Plenair Vlietstra bij behandeling Wet zorgplicht kinderarbeid



Verslag van de vergadering van 19 december 2017 (2017/2018 nr. 13)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 12.16 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Ik voer mede het woord namens de Onafhankelijke Senaatsfractie.

Allereerst willen beide fracties de indienster van het wetsvoorstel, mevrouw Kuiken, en zeker haar voorganger, de heer Van Laar, van harte complimenteren met hun initiatiefwetsvoorstel en het vele werk dat is verzet bij de totstandkoming ervan.

Kinderarbeid is een ernstige misstand en een groot maatschappelijk probleem. Nog niet zo lang geleden konden we in een van de landelijke dagbladen lezen hoe een Nederlands bedrijf consumenten misleidt bij de aankoop van "fairtradehazelnootpasta". Fairtrade, niks mis mee, zou je zeggen. Helaas blijken fairtradehazelnoten niet te bestaan. Verreweg de meeste hazelnoten komen uit Turkije en bij de pluk daarvan wordt gebruik gemaakt van kinderen. Koerden uit het oosten en vluchtelingen uit Syrië trekken met tentjes van oogst naar oogst om onder erbarmelijke omstandigheden noten te plukken. Ongetwijfeld niet bekend bij consumenten; zij denken een product te kopen dat met eerlijke handel is geproduceerd.

Ik begin mijn betoog met dit voorbeeld, voorzitter, omdat het de kern van het voorliggend initiatiefwetsvoorstel raakt: het beschermen van de consument tegen het verwerven van goederen en diensten die met kinderarbeid tot stand zijn gekomen en daarmee bijdragen aan het terugdringen van kinderarbeid.

Voorzitter. Ondanks dat er in de afgelopen jaren stappen zijn gezet, is kinderarbeid nog steeds een immens probleem. Recente cijfers van de ILO laten zien dat wereldwijd 152 miljoen kinderen, vaak onder erbarmelijke omstandigheden, arbeid verrichten en dus niet naar school gaan. Een schokkend cijfer. Veel van wat door kinderen wordt geproduceerd, komt terecht in internationale ketens. In veel van de producten die wij hier kopen, zit dus kinderarbeid. In onze kleding, onze telefoons, maar ook in landbouwproducten, zoals de eerder genoemde hazelnootpasta.

Voorzitter. Kinderen horen niet te werken. Kinderen horen naar school te gaan en zich te richten op hun ontwikkeling en hun toekomst, en daarmee op de ontwikkeling en de toekomst van de regio en het land waarin zij wonen. Kennis is vooruitgang. De kinderen van basisschool Het Volle Leven in Den Haag en de Raad van Kinderen van Unicef hebben dat vorige week nog eens helder onder onze aandacht gebracht met het aanbieden van de petitie, waarin zij zich uitspreken vóór de Wet zorgplicht kinderarbeid. "Overal ter wereld hoort een kind naar school te gaan. Een kind moet gewoon kind kunnen zijn, een thuis hebben en kunnen spelen met andere kinderen.", zo luidde een van hun statements. Voor onze kinderen zo vanzelfsprekend, voor miljoenen kinderen elders op de wereld niet.

Voorzitter. Alles wat redelijkerwijs kan bijdragen aan het uitbannen van kinderarbeid dient daarom in de ogen van onze beide fracties gedaan te worden. Niet alleen door overheden en maatschappelijke organisaties, óók door het bedrijfsleven. Vanuit dat uitgangspunt beoordelen wij het voorliggend initiatiefwetsvoorstel.

Voorzitter. De indienster van het wetsvoorstel heeft in de memorie van toelichting aangegeven dat 96% van de Nederlandse consumenten het niet acceptabel vindt dat producten een lage prijs hebben omdat ze zijn gemaakt door kinderen. In het wetsvoorstel worden beide zaken — de bescherming van consumenten en het terugdringen van kinderarbeid — bij elkaar gebracht. De indienster wil daarmee een bijdrage leveren aan het terugdringen van met name de ergste vormen van kinderarbeid, door te bereiken dat consumenten ervan uit kunnen gaan dat goederen en diensten die zij kopen op de Nederlandse markt, verkocht worden door ondernemingen, die er binnen hun mogelijkheden redelijkerwijs alles aan doen om te voorkomen dat hun producten en diensten tot stand komen met gebruikmaking van kinderarbeid.

Voorzitter. De vraag die dan beantwoord moet worden, is: is wetgeving nodig? Voegt die iets toe aan wat al wordt gedaan? Hoe verhoudt die zich tot andere initiatieven, waaronder de imvo-convenanten? Wanneer is wetgeving effectief en kan die een bijdrage leveren aan het verder terugdringen van kinderarbeid?

In de op 3 oktober gehouden deskundigenbijeenkomst is door vele sprekers de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel aan de orde gesteld. Een deel van hen was van mening dat er op dit moment voldoende wordt gedaan door bedrijven en dat het verplichtend karakter van de wet daar zelfs afbreuk aan zou kunnen doen. Anderen daarentegen zien het wetsvoorstel als een aansporing voor álle bedrijven om aan de slag te gaan, juist vanwége het verplichtend karakter.

Voorzitter. Zonder voorbij te willen gaan aan een aantal bezwaren die naar voren zijn gebracht door vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven, maar ook door de Raad van State — ik kom daar nog op terug — zijn onze fracties van mening dat het wetsvoorstel een welkome aanvulling kan zijn. We hebben daarvoor een aantal overwegingen.

Sinds 2011 kennen we de OESO-richtlijnen internationaal zaken doen. Daarin wordt duidelijk gemaakt wat de Nederlandse regering verwacht van bedrijven die internationaal zaken doen. De richtlijnen bieden handvatten aan bedrijven hoe om te gaan met kwesties als ketenverantwoordelijkheid, mensenrechten, kinderarbeid, milieu en corruptie, en vormen daarmee het uitgangspunt voor het Nederlandse imvo-beleid. De richtlijnen schrijven voor dat bedrijven wanneer ze in hun waardeketens risico's voor mensenrechten zien, geacht worden hun invloed te gebruiken om de situatie te verbeteren. Ondanks de actieve opstelling van de regering om de bekendheid en toepassing van de richtlijnen te bevorderen, blijkt uit onderzoek dat deze onvoldoende worden nagevolgd. Slechts 30% van de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven committeert zich openlijk aan deze richtlijnen. Veel bedrijven zijn nog onvoldoende bekend met het bestaan van de richtlijnen of plegen er wellicht geen inzet op, omdat het gaat om aanbevelingen. Met betrekking tot de in 1998 door de ILO vastgestelde kernconventies op het terrein van kinderarbeid zien we hetzelfde beeld. Naleving van de conventies laat ernstig te wensen over. Het aantal werkende kinderen laat weliswaar een daling zien, maar die verloopt langzaam en de snelheid van die daling neemt af.

Voorzitter. In 2015 zijn de VN Sustainable Development Goals vastgesteld. Alle leden van de VN hebben zich daarmee onder meer verbonden aan het doel dat in 2025 kinderarbeid wereldwijd is uitgebannen. Een buitengewoon ambitieus doel. Om dat doel te behalen, zullen alle zeilen bijgezet moeten worden. Onze fracties hebben grote twijfels of dat met de huidige maatregelen en inzet zal worden gerealiseerd. Graag horen wij van de minister of zij dit met ons eens is.

Voorzitter. Er zijn bedrijven die voorop lopen en hun verantwoordelijkheid nemen. Een toenemend aantal vooral grotere bedrijven neemt deel in bestaande imvo-convenanten of werkt mee aan het tot stand komen van nieuwe. Bij de behandeling van de begroting 2018 van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in de Tweede Kamer deelde de minister mee dat sinds 2016 vijf convenanten zijn gesloten en dat er vier in de pijplijn zitten. Kan de minister aangeven hoeveel bedrijven daarbij betrokken zijn en of het daarbij gaat om grote bedrijven dan wel mkb-bedrijven of beide? Vijf convenanten lijkt een mooie score, voorzitter, maar de ambitie was om er in 2016 al tien te hebben. Waarom is dit in de ogen van de minister niet gelukt? Is de minister het met de fracties van PvdA en OSF eens dat het initiatiefwetsvoorstel kansen biedt om het aantal imvo's uit te breiden?

Verschillende bedrijven, waaronder Rabobank Nederland, Heineken, Verstegen, Max Havelaar, Aegon Nederland, Wessanen, ASN Bank, Nestlé en Tony's Chocolonely, hebben publiekelijk hun steun uitgesproken voor het wetsvoorstel en de overheid opgeroepen daarbij de norm te stellen dat alle producten en diensten op de Nederlandse markt 100% kinderarbeidvrij moeten zijn. Deze bedrijven pleiten ook voor het creëren van een level playing field en het "in de kopgroep houden" van ons land. Graag horen onze beide fracties van de indienster en van de minister of deze ambitie door hen wordt gedeeld.

Voorzitter. Wij hebben veel waardering voor wat door deze en ook andere bedrijven al wordt gedaan. Zij laten zien dat wat met het wetsvoorstel wordt beoogd, uitvoerbaar is en tot resultaten leidt. Tegelijkertijd is sprake van een grote groep achterblijvers. Dat kan te maken hebben met onbekendheid met de internationale richtlijnen. Het kan ook te maken hebben met het ontbreken van het gevoel van urgentie. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen door deze Kamer, worden deze bedrijven verplicht een tandje bij te zetten en in actie te komen.

Voorzitter. Onze fracties zien dit wetsvoorstel daarom als een mogelijkheid om juist die groep aan te sporen aan de slag te gaan, de samenwerking te zoeken met toeleveranciers, met collega-bedrijven, met maatschappelijke organisaties, zich aan te sluiten bij de imvo-convenanten en te leren van bedrijven die al ervaring hebben met het kinderarbeidvrij maken van hun producten en diensten. We moeten de vrijblijvendheid voorbij. Gezien de resultaten tot nu toe en de ambities die zijn vastgesteld voor 2025 is dat in de ogen van onze fracties noodzakelijk. Deze wet vraagt daarbij niets nieuws, maar sluit aan bij wat al van bedrijven wordt verwacht op basis van de OESO-richtlijnen.

Voorzitter. Door de Raad van State en anderen zijn kritische opmerkingen gemaakt met betrekking tot de effectiviteit, de uitvoerbaarheid en het toezicht op de naleving van de wet. In de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel zijn, ook door onze fracties, veel vragen gesteld over deze punten. Door de indienster en door de regering is aangegeven dat dit wetsvoorstel een "kaderwet" is en dat deze punten nader uitgewerkt worden in een AMvB, die — zo nemen wij aan, maar we horen het graag — zal worden voorgehangen in deze Kamer.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik wil u de vraag stellen of niet nu al volgens de nationale wetgeving, inclusief alle door Nederland ondertekende verdragen waarin voor eenieder verbindende bepalingen staan en die ook gelden voor ondernemingen, het mogelijk is om de bedrijven te dwingen mee te doen aan de convenanten. Daar heb je deze wet volgens mij helemaal niet voor nodig. Wat is uw mening daarover?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Uit mijn betoog zal u duidelijk zijn geworden dat ik die mening niet deel. Ik deel wel uw opvatting dat de richtlijnen, zoals ze geformuleerd zijn en de manier waarop daar uitwerking aan wordt gegeven door de regering, de mogelijkheden bieden aan bedrijven om actief te worden op dit terrein. Maar als ik de resultaten bekijk, denk ik dat er nog een wereld te winnen valt en dat we helaas moeten vaststellen dat veel bedrijven niet in actie komen, ondanks dat zij zich aan die richtlijnen moeten houden. Dat is de reden waarom onze fracties van mening zijn dat het noodzakelijk is om een volgende stap te zetten. Die ligt wel in lijn met de OESO-richtlijnen, maar is wettelijk verankerd.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Zou het niet zo kunnen zijn dat wij al meer dan voldoende wetgeving hebben? We hebben niet alleen de OESO-richtlijnen, maar ook de Europese mensenrechtenverdragen, de VN-verdragen, de rechten van het kind en noem het allemaal maar op. Daardoor zou een minister voor Ontwikkelingssamenwerking bedrijven kunnen aansporen en voorlichting kunnen geven. Daar heb je helemaal geen nieuwe wettelijke grondslag meer voor nodig, is mijn opvatting.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Dat is wat er de afgelopen jaren is gebeurd. De voorgangster van minister Kaag, minister Ploumen, is buitengewoon actief geweest op dat terrein. Zij is zeer stimulerend geweest wat betreft het ontwikkelen van imvo-convenanten. Maar ik stel tot mijn teleurstelling vast dat de resultaten achterblijven. Als ik dat afzet tegen de ambitie om in 2025 — dat is over zeven jaar — kinderarbeid de wereld uit te helpen, dan denk ik dat we meer moeten doen dan alleen richtlijnen en verdragen naleven. Dan is het nodig om een volgende stap te zetten. Wij zien in deze wet mogelijkheden om die stap te zetten.

De voorzitter:

Mevrouw Stienen nu.

Mevrouw Stienen (D66):

Ik ga nog even terug op het punt dat eerder werd gemaakt, voordat collega Vlietstra overging op de convenanten. Als ik naar mevrouw Vlietstra luister, blijf ik toch met het dilemma zitten van de doelstelling van deze wet. In de memorie van toelichting staat: " ... ervoor te zorgen dat consumenten ervan uit kunnen gaan dat de goederen en diensten die zij op de Nederlandse markt kopen, verkocht worden door ondernemingen, die er binnen hun mogelijkheden redelijkerwijs alles aan doen ..." enzovoort enzovoort — we hebben al een paar keer voorgelezen. De wet richt zich dus eigenlijk op consumenten. Ik ga toch weer terug naar de winkelstraat. Dank u wel, mijnheer Lintmeijer, voor de aanwijzing over de feestverlichting. Ik vrees inderdaad dat daar wellicht ook kinderarbeid aan te pas is gekomen. Maar ik vraag me af of het op dit moment niet ontzettend verwarrend is voor die consument. Alle keurmerken! Ik geloof dat er tientallen zijn. Hoe ziet mevrouw Vlietstra dat deze wet de consument meer duidelijkheid kan geven, zodat die, als hij inkopen gaat doen, daadwerkelijk producten gaat kopen die zo veel mogelijk kinderarbeidvrij zijn? Gaat deze wet niet nog meer bijdragen aan de al bestaande verwarring?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Om te beginnen is mijn ervaring en wellicht ook die van mevrouw Stienen dat heel veel consumenten geen flauw idee hebben dat in veel producten die zij kopen op de een of andere manier kinderarbeid zit. Ik heb er de afgelopen weken met heel veel mensen over gesproken en als je dan voorbeelden geeft van producten waar kinderarbeid in is verwerkt, blijkt mij dat veel consumenten — en dat geldt ook voor mijzelf en waarschijnlijk ook voor u — bij heel veel producten geen flauw idee hebben dat dit aan de hand is. Door deze wet worden bedrijven verplicht om serieus na te gaan of bij de producten die zij verkopen of de diensten die zij bieden gebruik is gemaakt van kinderarbeid. Deze wet staat niet op zichzelf. Ik ga daar direct nog een vraag over stellen en meerdere sprekers hebben dat al gedaan. Deze wet past voor mij in een trits van maatregelen, waarvan een deel al werkelijkheid is, die er gezamenlijk aan bijdragen dat én consumenten bewust gemaakt kunnen worden van de ernst van de situatie en het feit dat zij daar onbedoeld aan meewerken, én die past in een beleid om kinderarbeid op langere termijn de wereld uit te helpen. Wij zien deze wet dus als een onderdeel van een veel breder pakket aan maatregelen. Ik ben het meteen met u eens dat hier ook bij hoort dat er aan bewustwording bij consumenten wordt gedaan.

Mevrouw Stienen (D66):

Hierop volgend: de juwelier en de bakker willen graag naar hun consumenten toe laten zien dat zij daarover nadenken. Is het dan niet makkelijker om je aan te sluiten bij een bedrijfssector die bij zo'n convenant aangesloten is, dan mee te gaan doen of een verklaring te moeten gaan halen, waarbij je er bijna van beschuldigd kan worden dat het maar windowdressing is? Ik ben hier even heel gechargeerd. Is het voor bedrijven uit zorgvuldigheid naar hun consumenten toe niet juist fijner en zorgvuldiger om bij zo'n convenant aangesloten te zijn? Dan kun je zeggen: wij doen dat met de hele bedrijfssector en u kunt ervan op aan dat wij gezamenlijk proberen kinderarbeid tegen te gaan in onze keten.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Dat lijkt mij absoluut heel verstandig. Ik denk ook dat het voor bedrijven, zeker voor de voorbeelden die u noemt, lastig is om individueel zo'n onderzoek te doen naar hun eigen producten. Ik zou ze dus achter elkaar adviseren om zich aan te sluiten bij convenanten, als die er al zijn, want die zijn er lang nog niet in alle sectoren. Maar ik zou ze zeker ook aanraden om de samenwerking te zoeken met collega-bedrijven, bracheorganisaties, ngo's et cetera.

De voorzitter:

Tot slot. O nee, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik werd even getriggerd door de interruptie van mevrouw Lokin-Sassen. Zij had het erover dat er al internationale richtlijnen en verdragen zijn. Er zijn dus al instrumenten om kinderarbeid aan te pakken. Maar dit wetsvoorstel suggereert dat het niet genoeg is. Het wetsvoorstel zou erin moeten voorzien dat er due diligence wordt toegepast, enzovoorts. Maar ook is bekend dat het Openbaar Ministerie op dit moment aangeeft dat het te gecompliceerd is om de casussen in het buitenland te onderzoeken. Er is gebrek aan capaciteit. In feite worden het gebrek aan capaciteit en het falen van de overheid dan toch gewoon op het bordje van de ondernemer gelegd? Of zie ik dat nu verkeerd? Het is toch aan het OM om dat in eerste instantie te onderzoeken? Maar zij hebben geen capaciteit en zij vinden het te gecompliceerd.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Door verschillende sprekers zijn vragen gesteld over het toezicht. Ik ga dat ook doen. Dat is precies een van de punten waarover in dit debat meer duidelijkheid moet komen. Ik sluit mij op dat punt dus graag aan bij de vragen die gesteld zijn, maar ik ga ze zo meteen ook nog een keer herhalen.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik vind dat iets te gemakkelijk. Het OM vindt het te complex en heeft geen capaciteit. Het lijkt er dus op dat het in feite over de muur van het bedrijfsleven wordt gegooid. Vindt u niet dat het wordt afgeschoven op het bedrijfsleven?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Dat vind ik niet. Het gaat hier helemaal niet om afschuiven. Het gaat erom dat wij OESO-richtlijnen kennen die verantwoordelijkheden leggen bij overheden en bedrijven. Bedrijven zijn bij uitstek in de positie om in hun keten te kijken. Dat is de ene kant. De andere kant is dat we het hebben over: hoe zorgen we ervoor dat het ook op een zo goed mogelijke manier uitgevoerd kan worden? Daar gaat het debat vandaag over. Het derde punt is dat we ook zullen moeten kijken hoe we bedrijven daarbij kunnen ondersteunen. Ook daarmee is al de nodige ervaring opgedaan binnen de imvo-convenanten. U hebt het waarschijnlijk over de ACM en niet over het Openbaar Ministerie. De ACM was aanvankelijk voorzien als toezichthouder. Als u het goedvindt, voorzitter, zou ik daar direct wat vragen over willen stellen. Die liggen heel erg in het verlengde van wat andere fracties ook hebben gevraagd.

De voorzitter:

U mag zo verder, maar mevrouw Faber heeft nog een korte interruptie op dit punt.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik had het over het OM, want de ACM heeft al aangegeven dat ze de handen niet wil branden aan het zijn van toezichthouder in deze zaak.

De voorzitter:

Gaat u verder, mevrouw Vlietstra.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Ik ga verder.

Door de indienster en door de regering is aangegeven dat dit wetsvoorstel een kaderwet is en dat deze punten, effectiviteit, uitvoerbaarheid en toezicht, nader uitgewerkt worden in een AMvB, die — zo nemen wij aan — zal worden voorgehangen in deze Kamer. Op dat punt ontvangen wij graag een toezegging. Daarmee ontstaat, aldus de regering in haar beantwoording aan deze Kamer, ruimte voor een zorgvuldige discussie over de taken van de toezichthouder en de capaciteit, expertise, bevoegdheden en middelen die daarvoor nodig zijn.

Voorzitter. Onze fracties nemen aan dat het denken over de uitvoering in de afgelopen periode niet heeft stilgestaan. Wij nodigen de indienster en de minister graag uit hun gedachten over de genoemde punten met ons te delen, zodat wij ons ook in dit debat al een beeld kunnen vormen van de nadere uitwerking. We stellen daartoe een aantal vragen aan zowel de indienster als de minister.

Voorzitter. Wij proberen ons voor te stellen hoe een onderneming wordt geacht te handelen als de wet wordt ingevoerd. Die onderneming zal moeten verklaren dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verlangd kan worden om na te gaan of de door haar geleverde producten of diensten kinderarbeid bevatten. Aan de orde is dan de vraag hoe deze onderneming aan goede en betrouwbare informatie komt. Productieketens zijn vaak lang en niet eenvoudig te doorgronden. Hoe ziet de initiatiefneemster dit en hoe denkt zij dat ondernemingen hierbij ondersteund kunnen worden? Welke gedachten leven er bij de indienster met betrekking tot de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen? Dezelfde vragen stellen wij ook aan de minister. Op basis van het door haar verrichte onderzoek zal de onderneming in een verklaring moeten aangeven dat zij binnen haar mogelijkheden heeft voldaan aan de verplichting om na te gaan of haar product tot stand is gekomen met kinderarbeid. Alle verklaringen zullen worden opgenomen in een openbaar register. Eindgebruikers en rechtspersonen kunnen op basis daarvan een klacht indienen bij de toezichthouder. Belangrijk is dan dat de verklaring relevante informatie bevat waarop de klager zijn klacht kan baseren. Aan welke eisen zal volgens de indienster en de minister de verklaring minimaal moeten voldoen? Wanneer de onderneming een redelijk vermoeden heeft dat de te leveren producten of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen, dient zij een plan van aanpak op te stellen. Onze fracties zijn benieuwd welke ideeën de initiatiefneemster en de minister hebben over de eisen die aan dit plan van aanpak gesteld moeten worden.

Voorzitter. Over het toezicht en de toezichthouder is al veel gesproken. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was het toezicht belegd bij de Autoriteit Consument en Markt. Door velen, niet in de laatste plaats de ACM zelf, zijn vraagtekens gezet bij deze keuze en zijn alternatieven aangedragen, zoals het Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen, de Inspectie Sociale Zaken dan wel de NVWA. Het heeft ertoe geleid dat in het wetsvoorstel, zoals dat uiteindelijk door de Tweede Kamer is vastgesteld, nog geen toezichthouder is aangewezen. De nog aan te wijzen toezichthouder zal voldoende bevoegdheden en middelen moeten hebben om zijn taak effectief uit te kunnen voeren. Graag horen beide fracties van zowel de indienster als de minister welke overwegingen in hun ogen een rol dienen te spelen bij de uiteindelijke keuze van de toezichthouder.

Voorzitter. De in het wetsvoorstel opgenomen verplichting voor ondernemingen om een verklaring op te stellen, moet naar onze mening worden gezien in een brede samenhang. In haar antwoord op een vraag van de fractie van de PVV heeft de initiatiefneemster een opsomming gegeven van wat op dit moment door individuele bedrijven, sectoren, ngo's, lokale initiatieven en overheden wordt gedaan om kinderarbeid terug te dringen. Kan de indienster aangeven hoe zij het wetsvoorstel positioneert binnen dit scala van initiatieven? Hoe verhoudt het zich tot de imvo-convenanten en -initiatieven? Hoe beoordeelt de indienster de zorg van VNO-NCW en anderen dat het wetsvoorstel contraproductief zou kunnen werken op dit punt? Wat is nodig aan flankerend beleid? Hoe kan worden bevorderd dat het wetsvoorstel niet slechts een symbolische werking heeft, maar substantieel bijdraagt aan het terugdringen van kinderarbeid? Dezelfde vragen stellen wij ook graag aan de minister.

Voorzitter. Alvorens tot een afronding te komen, wil ik nog twee punten aan de orde stellen. De indienster stelt voor dat de wet op zijn vroegst in werking treedt over twee jaar, op 1 januari 2020. Dat geeft enerzijds tijd voor een goede voorbereiding door zowel de regering als door ondernemingen. Anderzijds draagt het het risico in zich dat ondernemingen die twee jaar niet gebruiken om zich voor te bereiden, maar voorlopig niets doen en wachten tot het moment dat de wet feitelijk in werking treedt. Hoe denkt de indienster dit te voorkomen? Op welke wijze kunnen in haar ogen ondernemingen worden gestimuleerd om eerder aan de slag te gaan? Wat is daarvoor nodig? Diezelfde vragen stellen we ook graag aan de minister. Welke rol ziet de minister voor zichzelf weggelegd en welke instrumenten zijn daarvoor beschikbaar? Hoe kan, op weg naar 2025, worden voorkomen dat er twee jaren verloren gaan? En wanneer is, in de visie van de minister, het moment aangebroken om de wet daadwerkelijk in te laten gaan?

In de tweede plaats vragen de fracties van PvdA en OSF aandacht voor de Europese dimensie. Wij constateren met tevredenheid dat ook in landen om ons heen wetgeving tot stand komt om kinderarbeid wereldwijd terug te dringen. Maar we zien ook dat elk land daarin een eigen koers vaart. Zo is in Frankrijk een wet aangenomen die een zorgplicht instelt voor de grootste bedrijven op het gebied van mensenrechten en milieu. Het Verenigd Koninkrijk kent de Modern Slavery Act, die bedrijven verplicht te rapporteren over hun impact op gedwongen arbeid. En in Duitsland heeft de regering aangekondigd in 2020 met zorgplichtwetgeving te komen als de helft van de bedrijven met meer dan 500 werknemers er dan nog niet in is geslaagd due diligence op het gebied van mensenrechten in te bedden in hun bedrijfsvoering.

Voorzitter. Met dit wetsvoorstel bevinden we ons dus in goed gezelschap. Het zou in de ogen van beide fracties echter een goede zaak zijn als binnen de Europese Unie al bestaande en nog te ontwikkelen wetgeving op dit terrein op elkaar worden afgestemd. Graag horen wij van de minister hoe zij deze afstemming op Europees niveau gaat bevorderen.

Voorzitter. Wij kijken uit naar de beantwoording door de indienster en door de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vlietstra. Ik schors de vergadering tot 13.30 uur voor de lunchpauze.

De beraadslaging wordt geschorst.