Plenair Vlietstra bij behandeling Vastleggen en bewaren van kentekengegevens



Verslag van de vergadering van 14 november 2017 (2017/2018 nr. 7)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.37 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter. Allereerst wil ook ik namens mijn fractie de minister van harte geluk wensen met zijn benoeming. Ik wens hem veel succes. Wij kijken uit naar een goede samenwerking.

Voorzitter. Het voorliggend wetsvoorstel kent een grondige voorbereiding. In twee rondes zijn door de leden vele vragen gesteld. Daarnaast is een deskundigenbijeenkomst gehouden, die veel waardevolle inzichten heeft opgeleverd. Naar de mening van mijn fractie was deze grondige voorbereiding noodzakelijk omdat — het is al vaker gezegd — twee belangen aan de orde zijn. Enerzijds is er het belang van de opsporing bij ernstige misdrijven. Anderzijds is er het recht van de burger op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In de genoemde deskundigenbijeenkomst werd dit dilemma treffend verwoord door de heer Wolfsen van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik citeer: "Vrije burgers in een vrij land moeten zich vooral ook vrij kunnen bewegen en massale surveillance verhoudt zich daar niet toe, althans slecht. Maar het land moet ook veilig blijven en de politie moet dus haar werk kunnen doen." Ziedaar het dilemma.

Voorzitter. Op dit moment worden al ANPR-gegevens bewaard zonder dat daarvoor de wettelijke basis bestaat. Wetgeving is daarmee in de ogen van mijn fractie dringend noodzakelijk. In de voorbereiding op dit debat zijn door mijn fractie indringende vragen gesteld over noodzaak en reikwijdte van het verzamelen en achteraf kunnen raadplegen van ANPR-gegevens, over de waarborgen met betrekking tot opslag en gebruik van de gegevens en over de horizonbepaling van drie jaar. In het bijzonder is door ons de vraag gesteld of met het creëren van de bevoegdheid om naast zogenaamde hits ook no hits te bewaren niet een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ontstaat en of daarmee mogelijk in strijd met artikel 8 EVRM wordt gehandeld.

Voorzitter. Wij danken de minister voor de zorgvuldige en adequate beantwoording. Veel zorgen van mijn fractie zijn daarmee weggenomen. Het wetsvoorstel bevat een reeks van waarborgen. De werking van de wet betreft uitsluitend ernstig strafbare feiten en de aanhouding van voortvluchtigen. Het verzamelen van gegevens vindt uitsluitend plaats langs de openbare weg en wanneer dat strikt noodzakelijk is op basis van een jaarlijks vast te stellen en in de Staatscourant te publiceren cameraplan. Gegevens zijn niet uitwisselbaar met andere instanties, worden maximaal vier weken bewaard en daarna geautomatiseerd vernietigd. Alleen daartoe geautoriseerde opsporingsambtenaren hebben toegang tot de gegevens op basis van een voorafgaand, schriftelijk vastgelegd bevel van de officier van justitie, die in elke zaak een zorgvuldige afweging moet maken op basis van noodzaak, reikwijdte van de zoekvraag en de inbreuk die daarmee wordt gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Mevrouw Vlietstra noemt een aantal waarborgen waarvan zij het idee heeft dat het wetsvoorstel daaraan voldoet. Ze zegt ook dat het altijd in een cameraplan wordt vastgesteld en dat het alleen gebeurt wanneer het strikt noodzakelijk is. Welke waarborgen ziet zij dat dat ook daadwerkelijk gebeurt?

Ik heb nog een andere vraag. Mevrouw Wezel en ik hebben gewezen op het feit dat gegevens, als ze eenmaal zijn opgeslagen, vervolgens verder kunnen worden verwerkt, voor andere doelen kunnen worden gebruikt en aan derden kunnen worden verstrekt. Wat vindt zij van dergelijke mogelijkheden?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Als mevrouw Strik het goed vindt, dan zou ik graag mijn verhaal af willen maken, omdat ik aan het eind een aantal vragen formuleer die op ditzelfde terrein liggen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Oké. Prima.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

De laatste waarborg die ik nog wilde noemen, is dat vastlegging in een bevel toezicht en controle achteraf mogelijk maakt. Voor mijn fractie zijn dat allemaal buitengewoon belangrijke en noodzakelijke voorwaarden en waarborgen, die meewegen in de uiteindelijke bepaling van ons standpunt.

Voorzitter. Technisch is het mogelijk gegevens die geen hit geven met een referentiebestand, meteen te vernietigen. Op dit moment gebeurt dat ook. Hoewel wij begrip kunnen opbrengen voor de wens van politie om no hits gedurende een korte periode te bewaren omdat ze waardevolle informatie kunnen opleveren op een later moment, is tegelijkertijd de privacy van een grote groep weggebruikers in het geding. In de al genoemde deskundigenbijeenkomst bleek dat er tussen sprekers grote verschillen van opvatting bestaan over de mate waarin het bewaren van no hits in strijd is met artikel 8 EVRM. Ook in de afgelopen dagen is door een aantal organisaties nog eens nadrukkelijk gewezen op het in hun ogen ontbreken van noodzaak en proportionaliteit in het wetsvoorstel. De minister gaat zowel in de memorie van antwoord als in de nadere memorie van antwoord grondig in op dit buitengewoon belangrijke punt door te duiden wat de verschillen zijn tussen het onderhavige wetsvoorstel en een aantal uitspraken van het EHRM. Die verschillen betreffen doel, reikwijdte, geografische afbakening, bewaartermijn, kenbaarheid en toegang tot de gegevens. Op basis van die vergelijking trekt de minister de conclusie dat het wetsvoorstel niet in strijd is met artikel 8 EVRM. Mijn fractie kan zich op dit moment vinden in deze conclusie.

Mijn fractie heeft nog wel enkele aanvullende vragen over de uitvoering van de wet, mede naar aanleiding van het conceptuitvoeringsbesluit. Niet alleen op papier moeten alle waarborgen ter bescherming van de privacy worden vastgelegd, zeker zo belangrijk is de naleving ervan. Hoe wordt erop toegezien dat de bewaarde gegevens ook werkelijk na vier weken zijn vernietigd? Door wie wordt bewaakt dat een mondeling bevel tot raadpleging door de officier van justitie inderdaad binnen drie dagen schriftelijk wordt vastgelegd? Hoe wordt voorkomen dat verzamelde gegevens toch worden gedeeld met andere instanties en ook het buitenland? En wat als dit alles niet gebeurt? In het conceptuitvoeringsbesluit is een jaarlijkse privacyaudit voorzien. Graag hoort mijn fractie van de minister op welke wijze en door wie deze audit wordt uitgevoerd. Mijn fractie zou het op prijs stellen kennis te kunnen nemen van de jaarlijkse uitkomsten van de privacyaudit. Wij vragen de minister toe te zeggen dat deze audit ook aan deze Kamer wordt aangeboden.

Voorzitter. Een ander punt betreft de bekendmaking van het zogenaamde cameraplan. Door de minister is aangegeven dat bekendmaking geschiedt door publicatie in de Staatscourant. Mijn fractie kan zich voorstellen dat niet elke burger dagelijks deze krant raadpleegt. Mevrouw Strik noemde dat ook al. Welke andere mogelijkheden ziet de minister om de burger te informeren dat langs de weg waar hij rijdt ANPR-gegevens worden verzameld?

Een derde punt waar wij graag de reactie van de minister op willen horen, betreft de centrale opslag van de gegevens. In de toelichting op artikel 9 van het conceptuitvoeringsbesluit wordt aangegeven dat ANPR-gegevens die worden vastgelegd op grond van artikel 126jj centraal worden opgeslagen en worden gescheiden van "andere ANPR- en politiegegevens", die op grond van de artikelen 8 en 9 worden verwerkt. Wat is, zo vraagt mijn fractie, het onderscheid tussen "ANPR-gegevens" en "andere ANPR-gegevens"? Gaat het bij de laatste om ANPR-gegevens waarvan is vastgesteld dat ze verder gebruikt mogen worden in een opsporingsonderzoek en die daarmee vallen onder de Wpg? Graag helderheid op dit punt.

Onze laatste vraag betreft de horizonbepaling. Het nieuwe artikel vervalt na drie jaar, tenzij bij koninklijk besluit anders bepaald. Daartoe wordt in opdracht van de minister door het WODC een onderzoekrapportage opgesteld over de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Graag hoort mijn fractie van de minister wat zijn ambitie is: wanneer is in de ogen van de minister sprake van voldoende doeltreffendheid en effectiviteit? Welk resultaat streeft de minister na en wanneer is hij tevreden? In de memorie van antwoord van 8 maart 2017 gaf de minister aan dat reeds overleg plaatsvindt met het WODC over de aanpak van de evaluatie. We zijn acht maanden verder en de wet wordt, als deze Kamer instemt, over acht weken ingevoerd. Kan de minister aangeven welke afspraken zijn gemaakt met het WODC?

Voorzitter. Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vlietstra. Ik geef het woord aan de heer Rombouts.