Plenair Verkerk bij behandeling (eerste termijn Kamer)



Verslag van de vergadering van 23 maart 2021 (2020/2021 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.11 uur


De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter, hartelijk dank. Allereerst wil ik de heren Van den Bosch en Van der Molen feliciteren met hun initiatiefvoorstel. Fijn dat u zover bent gekomen. Ook dank dat mevrouw Broekers-Knol hier aanwezig is namens het kabinet. Dank u wel.

Voorzitter. Het is een sympathiek voorstel. Een praktisch probleem wordt opgelost. Wie kan bij wijze van spreken daar nu tegen zijn, en waarom überhaupt hier een debat over hebben? Ik kom uit de industrie en ik heb altijd praktische problemen opgelost. In het voorlopig verslag zijn de nodige vragen gesteld. Deze vragen zijn zorgvuldig beantwoord door de initiatiefnemers en de minister, waarvoor dank. Onze fractie begrijpt de argumentatie: meer ruimte voor raadsleden om zich in te zetten voor de samenleving. Toch is onze fractie, en ook haar bestuurlijke achterban, er nog niet van overtuigd dat het onderhavige wetsvoorstel dé oplossing voor de problematiek is. Onze vragen liggen niet op het gebied van mogelijke nadelen of ontsporingen die ook eerder in het debat zijn genoemd, maar hebben een meer fundamenteel karakter, als ik het zo mag uitdrukken.

Ik begin met een verhaal. In het jaar 2003 ging ik aan de slag als divisiemanager in het psychiatrisch ziekenhuis Vijverdal in Maastricht. Dat ziekenhuis was beroemd en berucht. Beroemd vanwege haar innovaties in de zorg, berucht omdat er elke zeven jaar een financiële crisis was. Een klein jaar na mijn aantreden belandde Vijverdal inderdaad in een nieuwe financiële crisis. De raad van bestuur trad af en ik werd gevraagd zijn functie over te nemen. Ik merkte dat dat iets deed met mij als persoon, want plotseling stond ik vol in de wind en was ik verantwoordelijk voor alles wat er gebeurde. Ik kon me, om het maar even plastisch uit te drukken, niet achter een brede rug verschuilen. Ik stond vol in de wind, maar ook met alle slapeloze nachten van dien, want zonder hulp zou ons ziekenhuis failliet gaan en we wisten niet wat een faillissement zou betekenen voor de patiënten. Dat was trouwens in de periode dat de hashtag "marktwerking in zorg" viraal ging in politiek Den Haag.

Voorzitter. Waarom vertel ik dit verhaal? Ik denk dat er meer aan de hand is dan alleen het oplossen van een praktisch probleem. Het gaat ook over betrokkenheid en verantwoordelijkheid, over politieke cultuur en democratische legitimatie. Al deze vragen komen toch ook echt een beetje samen in die vraag: wat is nu een technisch voorzitter? Ik denk dat het bijvoeglijk naamwoord, "technisch", al aangeeft waar het om gaat. Het gaat om de techniek van het voorzitten. Het gaat om neutraliteit en deskundigheid. De vraag van onze fractie is: gaat het wel inderdaad om die techniek? Gaat het niet veel meer om betrokkenheid en verantwoordelijkheid? Ik verwijs naar mijn verhaal over Vijverdal. Ik ben ervan overtuigd dat er technisch voorzitters gevonden kunnen worden die het technisch beter doen dat het gemiddelde raadslid. Ik ben ervan overtuigd dat er externe voorzitters gevonden worden die betrokken zijn en die verantwoordelijk zullen voelen. Maar mijn fractie gaat het eigenlijk om de vraag: wat doet dat voorzitterschap met dat raadslid, met het Statenlid of met het lid van de eilandsraad zelf? Het kan niet anders zijn dan dat het antwoord is: extra betrokkenheid en een sterk gevoel van verantwoordelijkheid. Collega Van der Burg heeft net ingevuld hoe hij toch in zekere zin stuurt. Als ik het zo uitdruk, heb ik een prachtige interpretatie van uw woorden gegeven, denk ik! Dat extra gevoel en die verantwoordelijkheid hebben we nodig. Graag een reactie van de initiatiefnemers en de minister.

Voorzitter. Ik wil nog een keer terugkomen op het rapport-Remkes. Dat rapport legt veel nadruk op de politieke cultuur in ons land. Ook toentertijd met staatssecretaris Knops heb ik daarover van gedachten mogen wisselen. Dat rapport spreekt over de gevoelens van verweesdheid bij burgers. Ik geef een citaat van pagina 99 van het rapport: "De bestuurlijke neiging tot pragmatisch of zelfs technocratisch handelen kan die verweesdheid niet wegnemen. Ook een ander politiek stelsel is daarvoor niet de oplossing. Wat nodig is, is een andere democratische cultuur." Onze conclusie is in ieder geval dat een commissievoorzitter meer dan een technisch voorzitter is. Zij of hij is de drager van een politieke cultuur. De afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat de verbinding tussen burger en overheid onder druk staat; ik verwijs alleen maar naar de verschillende affaires. Vanuit pragmatisch oogpunt begrijp ik dat de initiatiefnemers kiezen voor een oplossing — ik verwijs naar het citaat — in het politieke stelsel. Vanuit een breder perspectief heeft mijn fractie daar vragen bij.

Bij het debat in deze Kamer over het voorstel om ontheffing te verlenen van het vereiste ingezetenschap voor wethouders en gedeputeerden sprak mevrouw Huijbregts van de VVD de volgende woorden: "Van bestuurders wordt verwacht dat zij leven en wonen dicht bij en te midden van degenen die zij besturen." Mijn vraag is: zou dat niet ook gelden voor commissievoorzitters? Graag een reactie van de initiatiefnemers en de minister.

Ten slotte de democratische legitimatie. Wie op Twitter zit, leert veel als zijn of haar tweet in andere bubbels terechtkomt. Dit weekend twitterde ik dat ik het OMT hoog heb zitten, maar dat ik ongelukkig was met het feit dat individuele OMT-leden in interviews al aangaven wat het OMT in hun visie zou moeten besluiten. Ik kreeg ongelofelijk veel kritiek, omdat in al die tweets stond dat het OMT niet democratisch gelegitimeerd is en alle politieke besluiten zou nemen. Elke reactie die ik gaf, bleek olie op het vuur te zijn. Wat leert dit? Dit leert dat onze democratie kwetsbaar is geworden. Mijn vraag aan de minister en de initiatiefnemers is dan ook: zou die democratische legitimatie daarom ook niet een doorslaggevend punt moeten zijn?

Voorzitter, ik sluit af. In het Tweede Kamerdebat over dit onderwerp vertelde de heer Terpstra van het CDA een prachtig verhaal over de monnik Valentijn. Ook collega Rombouts ging daar al op in. De moraal van dit prachtige verhaal is dat je groot moet zijn in kleine dingen. De fractie van de ChristenUnie was onder de indruk van dit verhaal. Die monnik laat namelijk zien dat als je groot bent in kleine dingen, dat kan leiden tot de bloei van de tuin, tot de bloei van het dorp en tot de bloei van de samenleving. Zou dat ook niet belangrijk zijn voor onze democratische rechtsstaat, die kleine dingen die moeten leiden tot bloei? Daarom ziet onze fractie uit naar de reactie van de initiatiefnemers en de minister.

De heer Koole (PvdA):

Ik dank de heer Verkerk voor zijn woorden over het belang van de betrokkenheid van het voorzitterschap. Mijn vraag aan de heer Verkerk is dan: wat betekent dat nu precies voor de democratische legitimatie? Zegt hij nu dat als een voorzitterschap van een commissie democratisch gelegitimeerd moet zijn, dat voorzitterschap dan alleen maar kan worden bekleed door mensen die rechtstreeks gekozen zijn als raadslid? Of zegt hij dat democratische legitimatie ook aanwezig is als gekozen raadsleden de voorzitter extern aanwijzen? Is er in beide gevallen sprake van democratische legitimatie of alleen in het eerste geval?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Hartelijk dank voor deze vraag. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat op het moment dat een raad op basis van wetgeving in het land democratisch beslist dat een externe voorzitter aangetrokken mag worden, dat dan in die zin, in de visie van onze fractie, democratisch gelegitimeerd is. Dat is het eerste antwoord. Het tweede antwoord is dat mijn punt was dat de democratie kwetsbaarder wordt. Vanuit die kwetsbaarheid is mijn vraag aan de initiatiefnemers en de minister: kan dat geen reden zijn om juist veel aandacht te hebben voor de meer directe democratische legitimatie?

De heer Koole (PvdA):

Met dat laatste ben ik het geheel eens, maar ik begrijp uit het eerste antwoord van de heer Verkerk dat het criterium van democratische legitimatie, dat hij zo benadrukt en waar ik het ook zeer mee eens ben, op zich geen basis kan zijn voor het verwerpen of aannemen van dit wetsvoorstel. Je kunt dan zowel zeggen dat alleen gekozen raadsleden voorzitter kunnen zijn, maar je kunt ook redeneren dat, als de gekozen raadsleden maar de voorzitter benoemen, het ook democratisch gelegitimeerd is, zoals u ook doet. Dus het criterium van democratische legitimatie kan geen reden zijn om deze wet af te wijzen. Begrijp ik de heer Verkerk zo goed?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ja, als u het zo stelt, dan heeft u daar helemaal gelijk in. We zien in onze democratie regelmatig commissies van buiten die niet direct democratisch gelegitimeerd zijn maar via de democratie democratisch gelegitimeerd zijn. Die parallel zie ik, dus in die zin onderschrijf ik de conclusie die u net trok.

De voorzitter:

De heer Koole, derde.

De heer Koole (PvdA):

Als laatste haal ik toch de woorden van de heer Rombouts aan. Hij constateerde dat er dadelijk wel heel veel ongekozen functionarissen zijn: de burgemeester, de wethouder van buiten, de niet-gekozen commissieleden, die er nu al zijn, en dadelijk misschien ook een niet-gekozen voorzitter. Zet die grote hoeveelheid ongekozenen geen druk op de democratische legitimatie?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Dat is nou juist het punt van mijn verhaal. Dank dat u dat naar voren haalt. De mening van onze fractie is dat wij voorzichtig moeten zijn met de sterkere toename van ongekozen mensen. Dan komt het punt van de democratische legitimatie uiteindelijk op een andere manier terug.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Kox namens de fractie van de SP.