Plenair Veldhoen bij behandeling Wijziging van de Mediawet 2008



Verslag van de vergadering van 2 februari 2021 (2020/2021 nr. 22)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 9.03 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Veldhoen i (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Het is nog maar kort geleden dat we met elkaar debatteerden over de Mediawet. Dat was een mooi debat, waarbij we ook stappen hebben kunnen zetten voor het verder versterken van de publieke omroep in deze roerige tijden. Tijdens dit debat hebben we ook stilgestaan bij het belang en de waarde van onafhankelijke media. Hierbij is afschuw uitgesproken over het feit dat we steeds vaker zien dat journalisten in hun werk worden belemmerd. Dat belemmeren heeft inmiddels nog beangstigender vormen aangenomen. We hebben vorige week kunnen zien hoe journalisten tijdens rellen zijn aangevallen en zelfs met stenen bekogeld. Er hebben al 34 journalisten melding gemaakt van bedreiging, mishandeling en intimidatie bij platform PersVeilig. Vreselijke cijfers. Ik wil hierover namens mijn fractie onze afschuw uitspreken in de hoop en, deze minister enigszins kennende, de terechte verwachting dat hij dat als minister voor Media ook doet, en wel in de sterkst mogelijke bewoordingen. Ook horen wij graag of en zo ja, welke maatregelen de minister gaat nemen om de vrije pers te beschermen.

Dan naar het onderwerp van vandaag. We bespreken vandaag met elkaar een aantal wijzigingen van de Mediawet en de novelle. Mijn fractie is over een aantal elementen in deze wet positief. Daar zal ik dan ook kort over zijn. Wij steunen de wijzigingsvoorstellen ten aanzien van de governance. Het zijn terechte aanscherpingen van de benoemingsprocedures voor leden van de raden van toezicht en bestuurders van de diverse in de wet genoemde organisaties. Het is goed dat de minister meer op afstand wordt geplaatst en ook dat benoemingsprocedures meer in overeenstemming worden gebracht met de algemene beginselen van good governance.

Ook over de novelle kan ik kort zijn: die steunen wij, met hulde aan de collega's die zo scherp waren om over het gewijzigde amendement-Aartsen/Van der Molen advies aan de Raad van State te vragen. Daarmee is het belang van de Eerste Kamer maar weer eens onderstreept.

Tot zover het goede nieuws. Er zijn twee elementen waar mijn fractie kritisch op is. Ten eerste is dat op de nieuwe dienstentoets. Een tweede punt van kritiek — ik denk dat de minister dat wel voelt aankomen — gaat over het wetgevingsproces. Daar wil ik wat langer bij stilstaan, juist in deze tijd, waarin het belang van zuiverheid van handelen en informatieverstrekking van de regering meer dan ooit onze aandacht heeft.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel over de toekomst van de publieke omroep, eind vorig jaar, heb ik in mijn bijdrage stilgestaan bij de noodzaak om de publieke omroep financieel en juridisch zodanig te ondersteunen dat de positie van de publieke omroep in het internationale krachtenveld wordt versterkt. Een centraal element daarin is wendbaarheid. Wendbaarheid is nodig om te kunnen concurreren met andere spelers op de mediamarkt. Mijn fractie heeft daarom zorgen over de verzwaarde dienstentoets. Met de voorgestelde procedure voor instemming van de minister met een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal van de landelijke publieke omroep wordt de flexibiliteit naar het oordeel van mijn fractie eerder geringer dan groter. Ik heb een aantal concrete vragen aan de minister. De stappen die de regering aan de bestaande procedure toevoegt, zijn op grond van Europese regelgeving niet vereist. De vraag rijst dan waarom hiervoor toch gekozen is. Welk probleem meent de minister met het aanpassen van deze procedure op te lossen? Waaruit volgt de noodzaak om de ACM een markteffectanalyse te laten uitvoeren?

Er komt een extra moment binnen een termijn van vier weken, waarop belanghebbenden hun zienswijze naar voren kunnen brengen, terwijl ook aan het einde van de procedure een termijn van zes weken wordt gehanteerd. Waarom moet dit op twee momenten? Wat is de ratio hierachter? Of heeft de minister hiermee willen tegemoetkomen aan wensen van andere belanghebbenden in dit veld? Wat maakt dat de minister denkt dat de procedure met deze twee extra stappen in zes maanden kan zijn afgerond, terwijl in de praktijk is gebleken dat het nu al zonder deze verzwaarde stappen minimaal een jaar en in een enkel geval zelfs twee jaar duurt voordat de minister een besluit heeft genomen? Wat maakt dat de minister nu verwacht dat de verzwaarde toets sneller plaatsvindt dan de huidige? Graag een reactie.

De NPO en de omroepen hebben erop gewezen dat de nieuwe dienstentoets leidt tot meer regeldruk en bureaucratie, en minder wendbaarheid. De minister antwoordde daarop dat er altijd ruimte zal zijn voor experimenten. Maar toen wij daarop doorvroegen, zei de minister dat de experimenteerbepaling niet kan worden ingezet om vooruitlopend op een aanvraagprocedure alvast te starten met een volwaardig aanbodkanaal. Tegelijkertijd zegt de minister dat als het experiment succesvol blijkt, de omroep ervoor kan kiezen om het aanbodkanaal voort te zetten. Mijn vraag is wat nu de werkelijkheid is. Kan de publieke omroep bij wijze van experiment met een nieuw aanbodkanaal starten, dan een aanvraag doen en als er toestemming is, het aanbodkanaal voortzetten? Of kan dat niet? Graag een concreet antwoord van de minister.

Nu kom ik bij een voor mijn fractie wezenlijk pijnpunt, namelijk de manier waarop de regering heeft gecommuniceerd over de wijziging van artikel 248a van de Mediawet. Hierdoor komt de indexering van de Ster-inkomsten te vervallen. Het begint ermee dat deze wijziging in de memorie van toelichting zat verstopt onder het kopje "overige technische wijzigingen". Dat is mijns inziens al niet terecht: deze wijziging is een verandering van de begrotingssystematiek met substantiële gevolgen. Alleen al daarom is het geen "overige technische wijziging". Vervolgens wordt in de memorie van toelichting gezegd dat de wijziging een verduidelijking is, terwijl het amendement-Van Dam, waarop dit artikellid is gebaseerd, in mijn optiek glashelder was: zowel de rijksmediabijdrage als de Ster-inkomsten moesten geïndexeerd worden.

Vervolgens wordt ook nog gemeld dat een dergelijke bedoeling niet expliciet door de wetgever zou zijn toegelicht. Maar ook dat is niet juist; het staat immers letterlijk in die toelichting. Ik citeer wat er staat: "Het gaat dus, voor alle duidelijkheid, om de middelen die het Rijk ter beschikking stelt middels de mediabegroting, die ingevuld wordt door de rijksmediabijdrage én de inkomsten van de Ster." De memorie van toelichting voldoet hiermee in mijn optiek niet aan de vereiste van zorgvuldigheid. Tijdens het debat in de Tweede Kamer heeft de minister steeds herhaald — en dit zijn letterlijk zijn woorden — dat "het volslagen duidelijk" was dat indexering alleen over de rijksmediabijdrage moest plaatsvinden. Het was alleen een kwestie van de wet zodanig aanpassen dat het voor iedereen duidelijk zou zijn.

Maar zijn lezing was op dat moment volgens mij níét volslagen duidelijk. Er was juist onduidelijkheid. Er werd op dat moment immers door de omroepen en de NPO over precies dat onderwerp geprocedeerd. Dat die procedure liep, werd tijdens de hele behandeling in de Kamer niet genoemd, althans ik heb er geen vermelding van kunnen vinden. Ik begrijp ook dat de minister tijdens dat debat wel moest volhouden dat het slechts een technische verduidelijking was. Er liep immers een procedure, en toegeven dat het een inhoudelijke wijziging was, zou zijn procespositie ondermijnen. Maar mijn vraag is: is dat zuiver? Inmiddels heeft de rechtbank Midden-Nederland onherroepelijk geoordeeld dat de bepaling duidelijk is en dat beide bedragen geïndexeerd dienen te worden. De minister heeft in reactie op vragen van de commissie naar aanleiding van die uitspraak ook eindelijk gezegd dat het onderhavige wetsvoorstel op dit punt inderdaad geen verduidelijking was, maar een wijziging. Maar wat betekent dit nu? Betekent dit dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de Tweede Kamer niet juist geïnformeerd is? In ieder geval is het debat daar niet op zuivere gronden gevoerd. Het is niet gegaan over de eigenlijke vraag of wij akkoord gaan met een bezuiniging op de publieke omroep door die indexering eraf te halen, terwijl die juist bedoeld was om de continuïteit van financiering te borgen. Want onder de streep is dat natuurlijk wel waar het over gaat. De indexering van Ster-inkomsten gaat jaarlijks over enkele miljoenen en op de langere termijn misschien wel over 25 miljoen euro, een bedrag waar heel wat mooie programma's van gemaakt kunnen worden.

De minister stelt in de nota naar aanleiding van het verslag dat de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland niet betekent dat er meer middelen beschikbaar komen. Dat is natuurlijk opvallend, want had de minister het amendement-Van Dam juist geïnterpreteerd, dan was van aanvang af duidelijk geweest dat dit betekende dat er juist geld bij moest. Dat was nu net de bedoeling. De rechtbank oordeelt ook dat artikel 248a van de Mediawet een eigen regime kent om het mediabudget vast te stellen. De minister heeft dat budget niet gereserveerd, omdat hij de wet te eng interpreteerde. Maar dat er geen budget is, kan natuurlijk geen argument zijn om de wet een bepaalde kant op te duwen. Dat is de omgekeerde wereld.

De conclusie van mijn fractie is dat dit wetgevingsproces in staatsrechtelijk opzicht niet goed is gegaan. De regering is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de wet en de regering heeft aan beide Kamers een onjuiste onderbouwing gegeven van het wijzigingsvoorstel. Staatsrechtgeleerde professor Bovend'Eert komt tot de snoeiharde conclusie dat de regering de beide Kamers der Staten-Generaal hiermee op het verkeerde been heeft gezet. Is de minister het eens met deze conclusie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de minister doen om dit te repareren? De vraag is immers of er bij dit wetsvoorstel sprake is van een behoorlijke onderbouwing en een zuivere motivering, zodanig dat de beide Kamers zich een afgewogen oordeel hebben kunnen vormen. Bovend'Eert concludeert dat de vereiste zorgvuldigheid in de toelichting niet in acht is genomen en ik ben dat met hem eens, zoals ik al heb toegelicht.

Terug naar "wat nu?" De vraag is of dit de minister aanleiding geeft om terug te keren naar de Tweede Kamer. Ik doe namens mijn fractie een concreet voorstel. Is de minister bereid om dit artikel niet in werking te laten treden maar bij de eerstvolgende wijziging van de Mediawet alsnog mee te nemen, waarbij de toelichting wordt aangepast en er een inhoudelijk debat wordt gevoerd, zodat de Tweede Kamer zich alsnog kan beraden over deze inhoudelijke herziening van de wijze van financiering van de NPO? In de optiek van mijn fractie is dit het enige staatsrechtelijk juiste wat de minister kan doen om de zuiverheid van het proces te herstellen en op die manier ook de rechtszekerheid en het vertrouwen in overheidshandelen te dienen.

Ik zal afronden. Het is duidelijk dat de regering niet gelukkig was met het amendement-Van Dam. Het staat de regering dan natuurlijk vrij om een wijzigingsvoorstel te doen, maar laten we ervoor waken dat we met elkaar debatteren op basis van zuivere argumenten, dat we het beestje bij de naam noemen en geen eufemistische aanduidingen gebruiken om de inhoudelijke discussie uit de weg te gaan. Ik meen dat wij hier in deze Kamer vanwege onze staatsrechtelijke rol scherp op moeten zijn. Wij moeten staan voor een ordentelijk wetgevingsproces en het is aan ons als Kamer om al dan niet gevolgen te verbinden aan de onjuiste interpretatie en toelichting bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Dat is de reden waarom ik hier zo uitgebreid bij stilsta.

Ik wacht de antwoorden van de minister graag af.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Veldhoen. De heer Van Kesteren namens de PVV.

De heer Ton van Kesteren i (PVV):

Mevrouw Veldhoen merkt terecht op dat de minister de persvrijheid moet beschermen. Mijn vraag aan mevrouw Veldhoen is of zij daar ook de informatievoorziening via social media onder verstaat. Dan denk ik aan nieuwsblogs van bijvoorbeeld Joost Niemöller, die vaak worden gedefinieerd als desinformatie. Verstaat mevrouw Veldhoen onder bescherming van de vrije pers ook bescherming van informatievoorziening via social media?

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Het lijkt mij evident dat de vrijheid van meningsuiting voor iedereen geldt en dat de minister daarvoor moet staan. Dus dat geldt voor allerlei uitingen, waarbij de begrenzing natuurlijk ligt als er andere rechten in het geding komen of als er strafbare gedragingen plaatsvinden. Maar in principe moet de minister staan voor vrijheid van meningsuiting.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Dus als ik u goed beluister, mevrouw Veldhoen, zeg ik via de voorzitter, dan pleit u hier niet alleen voor de publieke omroep als het gaat om die persvrijheid maar ook wel degelijk voor de informatievoorziening via social media?

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Informatievoorziening via sociale media, ja, maar met de begrenzing die ik zojuist noemde, dus de grenzen die er gelden voor eenieder.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Kesteren namens de fractie van de PVV.