Plenair Verkerk bij voortzetting behandeling Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs



Verslag van de vergadering van 15 juni 2021 (2020/2021 nr. 41)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.08 uur


De heer Verkerk (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Ik zou eerst de minister willen danken voor zijn bevlogen antwoord — bevlogen wat artikel 23 betreft, maar ook bevlogen wat artikel 1 en de hele Grondwet betreft.

Voorzitter. Ik constateer dat er een zekere eenzijdigheid in het debat is. Er ligt een focus op islamitisch en reformatorisch onderwijs. Het themaonderzoek burgerschap, waarin een selecte keuze is gemaakt in scholen die worden onderzocht, concludeert dat de meerderheid van reformatorische en islamitische scholen een goede balans heeft tussen de eigen visies en het bevorderen van de basiswaarden. Maar ik wil daarbij twee opmerkingen maken. De eerste opmerking is dat het aantal scholen zo klein is, dat wie statistisch wil denken, daar geen enkele conclusie uit kan trekken, ook niet de conclusie dat het eenzijdig is, zoals ik heb gezegd. Nog belangrijker: ik ben geen vreemde in het Jeruzalem van het christelijk onderwijs, laat ik dat heel duidelijk zeggen. Ik denk dat deze wet ook het christelijk onderwijs — laat ik me daartoe beperken, want ik ken het islamitisch onderwijs onvoldoende om daar grote conclusies uit te trekken — handvatten geeft om moeilijke onderwerpen goed aan de orde te stellen. Dat vind ik een heel grote winst van deze wet. Het tweede is dat deze wet geweldige eisen stelt, met name als het om de cultuur van de school gaat. Dat is een geweldige eis, want die heeft te maken met veiligheid en met de rechtsstatelijke cultuur.

Voorzitter. Ik ben deels gepromoveerd op cultuur, en wel cultuur in fabricageorganisaties. Als er iets moeilijk is om te beïnvloeden, dan is het cultuur, maar als er iets is waarvan je kunt meten of het goed is of niet goed is, dan is dat ook cultuur. Het is niet makkelijk, maar het kan wel. In die zin wil ik benadrukken dat het van groot belang is dat deze wet het woord "cultuur" zo expliciet aan de orde stelt. Denk toch ook even aan die aangrijpende zin van collega Sent over een collega die zei: ik durf niet meer alles aan de orde te stellen. Als dat gebeurt, helpt uiteindelijk geen wet en geen inspectie, want dan gaat het om cultuur. Dat de minister het aandurft om dat in deze wet te zetten, vind ik toch heel wat.

Voorzitter. Toen ik begon met mij voor te bereiden op deze wet voelde ik me in het begin niet lekker. Dat had ook te maken met de zaken rond de vrijheid van onderwijs. Ik moet zeggen dat hoe meer ik me in deze wet verdiepte, des te blijer ik met deze wet werd. Dat heeft ook te maken met het feit — ik noemde het net al — dat deze wet niet alleen gaat over kennis en vaardigheden, maar ook over cultuur. Dan praten we over een rechtsstatelijke cultuur met democratische grondwaarden.

Wat die grondwaarden betreft heb ik nog een punt. Ik heb de minister in mijn eerste termijn gevraagd naar de interpretatieruimte. Ik heb gevraagd of onder de begrippen vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit in hun samenhang en in hun wederkerigheid ook de christelijke, humanistische en postmoderne visie vallen. Het zou fijn zijn als die vraag nog beantwoord zou kunnen worden.

Mevrouw Sent (PvdA):

Meneer Verkerk vraagt terecht aandacht voor het mooie artikel waarin het bevoegd gezag verantwoordelijk wordt gesteld voor schoolcultuur, maar hij geeft ook aan dat het ontzettend ingewikkeld is om cultuur te veranderen. Dus dat roept dan weer vragen op over de uitvoerbaarheid. We kunnen het wel meten, maar hoe draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de schoolcultuur zoals verwoord in het wetsvoorstel er is? Hoe kan dat uitgevoerd worden? Wat zijn aanbevelingen daarvoor?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

In alle eerlijkheid: zo'n vraag gaat veel verder dan het debat dat we vandaag hebben, maar ik wil er wel graag iets over zeggen. Het eerste is dat er een gigantische symboolwaarde uitgaat van deze wetgeving. Ja, er moet een cultuur zijn die veilig is, een cultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van onze rechtsstatelijke democratie. Dat is het eerste. Het tweede: ik heb in ieder geval vanuit mijn onderzoek geleerd dat cultuur begint bij de top. Daarmee bedoel ik dat als de top van een school, in dit geval het bevoegd gezag, niet de geest van onze Grondwet uitstraalt als het gaat om deze rechtsstatelijke basiswaarden, het nooit goedkomt in een school. Als de top uitstraalt deze wet van harte te willen uitvoeren en de dialoog aangaat binnen de organisatie, maar ook met de ouders — ouders mogen tegen deze cultuur zijn — dan lijkt me dat de start van een cultuurverandering. Als de top het niet wil, kan geen enkele leraar het bewerkstelligen, want dan wordt het hiërarchisch gewoon weggeslagen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. De minister begon met te zeggen dat dit een prachtig wetsvoorstel is. Ik kan me dat voorstellen. Ja, ik zou dat ook wel willen onderstrepen. Het heeft er aan de ene kant toch mee te maken dat met die punten van kennis, vaardigheden en cultuur dit wetsvoorstel echt iets verandert in vergelijking met het verleden. Aan de andere kant zit er een prachtige balans in de verhouding tussen vrijheid van onderwijs en de deugdelijkheidseis.

Voorzitter. Waarom zouden wij eigenlijk nog religieuze scholen moeten hebben? Ik zou kort willen verwijzen naar de humanistische seculiere filosoof Habermas. Habermas heeft aan het einde van zijn leven — overigens is hij nog in leven, maar hij is heel oud — gereflecteerd op de vraag: wat is nu het belang van religie?

De voorzitter:

Let u wel op uw tijd, want u heeft nog een halve minuut.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ja, dat weet ik. Waarom zou je religie willen hebben, is de vraag. Hij zegt als seculiere filosoof dat we juist vanuit de religie weer kunnen zeggen dat er bronnen zijn om te spreken over zin en zingeving. Daarmee zou ik, ruim binnen de tijd, mijn bijdrage willen afronden.

De voorzitter:

Een prachtig einde. Dank u wel, meneer Verkerk. Dan wil ik het woord geven aan mevrouw Nanninga namens de Fractie-Nanninga.