Plenair Ten Hoeve bij voortzetting behandeling Pakket Belastingplan 2019



Verslag van de vergadering van 11 december 2018 (2018/2019 nr. 11)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.57 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Dit is dan het eerste echt eigen en omvangrijke Belastingplan van dit kabinet. Alhoewel er in een aantal opzichten hele duidelijke keuzes gemaakt worden met betrekking tot de fiscaliteit, is toch ook heel veel nog niet echt duidelijk omdat de grote omslag met het klimaatplan nog moet komen. Maar wat nu voorligt, geeft wel een richting aan en wat mij betreft moet het dus weer volgens dezelfde criteria beoordeeld worden die ik telkens gebruikt heb om tot een oordeel te komen.

Ik kan dus herhalen wat ik alle vorige jaren in deze zittingsperiode bij de financiële beschouwingen en bij de belastingplannen als uitgangspunten heb genoemd. Vorig jaar zei ik dat zo:

"Mijn uitgangspunten voor een rechtvaardig, effectief en efficiënt systeem van belastingheffing zijn kort gezegd: zo simpel mogelijk, heffen naar draagkracht, bij voorkeur draagkracht in hoofdzaak benaderen per huishouden en niet individueel, extreem hoge inkomens tegengaan, de fiscaliteit niet gebruiken om politieke doelen te bereiken, wel om negatieve externe effecten in het maatschappelijk proces te corrigeren of te compenseren."

Daar leg ik dus de maatregelen maar weer naast. Het kabinet blijft — en dat was ook niet anders te verwachten — kiezen voor een inkomstenbelasting op individuele inkomens, maar het doet in ieder geval iets tegen het voortdurende achterblijven van huishoudens met een eenverdiener. Dat is winst ten opzichte van eerder.

De keuze voor een gematigde vlaktaks heb ik eerder verdedigd en zie ik met genoegen gerealiseerd, alhoewel ik constateer dat extreem hoge inkomens hierbij nog altijd volgens een redelijk gematigd tarief belast worden. Het ideaal van "zo simpel mogelijk" is hiermee overigens ook nog niet bereikt. Zo simpel mogelijk, ook voor de uitvoerende Belastingdienst, zou moeten betekenen dat in één simpel belastingsysteem niet alleen de heffing maar ook de waarborg voor een sociaal minimum geregeld zou moeten worden; een systeem met een belastingvrije voet die een bestaansminimum garandeert en die gelijkgetrokken is met een voor iedereen geldend basisinkomen.

Zo'n stelselherziening klinkt nog steeds heel idealistisch en onhaalbaar, maar het zou wel veel problemen oplossen. De noodzaak van allerhande toeslagen en van een aantal sociale regelingen zou vervallen, het zou veel controles overbodig maken en het zou ook de keuze voor belasting naar individu en niet naar huishouden minder ingrijpend maken. Het zou bovendien de erkenning vormen van het feit dat ook menselijke activiteit die in onze commerciële maatschappij niet betaald wordt, maatschappelijk wel waardevol mag heten. En ik ben het met de heer Ester eens dat het bijna de tijd zou kunnen zijn voor zo'n stelselherziening.

Terug naar nu. De keuze voor de gematigde vlaktaks, die minder oplevert dan de ib tot nu toe, leidt tot minder belasting op inkomen en arbeid, maar wordt gecompenseerd door een verhoging van het lage tarief van de btw. Bij de Financiële Beschouwingen heb ik al aangegeven dat ik een doelstelling van een gemiddeld btw-tarief zou steunen. De beste manier om daartoe te komen zou wat mij betreft zijn het in eerste instantie beperken van het lage tarief tot alleen echte eerste levensbehoeften, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was. Daarvoor zou een nultarief kunnen gelden, wat goed zou aansluiten bij het idee van het basisinkomen en maximaal rekening zou houden met lage inkomens. Waar bij de tariefstijging van 6% naar 9% gevreesd wordt voor een negatief effect in de grensstreek, zou een tarief van 0% naast een tarief van bijvoorbeeld 16% de verhoudingen weleens positief kunnen beïnvloeden. Nog een voordeel: water zou onder het nultarief vallen, maar frisdrank als niet eerste levensbehoefte onder het 16%-tarief. Dat zou voor de volksgezondheid een uiterst waardevol neveneffect opleveren. Misschien wil de staatssecretaris daar nog eens over peinzen.

Er is nu de keuze gemaakt voor 9% voor een breed scala aan goederen en diensten. Dat is wel een stapje naar één tarief, maar dus nog niet echt ideaal, niet voor de grensstreek en ook niet voor de lage inkomens. Ik kom daar nog op terug. Het lijkt mij bezwaarlijk om vlees vanuit klimaatoverwegingen extra te belasten via de btw-tarieven, maar mogelijk is dat wel goed te bereiken via de slachttaks die in de Tweede Kamer blijkbaar aan de orde is geweest. Dat zou een mogelijkheid bieden om externe kosten van de veehouderij te verrekenen, maar dat moet dan wel ingepast worden in het totale landbouwbeleid ten aanzien van externaliteiten dat er nu nog niet of nauwelijks is. De staatssecretaris kan ook daar misschien nog op ingaan.

Voorzitter. De tariefmaatregel grondslagverminderende posten en de versnelling van de tariefmaatregel voor de hypotheekrente eigen woning lijken mij verantwoord en dat geldt ook voor de maatregelen met betrekking tot de 30%-regeling en de correctie van het box 2-tarief.

Voorzitter. Dan de fiscale vergroeningsmaatregelen. Die beperken zich tot betrekkelijk kleine ingrepen, dus in de toekomst zal daar ongetwijfeld nog heel wat op moeten volgen. Toch zitten er ook nu al maatregelen tussen, zoals de maatregelen die het energiegebruik duurder gaan maken, die de consumenten gevoelig gaan treffen, net als de verhoging van het lage btw-tarief. Er moet compensatie ontstaan uit verminderde ib-heffing en uit aanpassing van uitkeringen en toeslagen aan de inflatie.

Juist bij dit soort maatregelen is het noodzakelijk dat wij ons rekenschap geven van de onlustgevoelens die heel expliciet in Frankrijk, maar ook bij ons echt sterk leven. Het gevoel dat de hoge inkomens ontzien worden, dat bedrijven bijna geen belasting betalen, dat de banken geld verdienen nog steeds belangrijker vinden dan eerlijkheid, en dat diegenen die er het minst aan kunnen doen, het meest moeten bloeden om de Staat van geld te voorzien en de planeet te redden. Die gevoelens maken de te nemen maatregelen niet zinloos, integendeel, maar ze noodzaken wel tot het ook nemen van maatregelen die de andere kant op kunnen wijzen.

De invorderingsmaatregelen Panama Papers en de ATAD 1-wetgeving zijn van die maatregelen die de andere kant op wijzen. Ten aanzien van het effect op de woningcorporaties sluit ik mij verder aan bij de heer Köhler. Deze maatregelen zijn hoogst noodzakelijk om te bereiken wat de staatssecretaris zich eerder al eens ten doel stelde, namelijk Nederland zo snel mogelijk te verlossen van het imago van belastingparadijs. Dat de regering daarbij ook heel veel nadruk legt op het aspect van een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen lijkt mij nuttig. Het overgebruik van vreemd vermogen leidt tot onverantwoorde speculatie met bedrijven. Maar met ons slechte imago zijn we er dan nog niet. Als Shell geen belasting betaalt in Nederland en IKEA Nederland gebruikt om winst door te sluizen en als ze daarbij binnen de wettelijke mogelijkheden blijven, dan zijn die wettelijke mogelijkheden blijkbaar te ruim. Het is de vraag of de nieuwe regels daar een eind aan maken. Daar kan de staatssecretaris misschien mede naar aanleiding van de concrete vragen van collega Binnema ook wel even op ingaan.

In ieder geval is de maatregel waarbij de winst van het niet doorgaan van de afschaffing van de dividendbelasting gestopt wordt in extra verlaging van de vennootschapsbelasting weer een signaal de verkeerde kant uit. Het lijkt mij niet aantoonbaar dat ons vestigingsklimaat een extra boost nodig heeft, integendeel. Waarschijnlijk is niemand tegen het extra stimuleren van het mkb, waarvan het IMF vorige week constateerde dat het dreigt te stagneren, maar extra voordeel aan de grote bedrijven gunnen lijkt moeilijk te verkopen. Daar zie ik dus ernstige bezwaren: zakelijk, als niet nodig, maar ook maatschappelijk, als ongewenst. We geven bovendien ruimte weg die straks hard nodig zal blijken als de klimaatmaatregels of bijvoorbeeld de brexit echt geld gaan kosten.

Voorzitter. Ten slotte. De Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en nog even de toekomstige vliegbelasting. De keuze om onderhoudskosten van woonhuismonumenten niet langer fiscaal aftrekbaar maar subsidiabel te maken, lijkt mij verantwoord. Het betekent een vereenvoudiging van de belastingheffing — dat is belangrijk — en het betekent dat onderhoud, in ieder geval van de monumentale aspecten van woonhuismonumenten, voor een groter gedeelte vergoed wordt dan via de belastingaftrek. Naar aanleiding van eerder gestelde vragen hoor ik de staatssecretaris nog graag over de uitvoeringskosten voor de particuliere eigenaren. Dat in ditzelfde verband de Sim-subsidie van 50% naar 60% gaat, is van groot belang voor de monumentenstichtingen en andere organisaties, die vaak heel veel moeite hebben om de vereiste eigen middelen bij elkaar te krijgen. Dat wordt nu iets makkelijker.

Wat de vliegbelasting betreft: het is een klein begin, dat in geen verhouding staat tot de werkelijke kosten van het vliegen. En nu er in heel veel landen in West-Europa al een dergelijke belasting is, kan Nederland zich een nieuw experiment veroorloven, maar wordt het ook belangrijk toch te proberen tot een gecoördineerde Europese aanpak te komen. Dat kan via een gezamenlijke vliegbelasting, maar ook op andere manieren, bijvoorbeeld door eindelijk kerosine te belasten. In ieder geval moet de bedoeling zijn tot een evenwicht te komen tussen de op te leggen last en de door het vliegen veroorzaakte kosten. En "kosten" betekent hier bovenal het effect van de CO2-uitstoot. Als wij die Europees op een verantwoorde manier kunnen beprijzen, dan moet de luchtvaartsector daarin meelopen. Trouwens, ook met die CO2-beprijzing kan Nederland er, zolang Europa zover nog niet is, natuurlijk voor kiezen om voorop te gaan lopen in plaats van af te wachten. Maar uiteindelijk winnen beprijzing van externe kosten en fiscaliteit in het algemeen aan effectiviteit en eerlijkheid door Europese samenwerking, door het scheppen van een Europees gelijk speelveld.

Voorzitter. Ik wacht graag de reactie van de staatssecretaris af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan de heer Van Rij.