Plenair Vlietstra bij behandeling Verruiming sluitingsbevoegdheid ingevolge de Opiumwet



Verslag van de vergadering van 4 december 2018 (2018/2019 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.37 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Om te beginnen wil ik mevrouw Andriessen van harte gelukwensen met haar mooie maidenspeech. Ik hoop dat er nog vele mooie speeches mogen volgen.

Voorzitter. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel schrijft de regering dat handel, productie, teelt en andere illegale activiteiten rondom harddrugs en softdrugs een ondermijnend en potentieel ontwrichtend effect hebben op de samenleving door de verwevenheid van onder- en bovenwereld, corruptie en de innesteling in lokale gemeenschappen en maatschappelijke sectoren. Mijn fractie deelt die analyse van de regering van harte en ziet in de praktijk de groeiende omvang van deze sector en daarmee de nadelige gevolgen voor volksgezondheid en leefbaarheid, zowel in de steden als op het platteland. Bij de aanpak van drugscriminaliteit is in een reeks van jaren een steeds grotere rol weggelegd voor de bestuursrechtelijke aanpak. Door samenwerking tussen gemeenten, politie, Belastingdienst, Openbaar Ministerie, maar ook vastgoedeigenaren en woningbouwcorporaties enerzijds en een uitbreiding van het bestuursrechtelijk instrumentarium anderzijds worden burgemeesters in staat gesteld op te treden in woningen en panden waar drugs aanwezig zijn, worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Mijn fractie is warm voorstander van deze geïntegreerde aanpak. Sterker, wij denken dat dit de enige aanpak is die tot resultaat leidt, naast uiteraard de strafrechtelijke aanpak van personen die zich schuldig maken aan druggerelateerde misdrijven.

Voorzitter. Uit eigen ervaring weet ik hoe frustrerend het is als je als burgemeester weet dat in een pand druggerelateerde activiteiten plaatsvinden die leiden tot overlast in een buurt en je er niets aan kunt doen, omdat er van alles wordt aangetroffen, behalve drugs. Het voorliggende wetsvoorstel breidt het instrumentarium voor de burgemeester uit en maakt sluiting van ene pand ook mogelijk als voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duidelijk zijn bestemd voor het telen of bereiden van drugs. Tot zover kan het wetsvoorstel daarom rekenen op onze instemming.

Maar mijn fractie heeft ook zorgen en die deel ik graag met de minister. Onze zorgen betreffen de proportionaliteit van het wetsvoorstel. De sluiting van een woning of pand is een aangrijpende aangelegenheid, zowel voor de bewoner als voor de verhuurder of eigenaar. Dat mag dus niet lichtvaardig gebeuren en vereist een zeer zorgvuldige afweging van belangen op basis van een zeer zorgvuldig onderzoek door de politie en een goed gemotiveerd besluit van de burgemeester. In dat verband heeft mijn fractie enkele vragen aan de minister. Als een woning wordt gesloten, staat de bewoner op straat. Als het een huurder betreft, komt deze op een zwarte lijst waardoor hij of zij niet opnieuw een woning kan huren. Dat is niet niks. Op schriftelijke vragen van mijn fractie over situaties waarin een huurder wordt gedwongen mee te werken aan drugscriminaliteit, heeft de regering geantwoord dat dit soort situaties haar bekend is, maar dat zij geen voorbeelden kent van sluiting in dergelijke gevallen. Tegelijkertijd geeft de regering op een andere vraag van mijn fractie aan niet te beschikken over informatie over het aantal panden of woningen dat is gesloten op basis van artikel 13 Opiumwet.

Wij waren verrast door deze antwoorden. Wij hadden zonder meer verwacht dat deze gegevens bekend zouden zijn. In de Tweede Kamer is intussen een motie aangenomen om te bereiken dat in de komende drie jaar wel informatie wordt verzameld over het aantal woningen dat wordt gesloten op grond van het uitgebreide artikel 13b. Deze motie is in onze ogen wat erg algemeen geformuleerd. Wij hebben behoefte aan enige inkleuring. Kan de minister toezeggen dat in de komende drie jaar niet alleen informatie wordt verzameld over het aantal gesloten woningen en panden, maar ook in welke gemeenten sluiting heeft plaatsgevonden, welke bestuurlijke maatregelen aan sluiting zijn voorafgegaan, welke afwegingen van belangen door de burgemeester zijn gemaakt, hoe vaak sprake was van medewerking onder dwang, waar huurders zijn gebleven na sluiting van hun woning en of de sluiting heeft geleid tot het opheffen van de ongewenste situatie? Mijn fractie hecht eraan zo goed mogelijk inzicht in al deze punten te krijgen om zich, zij het achteraf, een beeld te kunnen vormen van de proportionaliteit van het wetsvoorstel. Graag ontvangen wij van de minister op dit punt een toezegging.

Voorzitter. Zoals gezegd: sluiting van een woning of pand heeft vergaande gevolgen voor de bewoner, maar ook voor de verhuurder. De regering stelt dan ook terecht dat sluiting van een woning of pand gezien moet worden als een ultimum remedium. Mijn fractie deelt die opvatting nadrukkelijk. Pas nadat andere maatregelen zijn toegepast, komt sluiting in beeld. Daarbij denken wij niet alleen aan bestuurlijke maatregelen, maar ook aan overleg en afspraken tussen de burgemeester en de verhuurder van een pand of woning. Vastgoedmanagement Nederland — de heer Dercksen refereerde daar ook aan — stuurde ons kortgeleden een brief waarin ze aangeven graag mee te werken aan het voorkomen van drugsoverlast door bijvoorbeeld een gedegen screening van huurders en een zo veel mogelijk uniforme uitvoering van de wet door burgemeesters. Hoe beoordeelt de minister deze suggesties? Ziet hij nog andere mogelijkheden in dit verband?

Voorzitter. Bij het toewijzen van huurwoningen hebben corporaties een vrije toewijzingsruimte van 10% voor onder meer huishoudens met problemen rond gezondheid, veiligheid, sociale factoren, overmacht of calamiteiten. Biedt dit in de ogen van de minister ruimte om huurders die op de eerdergenoemde zwarte lijst zijn beland nieuwe huisvesting aan te bieden?

De in de Tweede Kamer aangenomen motie-Buitenweg/Van Nispen ziet ook op de uitspraken van de rechter over sluitingsbevelen van de burgemeester. Uit onderzoek naar het gebruik van het huidige artikel 13b is gebleken dat in zo'n 30% van de gevallen de rechter heeft geoordeeld dat de sluiting onrechtmatig was. Dat is een hoog percentage. Een op de drie sluitingen houdt geen stand bij de rechter. Hoewel we het niet zeker weten, neemt mijn fractie aan dat dit te maken heeft met de mate van zorgvuldigheid in de afweging van alle belangen door de burgemeester en daaraan voorafgaand de vaststelling van de feitelijke omstandigheden door de politie. Deelt de minister deze opvatting?

Om te voorkomen dat het percentage uitspraken waarin het beroep tegen sluiting gegrond wordt verklaard over drie jaar nog steeds zo hoog is, hoort mijn fractie graag van de minister op welke wijze hij denkt dit terug te kunnen dringen. Uiteraard is het de verantwoordelijkheid van de burgemeester om een besluit te nemen, maar mijn fractie gaat ervan uit dat ook de minister een verantwoordelijkheid voelt voor een zo zorgvuldig mogelijke uitvoering van de wet. Is de minister daartoe bereid, en zo ja, hoe gaat hij dat aanpakken?

Ten slotte is van groot belang dat een burgemeester zich bij zijn besluit kan baseren op deugdelijke bestuurlijke rapportages van de politie. Hoe beoordeelt de minister als eindverantwoordelijke voor de politie die kwaliteit? Voldoet die aan de eisen die eraan gesteld moeten worden?

Voorzitter. Ik rond af. In het begin van mijn inbreng heb ik het belang benadrukt van een geïntegreerde aanpak van drugscriminaliteit. Het voorliggende wetsvoorstel is in dat verband een nieuw instrument dat ter beschikking komt en ongetwijfeld zullen er meerdere volgen. Mijn fractie ziet ook het legaliseren van softdrugs als zo'n instrument en roept de minister op voortgang te maken met een proef om de teelt van wiet te legaliseren. Wij worden een beetje ongeduldig. In het regeerakkoord lezen we dat het kabinet zo mogelijk binnen zes maanden met wetgeving komt. Intussen zijn we ruim een jaar verder. Kan de minister aangeven wanneer de experimenten concreet van start zullen gaan? De minister schudt al "nee". Hij mag er nog even over nadenken. De beantwoording volgt later.

Voorzitter. Mijn fractie wacht de antwoorden van de minister met veel belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vlietstra. Ik geef het woord aan mevrouw Strik.