Plenair Strik bij behandeling Verruiming sluitingsbevoegdheid ingevolge de Opiumwet



Verslag van de vergadering van 4 december 2018 (2018/2019 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.47 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Strik i (GroenLinks):

Voorzitter. We spreken vandaag over de uitbreiding van de bevoegdheden van burgemeesters tot sluiting van drugspanden. Dat kan niemand ontgaan zijn. Een belangrijke toetssteen voor de Eerste Kamer is hierbij natuurlijk of extra bevoegdheden noodzakelijk zijn om op te treden tegen de productie van en handel in drugs, maar ook of die bevoegdheden bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk dienen te zijn. Voorliggend wetsvoorstel past in een jarenlange reeks van uitbreiding van bevoegdheden in zowel het strafrecht als het bestuursrecht, niet alleen om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen, maar ook om te voorkomen dat ze plaatsvinden. De gereedschapskist van de overheid is inmiddels flink gevuld en het is de vraag wanneer die overvol raakt. Een keuze voor meer repressie in een democratische rechtsstaat dient niet alleen zwaar onderbouwd te zijn — is het noodzakelijk, is het proportioneel, zowel de wet als de toepassing? — maar dient ook samen te gaan met stevige waarborgen voor burgers, zodat ze zich kunnen verweren tegen te veel opdringerigheid, willekeur en inbreuken op hun grondrechten. Aandacht voor dat laatste mist mijn fractie bij dit kabinet, terwijl we nu zelfs een heuse minister voor Rechtsbescherming hebben. Hoe waarborgt het kabinet het noodzakelijke evenwicht tussen repressie en burgerrechten? Dit luistert des te nauwer als de repressie wordt uitgebreid over de band van bestuursdwang, die niet is omgeven met strafprocessuele waarborgen. Graag een reactie van de minister hierop.

Maar dit wetsvoorstel roept ook een principiële vraag op over het kabinetsbeleid ten aanzien van drugshandel. Het lijkt erop alsof we ons steeds verder vastdraaien in een repressieve benadering. Waar andere landen ons links en rechts inhalen met een meer liberaal drugsbeleid om redenen van volksgezondheid — denk aan de VS en onlangs nog Luxemburg — lijkt het antwoord van dit kabinet vooral meer strafrecht en bestuursdwang te zijn, zonder een begin van een visie op de meest wenselijke en effectieve strategie om de negatieve effecten van drugsgebruik tegen te gaan. Het kabinet gaat weliswaar een pilot uitvoeren, maar veel gemeenten haken nu al af vanwege onuitvoerbaarheid en eindigheid van het project. De pilot lijkt tot mislukken gedoemd, omdat die niet is ingebed in een langetermijnvisie en totaal losgekoppeld lijkt van de repressieve tendens die onverminderd doorgaat; zie voorliggend wetsvoorstel. Graag een reactie van de minister hierop. Wellicht kan hij toch iets zeggen over de langetermijnvisie van dit kabinet op hoe verantwoord om te gaan met drugsgebruik en hoe de volksgezondheidsaspecten daarvan tegen te gaan.

Voorzitter. Dan kom ik op de vraag of we dit specifieke nieuwe instrument nodig hebben. De burgemeester heeft nu al een breed instrumentarium tot zijn beschikking om op te treden tegen drugsgerelateerde verstoring van de openbare orde. De burgemeester kan een woning sluiten als de openbare orde in het geding is vanwege gedragingen die de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate aantasten. De heer Schouwenaar noemde dat als argumenten voor dit wetsvoorstel, maar in mijn visie kan dat al. Ik zou dat graag van de minister willen horen. Het college van B en W kan panden sluiten bij een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of veiligheid. De gemeenteraad kan woonruimte die wordt gebruikt voor het vervaardigen of verhandelen van drugs onttrekken aan de bewoner. Ten slotte kan op grond van het huidige artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester al een woning sluiten als van daaruit drugs worden verkocht of zelfs als ze daar aanwezig zijn. Deze aanwezigheid vormt volgens dit artikel al voldoende indicatie dat de openbare orde in het geding is. Burgemeesters maken enthousiast gebruik van deze ingrijpende vorm van bestuursdwang. Alleen al in 2016 zijn 1.277 panden gesloten op deze grondslag.

De voorgestelde verruiming van de sluitingsbevoegdheid gaat weer een stapje verder, omdat straks de woning al gesloten kan worden als er precursoren voor synthetische drugsproductie worden gevonden in een pand, zelfs zonder dat drugs aanwezig zijn. Sommige voorwerpen zullen al snel te relateren zijn aan drugsproductie of -handel, maar veel andere ook niet. Het aantreffen van potten waarin cannabis kan worden gekweekt is dan al voldoende grond voor sluiting.

Deze verruiming gaat ver, omdat bezit van materiaal dat op zichzelf niet strafbaar is, nu voldoende grond kan zijn voor sluiting van een pand. De burgemeester zal aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een verboden voorbereidingshandeling, maar hij hoeft niet het strafbare feit te bewijzen, en dus ook niet de intentie of wetenschap van de betrokken personen. Dat roept ernstige vragen op over de rechtsbescherming van betrokken personen, met name huurders of bezitters van een pand. Hun verwijtbaarheid is volgens de regering niet relevant, omdat de sluiting een "pandgerichte herstelsanctie" betreft, gericht op het voorkomen of beëindigen van een overtreding. Maar tegelijkertijd heeft de ingreep ontegenzeggelijk ingrijpende gevolgen voor de betrokken personen, of het nu om een punitieve sanctie gaat of niet. Veelal treft de sluiting vooral mensen met een sociaal zwakkere positie die drugsgerelateerde activiteiten tegen wil en dank of na al te enthousiaste beloftes over de vloer hebben gekregen. Hun problematiek verergert door deze ingreep, en de gemeente zal hen toch weer aan nieuw onderdak moeten zien te helpen. Dit roept niet alleen vragen op over de proportionaliteit, maar ook over de effectiviteit: vangen we hiermee wel de grote vissen? De grote handelaren vinden zo weer een ander pand, met andere sociaal zwakkere huurders. Zou de minister hier eens op kunnen ingaan?

Ook om een andere reden gaat de verruiming ver. Er hoeft bij gebruikmaking van de bevoegdheid namelijk geen sprake te zijn van verstoring van de openbare orde, overlast of aantasting van de veiligheid en gezondheid van omwonenden.

De heer Schouwenaar i (VVD):

Ik ben misschien wat laat, voorzitter, maar ik zat nog na te denken over de woorden van mevrouw Strik. Zij spreekt natuurlijk behartenswaardige woorden over de wijze waarop een huurder, en ook een verhuurder getroffen kunnen worden door dit soort maatregelen. Maar wat ik mis in haar betoog, zijn de omwonenden. Dat zijn vaak degenen die zich tot de burgemeester wenden en zeggen: en wij dan?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat haakt in op precies het debatje dat ik net met de heer Schouwenaar heb gehad. Dit is losgekoppeld van overlast en openbare orde. Daarom heb ik het idee dat de burgemeester al andere mogelijkheden heeft. Als het dus echt gaat over overlast en als de veiligheid van omwonenden in het geding zou zijn, kan de burgemeester volgens mij al optreden. Het wetsvoorstel wordt ook gemotiveerd met het argument dat het om een preventieve aanpak en om volksgezondheid gaat. Daarom heb ik het idee dat het geen betrekking heeft op omwonenden, maar meer op het voorkomen dat er drugsproductie plaatsvindt. Het gaat ook niet per se om panden van waaruit gehandeld wordt. Het kan ook gaan om panden waar het gewoon geproduceerd wordt. Daar zullen dus geen mensen heen en weer lopen, en brommertjes en auto's heen en weer rijden waarmee men de spullen komt ophalen. Het is dus ruimer dan dat het de omwonenden moet beschermen, zoals de heer Schouwenaar denkt. En ik denk dat daar al andere instrumenten voor zijn, maar ik hoor dat straks graag van de minister.

De heer Schouwenaar (VVD):

Dan wachten wij samen het antwoord van de minister af.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Nou, dan doen we toch iets gezamenlijk, meneer Schouwenaar.

De beoogde wetswijziging is namelijk gericht op een "effectieve en op preventie gerichte aanpak".

Ik heb een ijsklontje in m'n mond, voorzitter. Dat is niet echt handig.

De vraag is echter of het in de rede ligt om artikel 13b Opiumwet dusdanig op te rekken dat deze op grond van risico's voor de volksgezondheid een preventieve aanpak van drugsproductie kan bewerkstelligen. Met deze preventieve aanpak middels de Opiumwet wijkt de wetgever steeds verder af van de oorspronkelijke bedoeling van de sluitingsbevoegdheid als sluitstuk van het coffeeshopgedoogbeleid. Hoe is dat te rijmen met het principe van ultimum remedium? En wordt hier de bestuurlijke bevoegdheid niet al te gemakkelijk ingezet ter compensatie van een tekortschietende strafrechtelijke opsporing van drugsgerelateerde criminaliteit? Deze trendmatige stapeling van bevoegdheden vindt plaats zonder duidelijke onderlinge samenhang. Juist vanwege de beperkte rechtswaarborgen vergelijkbaar met die in het strafrecht is het cruciaal terughoudend te zijn met het verruimen van het instrumentarium van de bestuursdwang. Dit klemt wellicht te meer nu de toegang tot de rechtsbijstand steeds verder onder druk komt te staan.

Voorzitter. Ook nu al lijkt de sluitingsbevoegdheid niet als een ultimum remedium te worden toegepast. De sluitingsbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet is in veel gemeenten al verheven tot een belangrijke pijler bij het tegengaan van drugsoverlast en drugshandel. Burgemeesters lijken de neiging te hebben om het zwaarste middel in te zetten om drugsbezit en -gebruik aan te kunnen pakken. En nu al zien we dat de regelmatige toepassing van de sluitingsbevoegdheid tot maatschappelijke problemen leidt. Denk aan gezinnen met kinderen die op straat komen te staan en in de schulden raken; ik noemde ze net al.

Het is gebruik geworden om tot sluiting over te gaan zonder waarschuwing. Ook zien we grote verschillen in de wijze waarop gemeentes de grens trekken tussen gebruikers- en handelshoeveelheid. In gemeentes als Breda, Eindhoven, Helmond, Den Bosch en Tilburg is de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs al voldoende voor een sluiting zonder waarschuwing voor drie maanden. Dit terwijl dit in de praktijk niet altijd een aanwijzing voor drugshandel hoeft te zijn, vooral niet als het gaat om regelmatige gebruikers die een persoonlijke voorraad hebben die in de strikte zin de gebruikershoeveelheid overschrijdt. In Amsterdam wordt genuanceerder omgegaan met de aangetroffen hoeveelheid drugs, en worden andere factoren meegewogen. Kan de minister ingaan op de vraag hoe deze grote verschillen, en met name de in veel gemeenten bijna mechanische toepassing van de sluitingsbevoegdheid, zich verhouden tot het beoogde karakter van ultimum remedium? Is het daarvoor niet nodig dat er altijd een kenbaar en toetsbaar onderzoek naar de proportionaliteit wordt gedaan?

Voorzitter. Als eerder is genoemd dat ook het feit dat in 30% van de gevallen aangetekend beroep tegen woningsluiting door de rechter gegrond wordt verklaard, een indicatie vormt dat de sluitingsbevoegdheid allesbehalve ultimum remedium is, in ieder geval in de toepassing. De minister lijkt van mening te zijn dat dit percentage wijst op een effectieve en proportionele praktijk, maar mijn fractie spoort de minister graag aan tot iets meer ambitie. We zouden er toch van uit mogen gaan dat zijn beleid en praktijk in veel meer gevallen de rechterlijke toets kan doorstaan? Bij al deze gegrondverklaringen moeten we in gedachte houden dat mensen voor niets zijn uitgeplaatst en dat ze gedurende lange procedures verstoken zijn geweest van hun rechten. Mevrouw Wezel zei ook dat ze zich vervolgens ook vijf jaar niet kunnen inschrijven voor een andere woning.

Ook de gevolgen voor kinderen zijn zonder meer schadelijk. Het lijkt erop dat er in de praktijk dus onvoldoende wordt gekeken naar de proportionaliteit van de maatregel en naar de individuele schade en het leed in het licht van artikel 8 EVRM en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag. Welke maatregelen neemt de minister om zorgvuldiger en terughoudender gebruik van de sluitingsbevoegdheid te stimuleren? En hoe gaat hij voorkomen dat dit met de verruimde bevoegdheid van meet af aan zal gebeuren? Wij zijn blij dat de minister naar aanleiding van een motie-Buitenweg/Van Nispen heeft toegezegd de praktijk en jurisprudentie op dit gebied te monitoren en de Kamer hierover te informeren. Maar de vraag blijft nog wel welke criteria de minister uiteindelijk hanteert bij zijn beoordeling van de evaluaties. En bij welke uitkomsten overweegt hij om nadere stappen te zetten ter verbetering? Graag een reactie hierop. Mijn fractie sluit zich ook aan bij het verzoek van mevrouw Vlietstra om meer informatie bij die evaluatie.

Voorzitter. Ik sluit af. Mijn fractie is van mening dat een verruiming van de sluitingsbevoegdheid te allen tijde gepaard moet gaan met een zorgvuldige afweging van de evenredigheid per casus en een goede onderbouwing van de sluitingsbevoegdheid als ultimum remedium. Wij zien graag meer ambitie van de minister om het percentage terug te dringen van sluitingen die achteraf onterecht zijn verklaard. In de hoop dat hij deze inspanningsverplichting erkent en dat hij mijn fractie overtuigt van zijn daadkracht op dit gebied, wachten wij graag de beantwoording af.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Strik. Ik geef het woord aan mevrouw Bikker.