Plenair Ten Hoeve bij behandeling Caribische openbare lichamen en een kiescollege voor de Eerste Kamer



Verslag van de vergadering van 24 oktober 2017 (2017/2018 nr. 4)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.35 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter, dank u wel. Wij behandelen dit voorstel nu in tweede lezing en nadat het hier in eerste lezing is aangenomen is er niet heel veel echt wezenlijk veranderd. Het voorstel leidt ook niet echt tot veranderingen want de openbare lichamen van Caribisch Nederland zijn al op basis van het Statuut ingesteld, dus dit is feitelijk alleen een alternatieve, vervangende manier om dat te regelen. Alleen de instelling van een kiescollege om het mogelijk te maken dat ook op de betreffende Caribische eilanden invloed uitgeoefend kan worden op de samenstelling van de Eerste Kamer is extra, en dus een hoogst noodzakelijke aanvulling op wat er tot nu toe was. Er is dus geen reden om nu tegen deze grondwetswijziging te stemmen, alhoewel er wel voortdurend ontwikkelingen zijn die tot nieuwe vragen aanleiding geven.

Bonaire is politiek niet erg stabiel. Sint-Eustatius schiet in bestuurskracht tekort, maar wil juist uitdrukkelijk op zijn eigen manier dingen doen, liefst als land en niet als openbaar lichaam. En op Saba gaat het uitstekend, maar de behoefte aan meer eigen speelruimte wordt ook daar voortdurend gevoeld, alhoewel daar de vraag gesteld blijft worden binnen het bestaande staatsrechtelijke kader. Hoe dan ook, deze grondwetswijziging bepaalt niet welke eilanden openbaar lichaam zullen zijn; dat wordt in een aparte wet bepaald.

Het gevoel lijkt op alle drie de eilanden wel te leven — anderen hebben dat vanmiddag ook al diverse keren genoemd — dat de bijzondere positie van openbaar lichaam, met de mogelijkheid om af te wijken van wat in een echte gemeente geldt, te weinig gebruikt wordt om ruimte te bieden aan de eigen omstandigheden en de beperktere schaal en mogelijkheden, en te veel gebruikt wordt om op sociaal gebied de hand op de knip te houden en de bewoners als tweederangs-Nederlanders te behandelen. De vraag dringt zich op of het niet beter was geweest om van de eilanden echte gemeenten te maken met alle rechten, en dan speciale uitzonderingen te maken waar onze regelgeving niet in te passen is. En daarboven dan misschien een miniprovincie of openbaar lichaam dat enkele noodzakelijke sturende en controlerende taken kan uitoefenen. Natuurlijk is het niet zinvol om nu onmiddellijk de zaak weer helemaal op zijn kop te willen zetten, maar zou dat, achteraf bekeken, niet beter geweest zijn? En zou het niet beter zijn om, kijk bijvoorbeeld naar het sociaal domein, in ieder geval nu meer op die wijze te gaan handelen?

Sturing en controle komt nu van de diverse ministeries, aangevuld natuurlijk vanuit de Rijksdienst Caribisch Nederland en de rijksvertegenwoordiger. In het nieuwe regeringsprogramma wordt gelukkig gekozen voor een duidelijker coördinerende rol van BZK, maar dat blijft waarschijnlijk lastig als per departement moet worden bepaald wat er wel en wat er niet gelijkgetrokken mag of moet worden met de situatie in Europees Nederland. Hoe ziet de minister dat, op basis van zijn ervaringen tot nu toe?

Wat betreft het hele Koninkrijk, maar dat treedt natuurlijk buiten het onderhavige wetsvoorstel, lijkt de samenhang wat groter te worden. De orkaan Irma heeft het saamhorigheidsgevoel, denk ik, in alle rijksdelen versterkt, alhoewel de gevolgen daarvan nu toch ook weer tegenstellingen en ruzie lijken op te leveren. Maar ook vóór de orkaan leek er al wat meer neiging te ontstaan om toch weer tot grotere samenwerking tussen de landen te komen. Het lijkt mij geboden dat de Nederlandse regering daar zo positief als maar mogelijk is, mee omgaat. Dat bijvoorbeeld tussen Sint-Eustatius en Saba aan de ene kant en Sint-Maarten aan de andere kant in economisch opzicht een volledige staatsgrens loopt, die tot extra kosten bij overschrijding van deze grens leidt en bijvoorbeeld tot dubbele btw-heffing, is toch eigenlijk te gek binnen één Koninkrijk.

Dus geen enkele reden om nu tegen dit wetsvoorstel te stemmen, maar er is nog genoeg te verbeteren. Voor de nieuwe regering, want deze minister heeft zijn hele periode lang zijn best gedaan. Hij heeft veel aandacht besteed aan en veel inzet getoond voor het Koninkrijk als geheel, en vaak met goede gevolgen, alhoewel het ook wel kwade gezichten heeft opgeleverd. Ik ben hem daar zeer dankbaar voor.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan de heer Van Hattem.