene zin ongewenst is om Europese richtlijnen met een "Nederlandse kop erop" te implementeren;

verzoekt de regering om de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking aan te passen en in 2020 aan te bieden, zodat de kop er weer af gaat en te voorzien in een evaluatie van de maatregelen twee jaar na inwerkingtreding met als doel te beoordelen of Nederland deze maatregelen strenger dan andere EU-lidstaten heeft geïmplementeerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter F (35241).

De heer Vendrik.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Kan mevrouw Geerdink ons vertellen wat dit betekent voor het wetsvoorstel dat hier volgende week ter stemming voor zal liggen?

Mevrouw Geerdink (VVD):

Dank voor de vraag. Dit betekent dat wij wel zullen instemmen met het wetsvoorstel — ik ga mijn fractie althans adviseren om ermee in te stemmen — maar dat wij de staatssecretaris verzoeken om er toch nog een keer heel goed naar te kijken. U weet net als ik dat wij heel kort de tijd hebben gehad om hierover na te denken, omdat dit wetsvoorstel met zeer gezwinde spoed is ingediend. Wij vragen de staatssecretaris om daarbij ook rekening te houden met alles wat er in de landen om ons heel gebeurt. Zoals u weet, heeft Duitsland het nog niet geïmplementeerd, en zo zijn er ook andere landen. Er zullen dus verschillende wijzen van implementatie komen. Wij hopen en verwachten dat de motie zal brengen dat wij volgend jaar een iets ander voorstel zullen krijgen. Dan kunnen we meteen ook rekening houden met de effecten die zijn opgetreden. Wij weten het niet, maar wij horen dat deze wetgeving te stringent is, zelfs Europeesrechtelijk gezien, en waarschijnlijk aangevochten zal worden. Zo zijn er een aantal van dat soort zaken. We steunen dit, want we moeten in Europees verband een richtlijn implementeren, maar we zitten er wel mee dat er koppen op worden gezet. Dat geldt overigens niet alleen voor deze wetgeving; dat geldt in algemene zin voor wetgeving die vanuit Europa komt. Laten we het nou niet nog stringenter gaan inrichten dan de basis van de richtlijn.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Mevrouw Geerdink zegt: wij horen stemmen dát. Vandaag hebben we de stem van het kabinet gehoord.

Mevrouw Geerdink (VVD):

Ja.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Waarom zijn die anonieme stemmen voor de VVD-fractie belangrijker dan de stem van het kabinet?

Mevrouw Geerdink (VVD):

De stem van het kabinet is even belangrijk als de stemmen die wij vanuit de praktijk horen. Daar is geen verschil tussen. Wij gaan ook instemmen met het voorstel. Het enige is dat de regering, bij monde van de staatssecretaris, wel gevraagd wordt om daar nog een keer goed naar te kijken en ons met een iets ander wetsvoorstel te verrassen.

De heer Crone (PvdA):

Ik ben een beetje verrast door deze motie, want dit is in eerste termijn niet zo gezegd. In tweede termijn is deze motie door twee partijen ingediend. Er is niet met anderen gesproken, heb ik zo het idee. Zit daar iets achter? Dan de inhoud. De staatssecretaris heeft gezegd: we moeten als Nederland onze positie herstellen door juist af en toe te laten zien dat we een beetje vooroplopen. En nu gaat u dat categorisch afwijzen. We kijken toch per implementatie, per wetsontwerp? Soms is het: nou, dit gaat iets te ver; doe dan maar gewoon het gemiddelde. Maar hier gaan we iets verder. Waarom doet u dit zo categorisch?

Mevrouw Geerdink (VVD):

Dit is categorisch in die zin dat we in z'n algemeenheid inderdaad goed moeten kijken naar Europese richtlijnen. Deze hebben we beoordeeld. Deze is voorgelegd en geïmplementeerd. Aan alle vragen die er gesteld zijn, heeft u kunnen zien dat wij daarover zeer grote twijfel hebben in die zin dat dit echt stringenter is geïmplementeerd dan hetgeen er vanuit Europa is neergelegd. Daar maken wij nu bezwaar tegen, maar dat geldt net zo goed voor allerlei andere wetsvoorstellen die de komende jaren voorgedragen zullen gaan worden.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Hierop aansluitend, even voor de goede orde. Mevrouw Geerdink zegt: dat geldt net zo goed voor alle andere wetsvoorstellen over richtlijnen die nog uit Europa gaan komen. Begrijp ik nou goed dat de VVD-fractie en de CDA-fractie in dit huis het niet alleen hebben over richtlijnen vanuit Europa op dit terrein die in Nederland als wetten geïmplementeerd worden? Geldt dit voor hen überhaupt? Zeggen de fracties van VVD en CDA dus ook als het gaat om milieuwetgeving dat daar geen kop op mag? Als wij in Nederland vinden dat we voorop moeten lopen of dat het strenger zou moeten dan in Brussel is afgesproken, zeggen VVD en CDA in dit huis dus: kop eraf.

Mevrouw Geerdink (VVD):

Dat is weer een interessante vraag, want ik kan natuurlijk niet zien wat voor wetgeving er nog gaat komen. Maar in beginsel zullen wij op die manier naar wetsvoorstellen kijken die vanuit Europa worden geïmplementeerd.

De voorzitter:

De heer Van Apeldoorn nogmaals.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik constateer dan in ieder geval dat het beleid dat voorgestaan wordt door de VVD en het CDA in dit huis is: Nederland zal niet vooroplopen als het gaat om belastingontwijking, milieu et cetera. Wij gaan dus niet vooroplopen, maar wij gaan netjes voor het gemiddelde van Europa en dat is goed genoeg.

Mevrouw Geerdink (VVD):

Ja, in dit geval wel.

Mevrouw Van Huffelen (D66):

Ik ben ook benieuwd om te horen welke kop er dan precies af moet. Dit is namelijk een hele algemene term. Ik ben ook verbaasd over deze motie. Welke kop vindt u nou dat er precies af moet? Welk onderdeel van dit voorstel, waar u overigens zelf voor gaat stemmen, gaan we er dan af halen?

Mevrouw Geerdink (VVD):

Dat heeft betrekking op de gelieerdheidspercentages die gehanteerd zijn. Die zijn ruimer ingezet dan wat nodig was. Ik zeg dit nu even uit mijn hoofd, want ik heb de motie zojuist natuurlijk afgegeven en daar staan die zaken in. Het geldt bijvoorbeeld ook voor de documentatieverplichting, die stringenter is. Het geldt voor de dubbele heffing die ontstaat. Het geldt voor het feit dat er geen adequate rechtsbescherming is. Er is gewoon geen tegenbewijsregeling opgenomen. Dat soort zaken maakt dat wij vinden dat dit stringenter is geïmplementeerd dan de richtlijn.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. Of was u gereed?

Mevrouw Geerdink (VVD):

Nee, ik was nog niet helemaal klaar, hoewel ik wel een korte tweede termijn beoogde, want langer hoeft niet.

Ik heb nog een hele expliciete vraag, die vandaag opkwam, vandaar dat ik hem nu stel. Die vraag gaat over de bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag, die wij vorige week ontvingen. Dat is een bijlage bij het wetsvoorstel Bronbelasting 2021. Ik zeg met nadruk 2021, omdat dat de kern van de zaak is. Deze bijlage betreft een uitvoeringsbesluit behorende bij dit wetsvoorstel Bronbelasting 2021. Daar stond geen invoeringsdatum in, maar dat blijkt 1 januari 2020 te zijn, zo hoorde ik vandaag. Dat is dus echt heel vroeg, en dat loopt vooruit op de ingangsdatum van het wetsvoorstel zelf. Dat lijkt niet te passen bij het principe van een betrouwbare overheid, waarover wij het ook in eerste termijn hebben gehad. Ik vraag de staatssecretaris om toe te zeggen dat dit uitvoeringsbesluit tegelijkertijd met de Wet bronbelasting 2021 op 1 januari 2021 kan ingaan. Wil de staatssecretaris dat toezeggen?

Tot zover mijn tweede termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Geerdink. Dan is het woord aan de heer Schalk.