Plenair Verkerk bij behandeling Initiatiefwetsvoorstel-Raemakers/Van Meenen tot wijziging van de Wet kinderopvang



Verslag van de vergadering van 19 april 2022 (2021/2022 nr. 26)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.08 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Verkerk i (ChristenUnie):

Voorzitter, heel hartelijk dank. Laat ik ook beginnen om de initiatiefnemers te danken voor hun inspanningen. Onze fractie heeft waardering voor de manier waarop u de zorgen van ouders een stem geeft en dat u ook de gezondheid van kinderen voorop wilt stellen. De fractie van de ChristenUnie begrijpt de onrust van ouders bij een dalende vaccinatiegraad. Elke ouder heeft immers het beste voor met zijn of haar kinderen en elke ouder wil zijn of haar kinderen beschermen tegen gevaarlijke besmettelijke ziekten. Het voorstel past ook in de Nederlandse traditie waarin de vrijheid van de samenleving om zichzelf te organiseren vooropstaat.

Ondanks deze waardering is de fractie van de ChristenUnie er nog niet van overtuigd dat deze wet nodig is en dat hij wenselijk is. Ze heeft daarover een viertal vragen. De eerste vraag is of deze wet wel echt nodig is. De initiatiefnemers menen van wel. Ik denk aan pagina 4 van de memorie van toelichting. Ze wijzen onder andere op een onderzoek van de NOS waaruit blijkt dat kindercentra die een weigeringsbeleid gevoerd hebben toch niet-gevaccineerde kinderen toegelaten hebben, omdat gedreigd werd met een advocaat. Ook verwijzen zij naar de geschillencommissie die zegt dat er momenteel geen juridische basis is voor een weigering van niet-gevaccineerde kinderen. Onze vraag is: kunnen de initiatiefnemers deze stelling ook onderbouwen met feitelijke gegevens? Zijn er sinds de memorie van toelichting geschreven is, ruim drie jaar geleden, rechtszaken gevoerd tegen kindercentra om hun weigeringsbeleid? Zelf heb ik contact gehad met de directie van Berend Botje. Zij hebben zo'n weigerbeleid, om het zo uit te drukken. Zij hebben nooit, om het in de alledaagse taal te zeggen, een rechtszaak aan hun broek gehad.

Verder stelt de Raad van State expliciet dat kinderopvangcentra private ondernemingen zijn die geen expliciete wettelijke bevoegdheid nodig hebben voor het formuleren van een toelatingsbeleid tot hun diensten. In zijn visie hebben kindercentra de vrijheidsmarge om kinderen te weigeren. Zij worden daarin wel onder andere begrensd door de eisen die voortvloeien uit het recht op gelijke behandeling. De raad geeft aan dat het niet nodig is om de wet te wijzigen, maar dat de gewenste duidelijkheid ook op een andere manier geboden zou kunnen worden, bijvoorbeeld door een handreiking. Graag een reactie van de initiatiefnemers en ook van beide bewindslieden.

Voorzitter. De tweede vraag is of de wet wel leidt tot de gewenste basis. De memorie van toelichting stelt op pagina 4 dat de genoemde wet, als hij wordt aangenomen, kindercentra voorziet in de gewenste basis om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren.

Daarmee kom ik tot de vraag: leidt die wet wel tot zo'n basis? Of anders geformuleerd: hoe stevig is die basis? Het College voor de Rechten van de Mens is daar heel duidelijk over; zie zijn brief van 9 april 2021. In zijn visie verandert het onderhavige wetsvoorstel niets aan de bevoegdheid van het college om, als een kindercentrum weigert om niet-gevaccineerde kinderen toe te laten, dit te toetsen aan artikel 7 van de Wpg. De vraag van onze fractie aan zowel de initiatiefnemers als de staatssecretaris en de minister is: hoe duidt u dit oordeel van dit college?

Voorzitter. Onze derde vraag luidt of de onderhavige wet een goed instrument biedt vanuit het perspectief van de achterliggende motivatie van dit wetsontwerp, namelijk de dalende vaccinatiegraad. In de voorbereiding op dit debat heb ik uitvoerig gesproken met de GGD Zuid-Limburg, met name vanwege het feit dat de vaccinatiegraad in Zuid-Limburg gemiddeld een half tot een heel procent lager ligt. In zijn visie dragen dit soort wetten niet bij aan het verhogen van de vaccinatiegraad. Zij zeggen: je moet investeren in contacten met individuele ouders. Ze zeggen ook: het blijkt dat ouders openstaan voor een gesprek en dat ze zich laten overtuigen. Ook de ervaringen tijdens de coronaepidemie hebben ons geleerd dat topdownmaatregelen in de vorm van wetgeving gemakkelijk kunnen leiden tot maatschappelijke onrust en tot het vergroten van tegenstellingen, temeer daar coronavaccinaties in algemene termen onderdeel zijn van een Rijksvaccinatieprogramma. Graag een reactie van de initiatiefnemers.

Daarnaast heeft onze fractie enkele vragen voor de staatssecretaris. Vormt deze wet in zijn visie een belangrijke ondersteuning van het actieprogramma Verder met Vaccineren? Kan de staatssecretaris reflecteren op de ervaringen van de GGD Zuid-Limburg met betrekking tot het investeren in de relatie met ouders? Welke activiteiten ontplooit de staatssecretaris op dit gebied?

De heer Van Strien i (PVV):

Ik hoor nu eigenlijk pas de percentages waar de heer Verkerk het zojuist over had, en de lagere vaccinatiegraad in Zuid-Limburg met een half tot een heel procent. Daar zitten we dus in plaats van op 95% op pakweg 94% of 93%. Het percentage PVV-stemmers in Zuid-Limburg ligt rond de 30% of 40%. Waar haalt een fysicus deze redenering vandaan?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Misschien mag ik toch even terugkomen op een eerdere interruptie van de heer Van Strien. Ja, ook PVV-stemmers gaan mij aan het hart. Dat is alleen al vanwege het feit dat ik volksvertegenwoordiger ben, ook voor PVV-stemmers. Ten tweede — ik spreek nu bewust in algemene termen — geldt voor Zuid-Limburg dat de gemiddelde gezondheid beduidend minder is dan die in de rest van het land. Dat is belangrijk. Wilt u percentages horen? Wacht u dan heel even. U krijgt nog een paar percentages. Die verduidelijken waarom ik net mijn interruptie bij u deed.

Ik kom op het laatste punt, denk ik. Leidt deze wet tot een betere bescherming? Wat is het doel van de wet? Wat beogen wij? Wat beogen we als sommige kindercentra alleen kinderen toelaten die meedoen aan het Rijksvaccinatieprogramma? Het gaat dan natuurlijk om de bescherming van baby's die vanwege hun leeftijd nog niet gevaccineerd mogen worden, om kinderen die om medische redenen niet gevaccineerd mogen worden en om kinderen die ondanks vaccinatie geen immuniteit opbouwen. Wat dat betreft is ook het RIVM-rapport van 25 september 2019 belangrijk. Dat gaat over de vaccinatiegraad. Dat laat zien dat een hoge bescherming alleen gerealiseerd kan worden bij grote homogene groepen. In een kindercentrum gaat het om een groepsgrootte van circa 30 personen. Bij die groepsgrootte en bij een vaccinatiegraad van 95% is de kans op een infectie voor niet-gevaccineerden circa 70%, als daar het virus geïntroduceerd wordt. Zelfs als bij deze groepsgrootte de vaccinatiegraad stijgt naar 99%, is de kans op een infectie nog 60%. Als ik deze gegevens goed interpreteer — ik hou even een slag om de arm, want ik ben geen arts, maar ik ben volksvertegenwoordiger, zoals onze Voorzitter zo duidelijk heeft gezegd — zou dat betekenen dat het effect van toegangsbeperking echt beperkt is en dat toegangsbeperking het risico op infectie niet naar beneden brengt. Wat zegt het RIVM dan ook? Dat het nodig is om openheid te betrachten tussen ouders en leiding om elkaar integer en transparant in te lichten bij uitbraakjes in het eigen gezin of in de nabijheid, en daarnaar te handelen en de kinderen dan thuis te houden en te waarschuwen.

Voorzitter, ik haal deze studie van het RIVM niet aan als kritiek op de voorgestelde wet; laat dat duidelijk zijn. Ik haal die ook niet aan om het idee van de vaccinatiegraad te relativeren. Maar het gaat onze fractie om de vraag of we ouders geen valse hoop bieden met betrekking tot infectie als ze kunnen kiezen voor een kindercentrum met toegangsbeperking. Daar wijst die studie namelijk wel op. Zouden we in lijn met het advies van het RIVM niet veel meer moeten inzetten op openheid, transparantie en juist handelen bij uitbraken? Biedt deze weg ook niet meer bescherming dan de huidige wet? Graag een reactie van de initiatiefnemers en van de staatssecretaris. Ik zou de staatssecretaris ook willen vragen of hij iets kan zeggen over de vraag wat deze studie van het RIVM betekent voor het vaccinatiebeleid en voor het beleid bij uitbraken.

Voorzitter. Ik kom tot een afsluiting. De ChristenUnie heeft veel sympathie voor de gedachte achter deze wet om kinderen door middel van een toegangsbeperking een veiligere omgeving te bieden tegen infectie. Ik trek vanuit dat perspectief — misschien moet ik wel zeggen: met pijn in het hart — enkele voorlopige conclusies. De eerste is dat deze wet niet nodig is. Het kan ook zonder wet. De tweede is dat deze wet onvoldoende basis biedt; ik denk aan de reactie van het College voor de Rechten van de Mens. De derde is dat wij twijfelen of deze wet op nationaal niveau wel het meest geschikte instrument is. Ten slotte hebben wij het gevoel dat dit instrument valse hoop op veiligheid biedt.

Ik kom terug op de situatie in Zuid-Limburg. De vaccinatiegraad bmr voor zuigelingen tot 2 jaar varieert op gemeenteniveau van 74% tot 96% en voor jongeren van 90 jaar van 76% tot 97%. Als ik de grafieken van het RIVM goed interpreteer, is de kans dat niet-gevaccineerden in een kindercentrum een infectie oplopen bij een uitbraak zonder openheid en transparantie tussen de 75% en 95%. Misschien zou het debat daarover — of ook daarover — moeten gaan.

Onze fractie ziet uit naar de reactie van de initiatiefnemers, de staatssecretaris en de minister. Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkerk.

Dan is nu het woord aan mevrouw Bruijn-Wezeman namens de fractie van de VVD.