Plenair Ten Hoeve bij behandeling Deconstitutionalisering benoeming commissaris van de Koning en burgemeester



Verslag van de vergadering van 13 november 2018 (2018/2019 nr. 7)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 15.20 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Het is heel bijzonder om na zo veel jaren de indiener van dit voorstel hier in deze Kamer weer tegen te komen, met alle respect voor zijn inzet.

Het gaat wel over een onderwerp dat al sinds de Grondwet van 1848 in discussie is en voortdurend weer naar voren komt in tot nu toe altijd mislukte pogingen om tot grondwetswijziging te komen. Blijkbaar is het deconstitutionaliseren van de benoemingen van burgemeesters en commissarissen belangrijk genoeg om er telkens op terug te komen. Soms was dat belang voor indieners van een voorstel heel duidelijk, wanneer de bedoeling voorzat om tot een echt andere manier van uitkiezen van de betreffende ambtsdragers te komen. Soms was en is dat belang helemaal niet zo duidelijk, wanneer juist daarover helemaal niet gesproken wordt en inhoudelijke discussie dus gemeden wordt, zoals nu. Maar ook wanneer wel echt de bedoeling aanwezig is om tot een andere manier van aanwijzing van, in de eerste plaats, de burgemeesters te komen, dan nog is er iets vreemds aan de hand, omdat ook geconstateerd wordt dat vrijwel elke mogelijke aanpassing in de benoemingsprocedures niet onverenigbaar is met de in de Grondwet vastgelegde benoeming door de Kroon. Puur zakelijk bezien moet er dus al een neiging zijn om tot een extreme positie voor een gekozen burgemeester te willen komen om die telkens weer nagestreefde deconstitutionalisering materieel gezien echt zinvol te laten wezen. Dat zou gezien kunnen worden als een argument tegen het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Een grondwetswijziging moet toch een zinvol beoogd doel hebben?

Tegenover die zakelijke benadering van wat het concreet aan nieuwe mogelijkheden oplevert, staat natuurlijk de principiële benadering dat de benoemingsprocedures waar het hier over gaat, gewoon benoemingen zijn, over de wijze waarop door de politiek naar bevind van zaken en naar de behoeften van de tijd een beslissing kan worden genomen. Die procedure kan dan worden vastgelegd in gewone, in dit geval organieke wetgeving. Bij die benadering geeft het eenvoudigweg geen pas om hierover in de toch heel moeilijk te wijzigen Grondwet voorschriften op te nemen. De politiek beslist via wetgeving en voert veranderingen door via wetgeving.

Een tegenovergestelde principiële benadering, van juist een positieve keuze voor het vastleggen van het vaste punt in de benoemingsprocedure in de Grondwet, is natuurlijk ook mogelijk. Als het uitgangspunt is dat de positie van de burgemeester als boven de partijen staande neutrale aanvoerder van de gemeentelijke instituties, gewaarborgd moet worden, en evenzo de positie van de commissaris van de Koning als aanvoerder van de provinciale instituties en bovendien met duidelijke opdrachten als rijksheer, dan is er toch wat voor te zeggen om de niet makkelijk te wijzigen grondwetsbepaling dat de Kroon benoemt, inderdaad als waarborg te laten staan. Bij alle mogelijkheden om verder bij wetgeving invulling te geven aan de precieze gang van zaken, staat dan vast dat bij ontsporingen er de mogelijkheid is om niet te benoemen.

Voorzitter. In mijn achterban hoor ik geen kritiek op de huidige benoemingprocedures of op de wijze waarop die in de praktijk in hun werk gaan. Mijn achterban sluit zich daardoor aan bij de 31 burgemeesters en de organisaties van ambtsdragers, burgemeesters, wethouders en raadsleden, en de VNG. De huidige procedures en de praktijkinvulling daarvan hebben zich ontwikkeld binnen de grenzen van de grondwettelijke bepalingen en er is geen reden om te veronderstellen dat een verdere ontwikkeling daarvan in conflict zou kunnen komen met die grenzen. Is de indiener het met die veronderstelling eens? En als dat het geval zou zijn, is hij het er dan ook mee eens dat er materieel gezien dus geen reden is voor grondwetswijziging, behalve op grond van de principiële redenering die ik noemde, dat het eenvoudigweg de dagelijkse politiek moet zijn die over de benoemingen door middel van wetgeving volledig en met eenvoudige meerderheden moet kunnen beschikken?

Mocht de indiener dit met mij eens zijn, dan heb ik de neiging mij vast te houden aan de niet helemaal principiële benadering die ik zojuist het eerst noemde: als wijzigen geen aanwijsbaar doel dient, waarom zou je dan wijzigen? Is bestendigheid van regelgeving niet ook een doel op zichzelf? Mocht de indiener duidelijk willen en kunnen maken dat de beoogde wijziging nieuwe en realistische mogelijkheden zal geven, dan moet ik er misschien wel anders over denken. Ik wacht dus graag af of de indiener mij nog kan overtuigen van de waarde van de beoogde grondwetswijziging.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan de heer Schalk.