Plenair Van Hattem bij behandeling Goedkeuringswet vijfde verlenging geldingsduur Tijdelijke wet maatregelen covid-19



Verslag van de vergadering van 17 mei 2022 (2021/2022 nr. 28)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.13 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter. De teneur in de media van de afgelopen week is dat de Eerste Kamer vandaag waarschijnlijk niet in gaat stemmen met de vijfde en daarmee ook de zesde verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Als deze tijdelijke spoedwet vandaag in de prullenbak verdwijnt, is dat op zichzelf natuurlijk heel goed nieuws. Deze wet was van meet af aan een disproportionele inperking van de burgerlijke vrijheden. Onder de huidige omstandigheden zijn verdere verlengingen — het kabinet droomt dus al hardop over een zevende verlenging per 1 september — sowieso totaal onzinnig.

In oktober 2020 werd deze wet gepresenteerd als een zeer tijdelijke wet, slechts voor de acute noodzaak voor een periode van slechts drie maanden. Maar nu duurt deze wet al bijna twee jaar voort. Het draaide uit van verlenging op verlenging, waarbij het kabinet van een Kamermeerderheid steeds weer een blanco cheque kreeg om door te gaan en de samenleving via deze wet lockdowns, QR-coronatoegangsbewijzen en andere vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen waarvan de effectiviteit nooit duidelijk werd aangetoond.

Als vandaag een meerderheid besluit om de Tijdelijke wet maatregelen covid-19, de Twm, weg te stemmen, staat er ondertussen alweer een Trojaans paard voor de deur. Met dank aan de motie-De Boer van GroenLinks is er immers als voorwaarde gesteld dat er snel permanente wetgeving moet komen om juridisch bindende maatregelen te nemen. De beperkingen van grondrechten en vrijheden van onze burgers schuiven dan dus door van een tijdelijke naar een permanente wet. Aangezien minister Kuipers al voortvarend aan de slag is met verschillende uitwerkingen daarvan, is het wegstemmen van de Twm vandaag door een aantal partijen vooral een show voor de bühne en zitten we vanaf dit najaar niet tijdelijk maar voorgoed aan de inzet van deze vrijheidsbeperkende maatregelen vast.

De minister van VWS sleutelt dus aan opties voor een overbruggingswet en een permanente wijziging van de Wet publieke gezondheid. Daarbij zet hij als basis voor de structurele inbedding van de bevoegdheidsgrondslagen in op de status als A-ziekte en zelfs op iedere toekomstige A-ziekte. Die doelstelling plaatst de eerdere codificatie van SARS-CoV-2 als A-ziekte in een ander daglicht. Deze formalisering van de aanwijzing van de A-status door de minister werd toen vooral gepresenteerd als een technisch-administratieve afhandeling met verder weinig gevolgen. Als PVV-fractie waarschuwden we toen al dat dit een stap is met verstrekkende consequenties voor de inzet van bevoegdheden.

En nu komt de aap uit de ministeriële mouw. Het gaat inderdaad om die A-status als een permanente grondslag om maatregelen door te kunnen drukken. De vraag is dan ook aan de minister: maakt hij op deze manier niet oneigenlijk gebruik van die A-status, zeker nu het virus qua mortaliteit zeer sterk is afgezwakt? Hoelang denkt de minister die A-status nog in stand te houden en onder welke concrete voorwaarden? De Wet publieke gezondheid geeft de minister van VWS ook direct verregaande bevoegdheden om in te grijpen bij de uitbraak van een A-ziekte. Kan de minister aangeven wat zijn handelingskader is om van die bevoegdheden gebruik te maken? Is de minister dat ook voornemens indien de Twm nu vervalt? Is de minister bereid om in plaats van op die bevoegdheden in te zetten, juist in een ander wetsvoorstel te voorzien om de A-status van SARS-CoV-2 in te trekken nu onder de huidige omstandigheden de ernst van het virus totaal niet meer te vergelijken is met de situatie in januari 2020?

In de nota van toelichting bij de zesde verlenging geeft de minister aan: "De acute coronacrisis lijkt voorbij, maar corona blijft onder ons." En: "Wel weten we dat corona onder ons blijft. Het virus gaat niet meer weg." Met deze redenering zal er altijd wel een argument blijven bestaan om zulke wetgeving in de lucht houden, want coronavirussen waren er ook al voor deze uitbraak en blijven inderdaad bestaan, maar niet per se met dezelfde ernstige effecten.

De vraag of met deze tijdelijke spoedwet moet worden doorgegaan, moet dan ook niet afhangen van het bestaan van het virus en mogelijk toekomstige uitbraken, maar van de vraag of er sprake is van een acute crisis. Dat is niet meer het geval. De grondslag van de verlenging van deze wet vervalt dus. De minister stelt echter dat het RIVM en de Wereldgezondheidsorganisatie, de WHO, het te vroeg vinden om COVID-19 als een griep te beschouwen. Zij willen daarom toch inzetten op een verdere verlenging.

De minister baseert ook zijn kwalificatie van de A-status primair op de constateringen van de WHO. Volgens haar mandaat mag de WHO vaststellen of er sprake is van een pandemie. De vraag is echter of je als land je maatregelen zo nadrukkelijk af moet laten hangen van deze organisatie, zoals de minister doet in zijn onderbouwing. De WHO staat immers onder verregaande invloed en druk van de Chinese communistische dictatuur.

The Daily Telegraph kopte deze week nog "A WHO pandemic pact would leave the world at China's mercy". Dit artikel wijst op het nieuwe WHO-verdrag voor internationale pandemische paraatheid dat momenteel in de maak is. Bij de internationale top van de World Health Assembly staat op 22 mei aanstaande het pandemisch akkoord op de agenda. Dat zou de macht van de WHO om in te grijpen in soevereine landen bij een toekomstige pandemische uitbraak, sterk moeten uitbreiden. Zo zou de WHO via bindend internationaal recht lockdowns in landen kunnen gaan afdwingen. In antwoorden op vragen hierover uit de Tweede Kamer gaf het kabinet aan dat de inzet van Nederland bij de onderhandelingen over dit verdrag erop gericht is om tot bindende afspraken te komen voor de preventie, paraatheid en aanpak van pandemieën door lidstaten, en daarbij met name de samenwerking te zoeken met de WHO.

Kortom, als dit verdrag eenmaal van kracht is, dan kan de WHO wat dit betreft dus voor ons land gaan bepalen welke maatregelen hier genomen moeten worden. Binnen de WHO heeft China een gevaarlijk grote invloed. Het feit dat Taiwan onder druk van China niet aan de verdragsonderhandelingen mag deelnemen, is veelzeggend. In de afgelopen twee jaar is ook duidelijk geworden dat de WHO vooral bezig was om de covidstrategie van China te prijzen en onder andere kritisch onderzoek naar de oorzaken van de COVID-19-uitbraak bij het laboratorium in Wuhan uit de weg te gaan. China wist de bronnen van het Wuhanvirus met macht en manipulatie uit de WHO-rapporten te houden. Daar heeft de Amerikaanse regering van Biden vorig jaar haar zorgen over uitgesproken.

De voorzitter:

Meneer Van Hattem, ik vrees dat ook u in juli nog weinig overheeft om over het beleid te praten. Ik zou u willen vragen om het toch iets meer te beperken tot het wetsvoorstel.

De heer Van Hattem (PVV):

Ja, voorzitter, maar dit heeft wel direct te maken met wat er nu voorligt aan verlenging en met de permanente gevolgen die eraan ten grondslag liggen. Bovendien heeft de minister de langetermijnstrategie er in zijn onderbouwing van de zesde verlenging ook nadrukkelijk bij betrokken; vandaar dat ik deze vooruitblik even meeneem.

De voorzitter:

Oké. Ik zie dat de heer Otten een vraag voor u heeft. Ik geef hem dus eerst het woord.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Nou, ik heb meer een punt van orde. Ik ben het met de heer Van Hattem eens dat de minister zelf inderdaad de verlenging plaatst in het kader van beleid, de lange termijn et cetera. Bij mij greep u ook al in. Ik zou u willen verzoeken om toch iets coulanter met het kader van dit debat om te gaan. Dat is een punt van orde van onze kant.

De voorzitter:

Daar neem ik nota van. De heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. Ik kan u geruststellen. Ik heb bij het volgende debat ongetwijfeld nog genoeg om over te spreken; dat kan ik u verzekeren.

De voorzitter:

Dan ben ik echt gerustgesteld.

De heer Van Hattem (PVV):

Dit sluit aan bij wat de vorige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Pompeo, al in 2020 stelde, namelijk dat de directeur-generaal van de WHO is gekocht door de Chinese overheid en dat de WHO vooral een politieke, niet-wetenschappelijke organisatie is. Als de WHO al een keer kritisch is op China, dan volgen er direct repercussies van de Chinese overheid. Afgelopen week werd de topman van de WHO nog door China gecensureerd, nadat hij de Chinese zerocovidaanpak onhoudbaar had genoemd. Met de huidige Chinese zerocovidstrategie, waarbij China burgers opsluit en ernstig mishandelt, is er geen sprake meer van de bestrijding van een epidemie, maar van de onderdrukking en totale controle van burgers. Het Chinese regime heeft er dus om politieke redenen alle belang bij om de A-status via de WHO in stand te houden.

Kortom, gaat deze minister nog langer bij zijn oordeel over de coronabestrijding, en over de A-status in het bijzonder, te rade bij de door China beïnvloede WHO? Waarom zet het kabinet zo nadrukkelijk in op bindende bevoegdheden voor de WHO? Is het de bedoeling van deze minister om de maatregelen uit de tijdelijke wet, die we vandaag misschien laten vervallen, straks bindend aan ons land door de WHO te laten opleggen, zonder dat we er nog iets over te zeggen hebben? Voorzitter. In de onderbouwing van de verlenging blikt de minister herhaaldelijk vooruit naar zijn langetermijnstrategie. Hij stelt dat het doel van de strategie is om "de open samenleving te waarborgen". Maar kan de minister aangeven wat hij onder een open samenleving verstaat? Is dat een samenleving die voor eenieder open is of worden er in die strategie toch nog mensen uitgesloten die de keuze maken om bijvoorbeeld geen QR-toegangscode te gebruiken of die zich niet willen laten vaccineren? Graag een reactie. Daarbij is ook de vraag hoe de minister dit ziet bij een eventuele verlenging van de Twm, mocht die onverhoopt vandaag toch doorgang vinden, zeker nu in de media de afgelopen dagen alweer diverse keren geluiden te horen waren over nieuwe uitbraken en lockdowns.

Ook spreekt de minister in de nota over "een effectieve samenstelling van maatregelen tot 1 september bij een eerste opleving van het virus, indien de toegankelijkheid van de zorgketen voor iedereen of de continuïteit van de samenleving in het gedrang blijkt te komen". Kan de minister aangeven op welke wijze en op basis van welke factoren de effectiviteit van die maatregelen dan wordt bepaald? Wat verstaat de minister precies onder de continuïteit van de samenleving? Hoe en door wie wordt dat bepaald? Wat zijn bij dit alles de concrete indicatoren? Wat de zorgketen betreft, wat doet de minister om de capaciteit van de zorgketen op te schalen en dan met name de ic-capaciteit? In hoeverre wordt daar nu al werk van gemaakt? Welke rol ziet de minister hierbij weggelegd voor de zorgverzekeraars? Gaat de minister ook nadere afspraken maken met de zorgverzekeraars om gelet op de financiering en de kwaliteitsdoelen de toegankelijkheid van de zorgketen overeind te houden?

In de beantwoording van onze schriftelijke vragen bij de zesde verlenging geeft de minister aan dat door feiten te wegen van het epidemiologische beeld en de sociaal-maatschappelijke situatie de motie-van Hattem over ieder besluit bij de maatregelen wordt uitgevoerd. Daarmee geeft de minister echter een andere invulling aan de uitleg van de motie. Concrete indicatoren voor de maatregelen die voor de volksvertegenwoordiging de maatregelen meetbaar en controleerbaar maken, worden niet als zodanig gegeven. Kan de minister aangeven of hij dit bij eventuele toekomstige maatregelen alsnog zal doen?

Verder geeft de minister zelf aan dat het vervallen van juridische grondslagen kan worden opgevangen door spoedwetgeving als mogelijke route om alsnog in deze juridische grondslagen te voorzien. Als de minister zelf dit nadrukkelijk als een mogelijke route ziet, waarom dan toch deze Twm willen verlengen? Is dat dan niet gewoon compleet disproportioneel?

In de nota stelt de minister over het wettelijk kader van de Twm dat binnen de bestuurlijke verhoudingen gemeenteraden met de Twm meer controlemogelijkheden hebben gekregen in plaats van de bevoegdheden bij de voorzitters van de veiligheidsregio's te houden. Kan de minister aangeven in hoeverre gemeenteraden daar daadwerkelijk gebruik van hebben kunnen maken nu de meeste maatregelen op basis van de Twm door de rijksoverheid zijn afgekondigd? Graag een reactie.

Voorzitter. Ik gaf al aan dat het paard van Troje voor de deur staat. Uit dat paard komen meerdere kaders waardoor alle maatregelen die vandaag met de Twm kunnen vervallen, weer even hard aan onze samenleving kunnen worden opgelegd. Een overbruggingswet, een permanente wetswijziging van de Wet publieke gezondheid, de inzet van bevoegdheden op basis van de A-status en de bindende maatregelen uit het WHO-verdrag. Maar ook Brussel doet een duit in het zakje. De ongekozen Europese Commissie presenteerde op 27 april haar mededeling "COVID-19 - De paraatheid en respons van de EU in stand houden: Een blik vooruit". De EU stelt, ik citeer: "Hoewel moeilijk te voorspellen is hoe de pandemie zich verder zal ontwikkelen, is één ding zeker: COVID-19 gaat niet meer weg.". Dat betekent dus vooral: hoe de pandemie zich ook ontwikkelt, de bemoeizucht van de EU gaat niet meer weg. In deze mededeling sleept de Europese Commissie er vooral veel zaken bij om via coronamaatregelen haar eigen Brusselse agenda aan de lidstaten op te dringen. Zo wordt gesteld: "Het is belangrijk om de COVID-19-herstelmaatregelen af te stemmen op de klimaat-, milieu- en sociale doelstellingen voor de lange termijn, voor een betere wederopbouw."

Niet alleen klimaat wordt er met de haren bij gesleept. Ook Europese factcheckers op desinformatie, digitalisering in de gezondheidszorg en hulp in Afrika worden door Brussel opgedrongen. Verder bemoeit de Europese Commissie zich met diverse nationale aangelegenheden, zoals het vaccineren van jonge kinderen en het opnemen van de COVID-19-vaccinatie in de nationale vaccinatieprogramma's. Tevens schetst de Europese Commissie vijf scenario's met daarin onder andere strengere beperkingen opleggen aan de bevolking. Waar bemoeit de Europese Commissie zich mee? De beste remedie hiertegen is een nexit. Maar tot die tijd: is de minister bereid om de Europese Commissie terug in haar hok te sturen? Hoe staat de minister tegenover deze bemoeizuchtige Brusselse mededeling? Kan de minister uitsluiten dat we nog meer van zulke onder coronabeleid geschaarde maatregelen door de Europese Commissie opgelegd zullen krijgen? Hoe verhouden deze scenario's van de Europese Commissie zich tot de plannen van de minister? Graag een reactie.

Voorzitter, tot slot. Op dit moment is het essentieel om de bestaande Tijdelijke wet maatregelen zo snel mogelijk en definitief in de prullenbak te laten verdwijnen. De PVV-fractie hoopt dan ook dat de meerderheid in deze Kamer vandaag ontwaakt uit haar massa-angstpsychose en tegen deze verdere verlenging zal stemmen, en dus tegen de vijfde verlenging stemt waarmee de Twm definitief vervalt. De PVV stemt in ieder geval tegen. Om een einde te maken aan deze disproportionele beperking van burgerlijke vrijheden en een volstrekt onnodige gereedschapskist voor de minister.

Voorzitter, tot slot in deze eerste termijn dien ik een motie in, over geen bindende afspraken in het WHO-verdrag. Ik zal de motie met uw goedvinden even voorlezen.

De voorzitter:

Ja.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik lees voor.

Door de leden Van Hattem, Faber-Van de Klashorst, Van Strien, Ton van Kesteren en Bezaan wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de WHO een "International treaty on pandemic prevention and preparedness" in voorbereiding heeft, dat het verdrag van 2005 (de internationale Gezondheidsregeling) uitbreidt (pandemieverdrag);

constaterende dat het kabinet in beantwoording van Kamervragen ten aanzien van de Nederlandse inzet bij de thans ingezette onderhandelingen over dit verdrag heeft aangegeven: "De inzet van Nederland zal nog nader vorm krijgen, maar is erop gericht om tot bindende afspraken te komen voor het verbeteren van de preventie, paraatheid en aanpak van pandemieën door lidstaten, die aansluiten bij de visie van Nederland op dit vlak en waarbij nauwe samenwerking is met multilaterale instellingen, met name de WHO.";

constaterende dat op korte termijn verder onderhandeld zal worden over dit verdrag;

overwegende dat afspraken uit dit verdrag als bindende bepalingen worden verwerkt in de Nederlandse Wet publieke gezondheid;

overwegende dat Nederland als soeverein land zelf over zijn publieke gezondheidsbeleid moet gaan en het onwenselijk is om dit door multilaterale instellingen als de WHO dwingend te laten bepalen;

roept het kabinet op af te zien van de inzet op bindende afspraken bij de onderhandelingen over dit verdrag,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter C (25295, 35526, 36042).

De heer Van Hattem (PVV):

Tot zover in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik hoorde drie ondertekenaars, klopt dat, of vier?

De heer Van Hattem (PVV):

Als het goed is in ieder geval vier ondertekenaars.

De voorzitter:

Dat zijn er in totaal vijf en daarmee is de motie voldoende ondersteund. Dank u wel, meneer Van Hattem. De volgende spreker op de lijst is de heer Recourt van de fractie van de PvdA.