Plenair Van Hattem bij behandeling Initiatiefvoorstel-Bergkamp, Özütok en Van den Hul over handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond



Verslag van de vergadering van 9 februari 2021 (2020/2021 nr. 23)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.32 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter, dank. Allereerst mijn complimenten aan de initiatiefnemers en de oorspronkelijke initiatiefnemers dat zij dit voorstel tot grondwetswijziging tot de Eerste Kamer hebben gebracht. Helaas voor hen blijft het bij dit compliment, want de PVV-fractie ziet het voorstel toch vooral als volstrekt overbodige symboolwetgeving. En dan ook nog eens symboolwetgeving waarmee een slecht geformuleerd artikel nog slechter wordt gemaakt. Met dit voorstel worden er extra categorieën toegevoegd aan een non-discriminatiebepaling van artikel 1 van de Grondwet.

De initiatiefnemers stellen hiermee dat de betekenis van de Grondwet wordt verhoogd als een document waarin onze rechtsstatelijke waarden zijn vastgelegd, en dat dit ook nog de rol versterkt die de Grondwet kan spelen in het onderwijs en in het maatschappelijk debat. Het is opmerkelijk dat de initiatiefnemers artikel 1 van de Grondwet expliciet tot onderdeel willen maken van het maatschappelijk debat. Toen Pim Fortuyn in 2002 hetzelfde deed, werd hij verketterd en gedemoniseerd door de linkse partijen, met Thom de Graaf van D66 voorop, met een walgelijke vergelijking met Anne Frank.

Diezelfde links partijen, zoals zojuist aangeven bij monde van de heer Koole van de Partij van de Arbeid, hebben in menig raadszaal of provinciehuis artikel 1 van de Grondwet in de huidige vorm aan de muur laten hangen, of in steen laten beitelen zoals in het Grondwetbankje buiten bij het Binnenhof. Daarmee werd uitgedragen dat het een onveranderlijk en onaantastbaar artikel betrof dat zeker niet ter discussie mocht staan. De initiatiefnemers geven nu desgevraagd aan dat artikel 1 van de Grondwet niet onveranderlijk is. Waarom dan u opeens wel dat maatschappelijk debat voeren? Waarom moet dat nu wel worden gevoerd? Wat maakt het nu anders dan in 2002? Graag een reactie.

Waarom kan er nu opeens een hele litanie aan categorieën worden toegevoegd, volgens de initiatiefnemers een maatschappelijke wens die al langer en heviger klinkt? Is er dan ook ruimte voor andere maatschappelijke wensen, als ze maar hevig genoeg klinken? Of is het voor de initiatiefnemers alleen geen taboe als de boodschapper hun bevalt? Met de nu voorgestelde aanpassing wordt in ieder geval niet het gestelde doel bereikt van de verhoogde betekenis van de Grondwet als document waarin onze rechtsstatelijke waarden zijn vastgelegd, integendeel. Door op basis van maatschappelijke ontwikkelingen steeds categorieën toe te voegen worden deze rechtsstatelijke waarden juist fluïde gemaakt, terwijl de oorsprong en de kern van dit grondwetsartikel juist heel helder zijn: het gelijkheidsbeginsel als een van de humanitaire idealen van de Verlichting. Dat is ook duidelijk te zien in de oudere versies van de Grondwet.

Van 1815 tot 1983 sprak onze Grondwet van gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. Daar gaat het in de kern om. Als persoon ben je in beginsel gelijk aan anderen, maar niet alle mogelijke persoonlijke eigenschappen of kwalificaties hoeven in een grondwetsartikel te worden opgesomd. Daartoe strekt nadere wetgeving, in dit geval de Algemene wet gelijke behandeling en artikel 137c Wetboek van Strafrecht. Als de rechtsstatelijke waarden van het gelijkheidsbeginsel verhoogd moeten worden, moet dat juist in de kern benadrukt worden en dus niet door allerlei categorieën te benoemen. Wat de PVV betreft zou het dan ook beter zijn om dit artikel te beperken tot de definitie "iedere Nederlander is voor de wet gelijk".

Voorzitter. Dat het huidige artikel 1 het eerste artikel van de Grondwet is, brengt geen bijzondere status met zich mee. Het is een bestendig beginsel dat er geen rangorde bestaat tussen de grondwetsartikelen. Dat is bij de totstandkoming van de huidige Grondwet ook al als zodanig aangegeven door het toenmalige kabinet bij monde van de minister van Binnenlandse Zaken De Gaay Fortman en desgevraagd nog eens extra bevestigd door de initiatiefnemers van dit voorstel.

De heer Van der Burg (VVD):

"Iedere Nederlander is voor de wet gelijk." Betekent dat wat u betreft dat minister Ollongren exact dezelfde rechten zou moeten hebben als u?

De heer Van Hattem (PVV):

In beginsel wel, ja.

De heer Van der Burg (VVD):

Oké. Dus haar dubbele nationaliteit is voor de PVV geen enkele reden om haar anders te behandelen dan u?

De heer Van Hattem (PVV):

Dat is een andere discussie. Dat iemand van een bepaalde afkomst of met een dubbele nationaliteit een gelijke positie in de Nederlandse samenleving heeft, staat niet ter discussie. Vraag is alleen of iemand een dubbele nationaliteit moet kunnen hebben. Dat is iets wat je bij wet kunt regelen. Als zo'n wet wordt aangenomen, geldt hij ook voor iedereen en is hij voor iedereen gelijk. Dat is een normale legislatieve uitgangspositie. Anders zou je nooit een wet kunnen veranderen.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Wat de heer Van Hattem zegt, puzzelt me een beetje. Ik heb in het verkiezingsprogramma van de PVV gekeken. Daar staat in dat de PVV heel graag in de Grondwet zou willen opnemen: de joods-christelijke en humanistische wortels van onze samenleving. Filosofen zijn het er allemaal over eens dat Joden, christenen en humanisten, zeker de kritische humanisten, vergelijkbare waardenpatronen hebben. Dan zou u toch heel blij moeten zijn dat een gedeelte van uw wens, namelijk dat de joods-christelijke en humanistische traditie in de Grondwet komt, nu al wordt vervuld en zelfs nog rijker? Ik begrijp uw problemen met die toevoegingen aan artikel 1 van de Grondwet dan ook niet. Ik begrijp überhaupt uw problemen met het feit dat er gronden in artikel 1 van de Grondwet staan niet.

De heer Van Hattem (PVV):

Het punt is nou juist dat hiermee geen enkele wens wordt vervuld. Hiermee worden enkel een aantal categorieën toegevoegd waardoor de kracht van zo'n artikel wordt afgezwakt. Je rekt het zover op dat zo'n artikel over het gelijkheidsbeginsel zijn kracht verliest. Het steeds toevoegen van allerlei aspecten maakt dat het juist een complexere discussie wordt. Dit is dus absoluut geen wenselijke toevoeging en geen versterking van het ideaal.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Uiteindelijk is mijn vraag niet beantwoord. In het programma van de PVV staat expliciet dat de joods-christelijke en humanistische traditie opgenomen moet worden in de Grondwet. Nou wordt een gedeelte van de waarden van die traditie opgenomen in artikel 1 en zegt u: dat wil ik niet.

De heer Van Hattem (PVV):

Nu is de heer Verkerk van de ChristenUnie de zaken wel een beetje aan het verdraaien. Hij zegt: een gedeelte van die waarden wordt daarin opgenomen. De heer Verkerk zegt het eigenlijk zelf al: het is maar een gedeelte van die waarden dat zou worden opgenomen volgens de interpretatie van de heer Verkerk. Nee, het gaat om het volgende. De joods-christelijke en humanistische traditie ligt ten grondslag aan onze kernwaarden en normen. Als je die erin opneemt, heb je een duidelijk uitgangspunt. Dan kun je ook iets teweerstellen tegenover verschrikkingen zoals de sharia, die duidelijk in contrast is met onze Grondwet en onze waarden. Maar dat doe je niet door een paar categorieën extra aan te wijzen die al op alle mogelijke manieren beschermd worden.

De voorzitter:

De heer Verkerk tot slot.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Dit is een mogelijke interpretatie. Een nog waarschijnlijkere interpretatie is dat ik niet weet hoe ik het programma van uw partij kan rijmen met joods-christelijke en humanistische waarden.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik kan de uitgangspunten van de ChristenUnie al heel lang niet meer rijmen met de christelijke waarden. Het gaat alle kanten op, het is ver te zoeken.

De heer Kox (SP):

Wat de PVV allemaal aan de Grondwet wil toevoegen, is aan de PVV, dat is haar goed recht. Maar elementair in de kritiek van collega Van Hattem op het nu voorliggende wetsvoorstel is dat de PVV vindt dat artikel 1 moet verdwijnen. Dat is consistent. Wilders zei dat in 2006 en Van Hattem zegt hem dat in 2021 na. Dat is toch waar? Dat zie ik nog steeds goed? Consistent: de PVV zegt "artikel 1, weg ermee".

De heer Van Hattem (PVV):

Zoals ik al zei, kiezen wij ervoor om de huidige definitie, die eigenlijk nogal zwak en onsamenhangend is en die destijds in de Grondwet is gekomen op initiatief van de stalinist Marcus Bakker van de CPN, te vervangen door "iedere Nederlander is voor de wet gelijk". Dat is gewoon een duidelijk beginsel en dan weet iedereen ook waar hij aan toe is. Het doet ook recht aan waar het gelijkheidsbeginsel vandaan komt. Je had van oorsprong de adel die boven de mensen stond en de gewone boerenbevolking die niets te vertellen had. Er was een structurele ongelijkheid tussen mensen en die wordt opgeheven als je zegt: iedereen is voor de wet gelijk in dit land.

De heer Kox (SP):

Zegt collega Van Hattem nu: ja, meneer Kox, u hebt gelijk, de PVV is voor het schrappen van artikel 1?

De heer Van Hattem (PVV):

Het is geen geheim dat wij het huidige artikel 1 gewoon niet goed vinden. Dat mag inderdaad geschrapt worden en vervangen door iets beters. Dat heb ik ook aangegeven.

De heer Kox (SP):

Maar dat betekent dus dat artikel 1, dat zegt dat iedereen voor de wet gelijk is en dat je niet zult discrimineren, op welke grond dan ook, voor de PVV uit de Grondwet zou moeten?

De heer Van Hattem (PVV):

Ik zeg duidelijk dat de huidige definitie eruit moet en door iets beters vervangen moet worden, namelijk: iedere Nederlander is voor de wet gelijk. Dat is een heldere, scherpe definitie. Nu is het een veel te uitgebreid en onduidelijk verhaal dat zo ver uitwaaiert dat er eigenlijk geen peil op te trekken is. Dat kan beter vervangen worden, ja.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Kox (SP):

Iedereen is voor de wet gelijk. Die strekking staat sinds 1815 in onze Grondwet en die staat er nog steeds in: de eerste zin van artikel 1 …

De heer Van Hattem (PVV):

Ja, maar die is in 1983 wel op initiatief van de stalinist …

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Kox.

De heer Kox (SP):

In 1983 is het discriminatieverbod toegevoegd of geëxpliciteerd, zou je kunnen zeggen. Het gebeurde niet op voorstel van onze voormalige collega aan de overkant Marcus Bakker, maar op voorstel van de commissies-Van Schaik, -Cals/Donner en -Biesheuvel en van het kabinet-Biesheuvel en het kabinet-Den Uyl. De enige toevoeging van Marcus Bakker was "of op welke grond dan ook". Die toevoeging nam hij over van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De constructie die collega Van Hattem heeft bedacht om Marcus Bakker de schuld te geven van artikel 1 in de Grondwet is zelfs voor Marcus Bakker iets te veel eer. Vraag blijft: vindt de PVV dat artikel 1 van de Grondwet moet verdwijnen? Van Hattem is natuurlijk een goed discussiant. Hij draait er wat omheen, maar zijn baas Wilders is er altijd duidelijk over geweest: artikel 1 van de Grondwet moet weg. De vraag aan de PVV is dan: als we dat artikel schrappen, wat houden we dan over?

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik heb zojuist al aangegeven wat er moet staan: "Iedere Nederlander is voor de wet gelijk." Dat is gewoon een heel duidelijk uitgangspunt. Dus het huidige artikel van de Grondwet inderdaad schrappen en vervangen door een betere definitie. Meer kan ik er niet van maken voor de heer Kox.

De heer Dittrich (D66):

Ik hoorde de heer Van Hattem zeggen: iedere Nederlander is voor de wet gelijk. Dat zou volgens hem, volgens de PVV, een beter grondwetsartikel zijn. In uw bijdrage, niet alleen vandaag maar ook op andere momenten, waarschuwt u altijd tegen het zogenaamde islamitische gevaar. U haalt er altijd moslims uit en dan gaat u daar allemaal verhalen over vertellen. Dat is dan toch in strijd met wat u nu zelf zegt? Want als iedereen gelijk is voor de wet, waarom pakt u dan de groep moslims eruit?

De heer Van Hattem (PVV):

Daar gaan we al. De heer Dittrich begint al over "het zogenaamde islamitische gevaar". Dat gevaar is niet "zogenaamd", dat ís een gevaar. Laten we de moslimbroeders nemen, die bij een partij als GroenLinks op schoot zitten. Die verkondigen gewoon luid en duidelijk de sharia, en die zeggen gewoon letterlijk: "De vraag is niet óf we homoseksuelen moeten doden, alleen hóe we homoseksuelen moeten doden. Moeten we ze van een flatgebouw af gooien of moeten we ze levend in brand steken?" Zulk soort teksten worden door de moslimbroeders openlijk op de Egyptische televisie verkondigd. Hun navolgers hier in Nederland lopen er blind achteraan en ze volgen daarmee letterlijk ook de teksten van de sharia en de Koran. Dat is het gevaar van de islam. Daar moeten wij vooral op blijven wijzen en dat moeten we onder ogen zien. Dat moet D66 niet gaan afdoen als het zogenaamde gevaar van de islam. Dat is juist een heel concreet gevaar. Daar moeten wij gewoon weerstand tegen bieden. Als PVV zetten wij er alles op in om dat te doen en te blijven doen en om onze samenleving daarvoor te beschermen.

De heer Dittrich (D66):

Dat is dus geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was: als u de formulering hebt "Iedere Nederlander is volgens de wet gelijk", waarom pakt u er dan moslims uit als groep? Dan begint u over de Moslimbroederschap in Egypte. Dat is inderdaad een gevaar, maar daar gaat het hier niet over. We hebben het over de Nederlandse samenleving. 99,9% van de moslims zijn gewoon goede staatsburgers, ze horen bij ons land. Maar u pikt ze eruit en u gaat er een heel verhaal omheen houden dat in strijd is met uw eigen stellingname.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik heb het over de islamitische ideologie, de islam. Daar gaat het om. Die roept op tot zulk soort verschrikkelijke wandaden. Daar moeten we gewoon op blijven wijzen. Dan gaat het er niet om, een bepaalde groep eruit te pikken. Nee, dan gaat het erom, die verschrikkelijke ideologie eruit te pikken, die aan te pakken, daarvoor te waarschuwen en die te bestrijden. We hadden liever gehad dat we D66 daarvoor aan onze zijde zouden vinden, want er is een groot te beschermen belang om dat juist aan te pakken.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik stel voor dat we terugkeren naar het wetsvoorstel. De heer Raven namens de OSF.

De heer Raven (OSF):

Ik hoor de heer Van Hattem zeggen dat wat hem betreft artikel 1 aangepast zou kunnen worden, waarbij het gelijkheidsbeginsel er nog steeds in blijft staan en dat hij zegt dat het discriminatieverbod er wat hem betreft uit mag. Ik vind dat heel opvallend, mede in het licht van het feit dat uw partijleider nog steeds verdachte is in een proces. Gaat u nu tijdens de wedstrijd de spelregels voor uw partijleider wijzigen?

De heer Van Hattem (PVV):

Ik ga het hier niet hebben over een proces en over dat soort zaken, maar als u een beetje had opgelet, mijn collega Martin Bosma heeft dit punt ook gemaakt in de Tweede Kamer. Hij heeft ook letterlijk gezegd: wij zijn ervoor om dit te wijzigen in "Iedere Nederlander is voor de wet gelijk". Dat is het uitgangspunt dat we zowel in de Tweede Kamer uitdragen als hier in de Eerste Kamer. Dat is gewoon een heel helder uitgangspunt en dat heeft niks met een proces of iets te maken en daar ga ik verder geen reactie op geven.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan stel ik voor dat de heer Van Hattem zijn betoog vervolgt.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. Het huidige artikel 1 van de Grondwet brengt, zoals ik net heb gezegd, geen bijzondere status met zich mee. Dat blijkt ook uit de parlementaire Handelingen van 1976/77. Toen is het huidige artikel 1 min of meer toevallig het eerste artikel van de Grondwet geworden door een nieuwe indeling van de Grondwet, waarbij de toenmalige eerste drie artikelen vervielen of verplaatst werden.

Het gelijkheidsbeginsel was tot die tijd artikel 4 en schoof hierdoor op naar artikel 1. Een bijzondere rang of status heeft het artikel dus niet in de Grondwet en zal het met dit initiatiefvoorstel dus ook niet krijgen. Dit wetsvoorstel leidt ook niet tot een structureel hoger niveau van rechtsbescherming. Wat schieten de beoogde categorieën van personen er nu in de praktijk mee op?

In de schriftelijke rond heb ik de initiatiefnemers gevraagd concreet aan te geven welke effectieve consequenties dit voorstel heeft voor de intrinsiek discriminatoire haatideologie van de islam en de Koran, die in het bijzonder personen met een homoseksuele gerichtheid discrimineert. Daar is geen direct antwoord op gegeven, en dat is juist het grote probleem. De islam is hier de grote olifant in de kamer. De islam trekt zich helemaal niets aan van onze Grondwet en past de sharia als een parallel rechtsstelsel toe. De overlevering van hun profeet Mohammed is immers als onbetwistbaar en onveranderlijk neergelegd in deze shariaregels en andere geschriften. Westerse grondrechten en mensenrechten worden niet geaccepteerd in de wereld van de islam, maar gaan met name uit van de Cairo Declaration van de OIC en de Universele Islamitische Verklaring van Mensenrechten.

In beide verklaringen wordt benadrukt dat de genoemde mensenrechten volledig ondergeschikt zijn aan de sharia. In de sharia zelf is nadrukkelijk opgenomen dat op homoseksuele handelingen niets minder dan de doodstraf staat. Islamitische schurkenstaten als Iran voegen hier in de praktijk ook de daad bij het woord. Maar ook in Nederland krijgt de sharialeer haar beslag in geïslamiseerde wijken. Een haatimam als Fawaz Jneid spuwt geen druppel minder islamitische gal met zo'n extra categorie in de Grondwet.

In mijn eigen gemeente 's-Hertogenbosch werd een transgender de wijk uit getreiterd door islamitisch straattuig.

De heer Kox (SP):

Collega Van Hattem ziet niks in de Islamitische Verklaring van de Rechten van de Mens, begrijp ik. Ik zie daar ook weinig in. Ik begrijp dus dat collega Van Hattem blij is dat we het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat is weer een ander verhaal. Daar heb ik het ook niet over. Dat het ene slecht is, wil nog niet zeggen dat het andere meteen goed is. Ik stel alleen vast dat de islamitische landen hun eigen islamitische mensenrechtenverklaring hebben opgesteld en die is volledig ondergeschikt aan de sharia.

De heer Kox (SP):

Collega Van Hattem en de andere collega's hebben heel veel kennis van wat er allemaal elders op de wereld gebeurt. Mijn vraag was, als collega Van Hattem zo afgeeft op een mensenrechtenverklaring die door een islamitische organisatie is opgesteld, is hij dan voorstander van het EVRM? Want in het EVRM staat in artikel 14 een non-discriminatiebepaling die vrijwel vergelijkbaar is met de onze, inclusief de op welke grond dan ook-bepaling. Is het nou zo moeilijk om te antwoorden: "Ja, ik ben blij dat we het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben"?

De heer Van Hattem (PVV):

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is een heel andere discussie. Daar worden we op veel punten ook niet vrolijk van. Daar hebben we namelijk helemaal niet zo'n eurofiele instelling en zo'n eurofiel verdrag voor nodig om bepaalde mensenrechten te kunnen honoreren, want mensenrechten zijn veel ouder dan die Europese Verklaring voor de Rechten van de Mens. Die zijn al ontwikkeld in de periode van de Verlichting, vanaf de achttiende eeuw. Het EVRM is er helemaal niet voor nodig om dat te kunnen respecteren, dus het EVRM is vooral een instrument waar linkse broeders zoals de SP dol op zijn om dat politiek te pas en te onpas te gebruiken. Wat de PVV betreft is het EVRM geen noodzakelijk uitgangspunt.

De voorzitter:

Meneer Kox, tot slot.

De heer Kox (SP):

Het EVRM bestaat al lang, langer dan mijn partij die binnenkort 50 jaar wordt. Maar het EVRM is niet door linkse jongens opgesteld. Het is opgesteld als reactie op de gruwelen van het nationaalsocialisme en is een vertaling naar dwingend recht van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Onze collega Van Hattem gebruikt heel veel woorden, maar wat hij zegt, is: "Schaf artikel 1 van de Grondwet af, dat vinden wij als partij". Dat mag, je mag alles vinden in dit land, en: "Schaf ook het EVRM af, want dat is iets wat leuk is voor linkse jongens als Tiny Kox maar dat zien wij niet zitten". Geef die helderheid nou, dan weten mensen waar we aan toe zijn met de PVV: als de PVV de baas in dit land wordt, schrappen wij artikel 1 van de Grondwet, schrappen wij het non-discriminatieverbod en maken wij een einde aan het EVRM. Zeg dat nou gewoon duidelijk. Wilders wil altijd zo duidelijk zijn, maar u maakt er hier toch wel een erg groot vaag verhaal van.

De voorzitter:

Meneer Van Hattem, tot slot.

De heer Van Hattem (PVV):

De heer Kox kan mij veel verwijten, maar niet dat ik niet duidelijk ben. Ik ben net heel duidelijk geweest over hoe wij denken over artikel 1 van de Grondwet.

De heer Kox (SP):

En het EVRM?

De heer Van Hattem (PVV):

Dat EVRM kun je niet op zichzelf zien. Daar hangt nog een hele club aan vast. Daar hangt ook een Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan vast dat over onze rechtspraak gaat, dat ons allerlei regels oplegt waar wij echt absoluut niet in mee willen gaan. Daar moeten we op de eerste plaats van af. Van dat EHRM, dat Europees Hof voor de Rechten van de Mens moeten we af. We moeten over onze eigen wetten en regels gaan. Nederland moet sowieso uit de Europese Unie en we moeten ook af van dat EHRM, inderdaad.

De heer Koole (PvdA):

Ik wilde toch terug naar artikel 1 van de Grondwet. De heer Van Hattem heeft net gezegd dat hij dat wil afschaffen, maar hij zegt ook dat hij vindt dat artikel 1 zou moeten luiden: alle Nederlanders hebben gelijke rechten, zijn voor de wet gelijk. Als de heer Van Hattem zegt dat alle Nederlanders voor de wet gelijk zijn, is mijn eerste vraag aan hem of dat ook voor islamitische Nederlanders geldt. Mijn tweede vraag is naar aanleiding van zijn opmerking over symboolpolitiek en over de leuzen die de linkse partijen in gebouwen hadden opgehangen, namelijk artikel 1 als leuze in gebouwen. Dat is te veel eer voor de linkse partijen, denk ik, want dat werd breed gedragen en niet alleen door linkse partijen. Maar wat is er tegen het feit dat je iets gebruikt als een belangrijk symbool? Bijvoorbeeld het idee van gelijkheid voor de wet is in zichzelf al van waarde, maar heeft ook nog symbolische waarde. Wat is erop tegen om dat uit te dragen?

De heer Van Hattem (PVV):

Het is eigenlijk heel eenvoudig. Zoals ik net aangaf, hebben de artikelen van de Grondwet geen rangorde. Door artikel 1 van de Grondwet een hogere status te geven, bijvoorbeeld door het op te hangen in een raadszaal, in een provinciehuis of door het in een Grondwetbank te beitelen, geef je het een hogere status dan een ander grondwetsartikel dat zowel volgens de bedoeling van de wetgever als in de praktijk niet het geval hoort te zijn. Daar moeten we vanaf. De heer Koole komt dus nu al met het afschaffen van artikel 1 van de Grondwet. Nee, artikel 1 is slechts een nummering van bepaalde grondrechten en die grondrechten staan dus op gelijke voet. Wat mij betreft is het recht van vrijheid van meningsuiting evenveel waard. En zo is het ook geregeld in de Grondwet. Daar moet u gewoon van uitgaan en niet op deze manier artikel 1 een hogere status geven door het bijvoorbeeld aan de muur te hangen.

De heer Koole (PvdA):

Ik hoor dat de heer Van Hattem zegt dat ook de vrijheid van meningsuiting evenzeer een belangrijk grondrecht is. Daar is de PvdA het mee eens. Zou de heer Van Hattem het fantastisch vinden als de vrijheid van meningsuiting als leuze in gebouwen zou staan, net zoals dat met artikel 1 het geval is? Ze zijn gelijk, maar wat zou daarop tegen zijn? Ik stel die vraag omdat het gaat over de symboolwerking van artikelen uit de Grondwet. Het is niet alleen artikel 1. Dat staat overigens niet voor niks nummer één. Het is niet toevallig omdat er bij die grondwetsdiscussie in de jaren zeventig drie werden weggeschoven en de vierde boven kwam drijven. Er is bewust voor gekozen om dit artikel op de eerste plaats te zetten, niet omdat het meer is, maar wel omdat dat het verhaal is dat wij als Nederland willen vertellen: in Nederland is iedereen voor de wet gelijk. Mijn vraag geldt nog en die herhaal ik nog maar even aan de heer Van Hattem: dat geldt toch ook voor islamitische Nederlanders? Die zijn toch ook, net als elke andere Nederlander, voor de wet gelijk?

De heer Van Hattem (PVV):

Voor de wet gelijk, inderdaad. Maar om even terug te komen op het punt van de artikelen van de Grondwet: het is wel degelijk in de parlementaire Handelingen van 1976/1977 terug te vinden dat dit artikel toen louter op basis van het verschuiven van bepaalde artikelen artikel 1 is geworden. Dat is destijds ook door De Gaay Fortman zo bevestigd. Naar aanleiding van deze discussie die u voert met de vraag of ik artikel 7 of wat dan ook aan de muur zou willen hangen van een zaal, is mijn antwoord: nee, daar ben ik geen voorstander van. Deze discussie heb ik onlangs ook mogen voeren in de gemeenteraad van Den Bosch. Daar werd ook voorgesteld om bij de verbouwing van de raadszaal artikel 1 van de Grondwet groot aan de muur te hangen. Dat werd op initiatief van de linkse partijen gedaan. Toen heb ik ook aangegeven: die wetten zijn aan elkaar gelijk; er zit geen rangorde in. Als je in een raadszaal al een artikel van de Grondwet aan de muur hangt, dan is het artikel 125 van de Grondwet: de raad is het hoogste orgaan. Dat moet je dan goed in het zicht van het college hangen, zodat het daar altijd rekening mee kan houden. Een ander artikel hoort niet thuis aan de muur van een raadszaal of waar dan ook. Daarmee doe je andere artikelen van de Grondwet onrecht. Het is juist van belang om alle grondrechten op een gelijkwaardige manier neer te kunnen zetten.

De voorzitter:

Meneer Koole, tot slot.

De heer Koole (PvdA):

Ik denk dat ik het niet eens zal worden met de heer Van Hattem, want grondwetten hebben behalve inhoudelijke ook symbolische waarde, net zoals bijvoorbeeld de Nederlandse vlag symbolische waarde heeft. Die is op grond van onder meer de PVV in de Tweede Kamer geplaatst vanwege de symbolische waarde. Symbolen zijn belangrijk. Grondwetten hebben behalve de inhoud ook die symbolische waarde en het is jammer dat de heer Van Hattem dat niet inziet.

De heer Van Hattem (PVV):

De Nederlandse vlag heeft absoluut een symbolische waarde en is daarom inderdaad in de zaal van de Tweede Kamer geplaatst. Maar bijvoorbeeld een EU-vlag — hier hebben ze die ook op de schouw geschilderd — heeft ook een symbolische waarde. Daarom vind ik dat die hier ook niet thuis zou moeten horen. Als hier al iets thuishoort, zijn het onze nationale symbolen, die hoger moeten staan. Maar de Nederlandse vlag is geen onderdeel van de grondrechten in onze Grondwet. Daarmee zeggen we eigenlijk: de Nederlandse vlag staat op een heel ander niveau dan die grondrechten. Die grondrechten zijn nevengeschikt.

De voorzitter:

Ik ga u nu vragen om eerst uw betoog af te ronden voordat we nog interrupties toestaan. Anders lopen we te veel uit de tijd. Gaat uw gang.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. Ik had het zojuist al over mijn eigen gemeente 's-Hertogenbosch. Daar werd een transgender de wijk uit getreiterd door islamitische straattuig. Vuurwerk en hondenpoep door de brievenbus, scheldpartijen, mishandelingen en bedreigingen: allemaal vanwege een seksuele gerichtheid die door de islam verboden is. In plaats van dit shariatuig aan te pakken, was deze persoon voor diens eigen veiligheid genoodzaakt om te verhuizen naar een niet-geïslamiseerde wijk. Dus kunnen de initiatiefnemers aangeven hoe dergelijke gevallen structureel beter beschermd worden met dit artikel? Of zou het niet eens hoognodig tijd zijn om te gaan de-islamiseren?

Voorzitter. Dan de categorie personen met een handicap. Terwijl statushouders met voorrang sociale huurwoningen toegewezen krijgen, waar via de Huisvestingswet door de overheid strikt op wordt toegezien — desnoods kunnen woningen gevorderd worden om de huisvesting te regelen — vissen mensen met een handicap vaak achter het net. Voor hen geen met voorrang gevorderde woningen, maar vaak een lange wachtlijst. Zo was afgelopen december in BN DeStem nog de trieste noodkreet te lezen van de dochter van de 71-jarige Henk uit Gilze-Rijen. Deze man heeft jarenlang zelf mantelzorg verleend aan zijn vrouw, maar is nu door bloedkanker en een dwarslaesie zelf bedlegerig geworden. Hij kon hierdoor de trap niet meer op om boven in zijn badkamer te gaan douchen. Weliswaar had hij een urgente verhuisverklaring gekregen, maar voor aangepaste woningen was bij de woningstichting een wachtlijst van een jaar en de gemeente weigerde aanpassingen te doen in zijn huidige woning. Hierdoor was deze gehandicapte man al maandenlang niet meer normaal onder de douche geweest. Van de instanties kregen zij botweg te horen: zet hem maar buiten onder de tuinslang. Een letterlijk citaat.

Voorzitter, schandalig! Na deze noodkreet in de krant bleken er nog meer van soortgelijke gevallen in deze gemeente te zijn. Een dame had al een halfjaar niet meer gedoucht en een andere dame zelfs anderhalf jaar niet meer. Pas na dit krantenartikel heeft de gemeente alsnog voor tijdelijke aanpassingen gezorgd. Maar het blijft discriminatie van personen met een handicap, die op een lange wachtlijst komen voor een woning ten opzichte van statushouders die direct een woning van de overheid cadeau krijgen. Kunnen de initiatiefnemers reflecteren hoe hun voorstel deze discriminatie kan stoppen? Betekent dit een einde aan de discriminerende spoedtoewijzing aan statushouders?

Voorzitter, ter afsluiting. De Grondwet zou sober en duidelijk moeten zijn. Zo suggereert ook de Raad van State in zijn advies. Met het toevoegen van extra categorieën, die vooral het product zijn van politieke willekeur, bewijzen we onze burgers en de rechtsstaat geen dienst. In plaats van met symboolwetgeving te deugpronken, kunnen we beter werk maken van het effectief aanpakken van de betreurenswaardige toestanden die mensen met een handicap overkomen. Dus ook meer geld en aandacht voor de zorg en het tegengaan van het grootste gevaar voor de gelijkheid van seksuele gerichtheid: de islamisering. Dan bewijs je de samenleving pas echt een dienst.

Voorzitter, tot zover in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Dan is het woord aan de heer Rombouts namens de fractie van het CDA. De heer Verkerk heeft nog een korte interruptie.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

De heer Van Hattem ging net heel kort in op de vraag van de heer Koole, maar ik zou het graag nog even scherper willen krijgen. U stelt voor dat in artikel 1 komt dat alle Nederlanders gelijk behandeld worden, of een formulering op die manier. Nou, dat is al een inperking in vergelijking met het verleden. Laten we maar hier achter mij kijken. Daar gaat het over ingezetenen en vreemdelingen. Maar stel dat ik even met u meedenk en we praten dan over Marokkaanse Nederlanders of Turkse Nederlanders, met welke religieuze achtergrond ze ook hebben. Vindt u dat die allemaal gelijk zijn in Nederland en op basis van uw formulering gewoon gelijke rechten moeten krijgen?

De voorzitter:

Meneer Van Hattem, graag een kort antwoord.

De heer Van Hattem (PVV):

Daar kan ik heel kort over zijn: iedere Nederlander is voor de wet gelijk en als het Nederlanders zijn, zijn ze voor de wet gelijk. Zo simpel is het.

De voorzitter:

Dank u.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Oké. Maar dat betekent dus ook dat als de PVV zou vinden dat er minder mensen in Nederland moeten wonen, dat dat geldt voor alle Nederlanders, onafhankelijk van hun achtergrond. Dus als de PVV emigratie gaat bevorderen, geldt dat voor alle Nederlanders, onafhankelijk van hun religie of hun oorspronkelijke afkomst?

De heer Van Hattem (PVV):

Als het gaat om regels rond migratie, immigratie, emigratie of remigratie, wordt dat in aparte wetten geregeld en op basis van die wetten wordt iedereen gelijk behandeld conform die wetgeving. Dus het uitgangspunt blijft altijd dat iedereen voor de wet gelijk is, maar die wet kan natuurlijk wel op bepaalde manieren geregeld worden.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Verkerk, tot slot.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Dan kan ik alleen maar constateren dat u tegen uw eigen partijprogramma ingaat en daar ben ik heel blij mee. Ik dank u wel.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. De ChristenUnie gaat al heel lang tegen haar eigen christelijke beginselen in door onze samenleving te laten islamiseren, door het christendom te verloochenen en door uw christelijke kiezers, uw christelijke achterban, eigenlijk in de steek te laten door hierin mee te gaan.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Rombouts namens de fractie van het CDA.