Plenair Ten Hoeve bij behandeling Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding



Verslag van de vergadering van 12 juni 2018 (2017/2018 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.26 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Ik wou om te beginnen de minister bedanken voor haar heel heldere en ook efficiënte beantwoording, waarbij zij de bedoeling en de reikwijdte van dit wetsvoorstel helder uiteengezet heeft. Ik had in eerste instantie eigenlijk geen vragen gesteld aan de minister, dus ik kan ook moeilijk beweren dat zij nog vragen van mij moet beantwoorden.

Ik heb wel twee punten uit de discussie waar ik het zinvol vind om op terug te komen. De handhaving is een punt geweest in de discussie. De conclusie is dat die uiteindelijk afhangt van wat er in een organisatie besloten wordt hoe hiermee om te gaan en vervolgens hoe het in die organisatie werkzame personeel voor zichzelf besluit daarmee om te gaan. Dat betekent, maar dat had ik al eerder geconstateerd, dat het niet gezegd is dat er altijd gehandhaafd zal worden; waarschijnlijk niet. De vraag is hoe erg dat is. Ik denk niet dat dat erg is, al ben ik geen katholiek, en ik ben desondanks niet de enige die tot deze conclusie komt. Ik zou dat niet heel erg vinden. Toch is het van belang dat er een normstelling achter staat waarop teruggevallen kan worden. Dat lijkt mij het nut van deze wet.

En het volgende punt. De minister stelde heel uitdrukkelijk dat de wet godsdienstneutraal is. Dat is hij natuurlijk ook, in die zin dat hij niet bedoeld is om tegen een specifieke godsdienst in het geweer te komen. Maar het is natuurlijk evident dat een groep die uitdrukkelijk geraakt wordt door deze wet, een bepaalde sekte van de islam is. Dat betekent dat er sprake is van een beperking van het grondrecht en dat is een ernstige zaak, want elke overtuiging is legitiem in dit land en daar mag ook over gesproken en zelfs gepreekt worden, geen probleem. Toch stelt de maatschappij voor het soepel functioneren bepaalde eisen en die liggen inderdaad in de sfeer van communicatie en veiligheid. Die eisen worden normaal gesproken door maatschappelijke conventie afgedwongen, maar in een uiterst geval door wetgeving. Dat gebeurt hier, en bij wetgeving moet iedereen zich daar in principe — zeg ik uitdrukkelijk — aan onderwerpen, ongeacht de reden die iemand heeft om anders te willen. Daarmee is de grens maar ook het nut van deze wetgeving wat mij betreft aangegeven.

Dus, voorzitter, ook in deze tweede termijn wat mij betreft niet zozeer vragen aan de minister, maar enkele eigen overwegingen. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ten Hoeve. Ik vraag aan de minister of zij in de gelegenheid is direct te antwoorden. Ik schors de vergadering voor vijf minuten.