Plenair Kuiper bij behandeling Deconstitutionalisering benoeming commissaris van de Koning en burgemeester



Verslag van de vergadering van 13 november 2018 (2018/2019 nr. 7)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 22.07 uur


De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de heer Jetten en de minister voor de zorgvuldige beantwoording. Ik denk dat we een heel belangrijk en mooi debat aan het voeren zijn met elkaar. Het gaat ergens over.

Ik heb er behoefte aan om in het kort de positie van de ChristenUnie te schetsen met betrekking tot de centrale vragen. De eerste vraag is: is het noodzakelijk dat de benoemingswijzen van de burgemeester en de commissaris in de Grondwet geregeld is? Is dat noodzakelijk? Nee, dat is niet noodzakelijk, dat kan ook anders, dat kan ook elders en dat kan ook in gewone wetgeving. En is de verankering van de benoemingswijze een noodzakelijke voorwaarde voor de kwaliteit van het openbaar bestuur? Ook dat is niet het geval. De kwaliteit van het openbaar bestuur kun je ook op andere manieren borgen.

Tot zover antwoorden op een paar theoretische vragen. Maar dit is niet een theoretisch debat, maar dit is een debat in een bepaalde context. We moeten daarbij ook vaststellen dat er in die 170 jaar waarin we het hebben gedaan zoals we het nu doen, wel een stabiel decentraal bestuur is ontstaan met een eigen rol voor de burgemeester die belangrijk is en die we willen koesteren. Intussen — dat hoort ook bij de context — is de huidige benoemingswijze geëvolueerd. Hij is anders dan hij oorspronkelijk bedoeld was. En dat is ook prima. Zoals het nu gaat, is het eigenlijk ook volgens onze bedoelingen. In de huidige wijze kan de ChristenUnie zich prima vinden, juist omdat hierin is geborgd dat er ook van onderop steun is voor de keuze voor een concrete persoon. We vinden het mooi dat die benoeming dan vervolgens inderdaad ook bekrachtigd wordt en er ook een externe legitimatie komt. Die verkiezing door de raad wordt in deze Kamer breed gewaardeerd en breed gesteund. Ik hoorde net nog mevrouw Vlietstra zeggen dat zij die steunt, maar ook de SP heeft dat vandaag hier gezegd. Dat betekent dat dit eigenlijk wel de voorkeursvariant is van een hele grote meerderheid van de partijen. En het is ook de voorkeursvariant van mijn fractie.

Maar deconstitutionalisering opent ook een nieuw debat over de aanstellingswijze en de benoeming van de burgemeester. Dat is ook uitdrukkelijk de bedoeling en dat debat zal ook gevoerd worden. Als de wetgever straks aan zet is, zal dat ook gebeuren. Dan ontstaat er ruimte om ook na te denken over een nieuwe aanstellingswijze. Als dat het geval is, is het heel belangrijk dat wij samen borgen wat wij op dit moment zo belangrijk vinden. Ik ben er in dit debat op uit geweest om daar zo veel mogelijk zekerheid over te krijgen, en daarmee ook zo veel mogelijk vertrouwen te krijgen in de stap die vandaag, of volgende week, of over twee weken gezet moet worden. Daarom is zo'n kader waar we het samen over eens zijn, belangrijk. Daarin moeten een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden staan, precies zoals de minister het hier ook heeft aangegeven. Daarin is artikel 125 van de Grondwet heel belangrijk, over dat hoofdschap van de gemeenteraad en van Provinciale Staten. Dat blijft bij wijziging van artikel 131 een heel belangrijk ankerpunt voor de manier waarop wij willen aankijken tegen lokaal bestuur, en de rollen, taken en verantwoordelijkheden. Dat zou dus wat ons betreft een ankerpunt moeten zijn.

Er is hier een motie ingediend, mede door mij ondertekend, waarin een heel aantal van die randvoorwaarden of uitgangspunten wordt opgenoemd. Er staan er wel een stuk of zes in. Er is hier opgemerkt: is dat nou niet een beetje een open deur? Ik denk het niet. Ik denk dat als we het erover eens zijn dat de dingen die in dat dictum worden genoemd, belangrijk zijn, en dat die moeten worden meegenomen in de volgende fase, we iets heel belangrijks doen als we dat uitspreken. Dan schetsen wij het kader waarin in de toekomst verdere wetgeving kan worden gezien.

Tegen mevrouw Vlietstra zeg ik dat het inderdaad volgens mij wat snel is om nu al te vragen om concrete wetgeving over de manier waarop dan eventueel een aanstellingswijze zou moeten worden veranderd. Als er geen wetgeving komt, dan blijft het zoals het nu is in Gemeentewet en Provinciewet. En daar bent u eigenlijk ook wel akkoord mee, dus het zou ook nog een poosje zo kunnen blijven.

Maar het is wel belangrijk dat als er eventueel een verandering van de aanstellingswijze wordt voorgesteld, we een kader hebben om aan te toetsen: is dit nou wat we bedoelen? Die gelegenheid hebben wij vandaag en daar spreken we hier over met elkaar. Daarom vind ik het belangrijk dat de minister reageert op de motie, zoals ook mevrouw Vlietstra heeft gezegd. Ik zou het belangrijk vinden dat de minister daarbij aangeeft: wij hebben vandaag gesproken en wij zijn inderdaad tot een soort consensus gekomen over een set van voorwaarden en uitgangspunten die richtinggevend zijn voor het vervolg. Ik steun de suggestie van mevrouw Huijbregts om een brief daarover te vragen. Dat hoeft inderdaad wat mij betreft ook geen lap tekst te zijn. Het kan ook een soort samenvatting zijn van wat we vandaag hebben bereikt. Ik zou het wel heel belangrijk vinden dat die brief uitdrukt dat wat in de motie wordt gevraagd, ook inderdaad uitgevoerd wordt, en dat het dus ook echt politiek consequenties krijgt. Dan is het niet vrijblijvend, maar dan heeft het betekenis.

Ik hoop ook dat de Partij van de Arbeid daarin mee kan gaan. In antwoord op mijn interrupties zei u ook dat u het belangrijk vindt wat de minister hierover te zeggen heeft. Dat vind ik ook, dus ik stel die vraag nu ook aan de minister. Ik hoop dat zij ons beiden daarin beantwoordt, omdat ik denk dat de volgende stap niet onmiddellijk nieuwe wetgeving moet zijn, de volgende stap moet de vraag zijn vanuit welke kaders we in de toekomst gaan werken, wanneer de benoemingswijze van burgemeester en commissaris uit de Grondwet verdwijnt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kuiper. Ik heb begrepen dat van de kant van de initiatiefnemer, de heer Jetten, een schorsing is gevraagd van vijftien minuten. Is dat nog steeds het geval? Tien minuten is voldoende? Kijk, dat is prachtig. Dan schors ik de vergadering tot vijf voor halfelf. De vergadering is geschorst.