Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Doornhof bij debat over het eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel, het eerste deel van de kabinetsreactie, de uitvoering van de motie-Schalk c.s. en de met de regering gevoerde correspondentie over dit onderwerp



Verslag van de vergadering van 4 februari 2020 (2019/2020 nr. 19)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 23.39 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Mij past natuurlijk bescheidenheid nu ik net mijn maidenspeech heb afgeleverd. Om dan te gaan denken dat je wel even kunt reflecteren op zo'n heel debat, zou misschien meteen een verkeerd signaal zijn. Toch heb ik dat eigenlijk wel gedaan toen het ging om de voorbehandeling in de commissie. Daarvan heb ik gezegd dat het een toonbeeld van gestructureerd en zorgvuldig bezig zijn was. En nu ga ik toch maar een beetje op het hele debat reflecteren, voorzitter. En toch denk ik — dan doe ik het maar een beetje, voorzitter — op basis van het debat sinds vanmiddag dat we dat ook wel hebben proberen te doen. Ik denk dat dat ook gelukt is, gelet op hoe het debat hier plenair is verlopen. Over de oplossingen kun je echt van mening verschillen. Dat heeft de minister ook goed naar voren gebracht. Maar het is natuurlijk ook wel weer hoopgevend dat de meningen over de probleemanalyse veel minder uiteenlopen, met name waar het gaat om de tekortschietende inhoudelijke representatie.

Voorzitter. Dank aan de minister. Hij heeft uitvoerig de tijd genomen en heel rustig uitgelegd wat er schuilgaat achter de beweegredenen van de regering. Wat mijn fractie betreft heeft hij er ook voor gezorgd dat we weer wat meer ordentelijk bezig zijn. Misschien mag ik het zo formuleren. Voor ons gevoel werken we nu weer wat meer in een logische volgorde, omdat ook de Eerste Kamer haar zegje heeft kunnen doen. Dat geeft misschien wat meer politieke legitimiteit, even los van het staatsrechtelijke aspect, om verder te gaan met de aanbevelingen van de staatscommissie.

Voorzitter. Ik moet ook even tussendoor zeggen dat dit natuurlijk wel bijzonder is. We spreken over staatkunde en over staatsrecht. Dat deed ik bij mijn maidenspeech in aanwezigheid van mijn oude leermeesters in Leiden, Cliteur en Koole. U begrijpt dat dat ook weer wat extra spanning met zich meebracht bij die maidenspeech.

Voorzitter. Eén punt in de richting van de minister, als dat mag. Ik heb ook wel nadrukkelijk willen vragen naar de koppeling tussen enerzijds het toch wat beperken, als ik het zo mag zeggen, van onze macht bij de grondwetsherziening — daar ziet ook dat conceptvoorstel op — en anderzijds het voorstel van de staatscommissie om ons een terugzendrecht te geven. Meerdere collega's hebben daarover gesproken. Even los van de vraag of je die voorstellen apart zou moeten behandelen of zo integraal mogelijk, wil mijn fractie toch wel aparte aandacht vragen voor die samenhang.

Als het gaat om de inhoudelijke moties moet ik misschien een soort van expliciete winstwaarschuwing afgeven. Ik heb dat impliciet al gedaan in mijn eerste termijn door te zeggen: we kunnen slechts wat schoten voor de boeg geven, want staatsrechtelijk zijn we inderdaad pas aan bod als de Tweede Kamer en de regering hun zegje hebben gedaan. Misschien moet ik toch even materieel iets zeggen over de motie van professor Cliteur — zo blijf ik hem kennelijk dan toch noemen — waar het gaat om de vraag of het goed is als de zwaartekracht te veel doorschiet naar de rechterlijke macht. Het antwoord daarop is nee. Ik vind het wat lastig om daar op basis van dat enkele arrest van Urgenda nu een soort van normatieve uitspraak over te doen. Het gaat uiteindelijk om balans. Doorschieten naar de andere kant is ook niet goed. Daar heeft collega Kox ook goed op gewezen in de richting van de PVV-fractie, daar waar het ging om haar voorstel.

Het is natuurlijk wel zo dat we hebben gezegd: bij de vraag of je over moet gaan tot constitutionele toetsing moet je wel oog hebben voor het tegenargument dat door staatscommissie ook echt naar voren wordt gebracht, namelijk dat wij als wetgever uiteindelijk wel democratisch gelegitimeerd zijn. Dat geef ik dan wel toe in de richting van de heer Cliteur. Zoals het nu gaat, is dat een goed argument om te zeggen: wij gaan ook zelf over de vraag of een wet al dan niet voldoet aan de Grondwet. Dan kom ik ook weer bij de heer Schalk terecht, want dan zou je kunnen zeggen: dan moet je die rol ook uiterst serieus nemen. Ik zit natuurlijk pas een paar maanden in deze Kamer, dus mij past weer bescheidenheid, maar ik heb toch het idee dat de notie van rechtmatigheid, die toch een van die drie formele criteria is, hier daadwerkelijk aanwezig is. Dat kan een versterking mogelijk hebben. Wat mijn fractie betreft is het slim om daarover door te praten.

Voorzitter, mijn laatste punt — tenzij de heer Schalk eerst iets wil zeggen.

De heer Schalk (SGP):

Met mijn inbreng rondom dat thema heb ik absoluut niet willen zeggen dat we hier geen aandacht voor dit onderwerp hebben, maar dat er momenten zijn en een aantal wetsvoorstellen zijn genoemd waarbij dat juist onvoldoende gebeurt. Ik ben het dus helemaal eens met de heer Doornhof als hij zegt: ik merk juist dat er heel goed op gelet wordt. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar laten we ook bij die onderwerpen waarbij we het hebben laten lopen eerlijk in de spiegel kijken en bezien op welke wijze we de Eerste Kamer in de toekomst nog beter tot haar recht kunnen laten komen.

De voorzitter:

Gaat u door, meneer Doornhof. U bent inmiddels wel door uw spreektijd heen, dus misschien wilt u tot een afronding komen.

De heer Doornhof (CDA):

Ja. Ik dank de heer Schalk voor zijn toelichting. Hij vindt de CDA-fractie aan zijn zijde.

Dan echt een laatste punt, voorzitter. Dat gaat over het procedurele punt dat de motie van collega Vos betreft. Op dat punt hoor ik ook graag een antwoord van de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Doornhof. Wenst een van de leden in tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in de gelegenheid om direct te reageren op de vragen van de Kamer? Dat is het geval. Dan geef ik het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.