Plenair Ten Hoeve bij behandeling Termijnen verlening Nederlanderschap



Verslag van de vergadering van 26 september 2017 (2017/2018 nr. 1)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 18.58 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris, want hij heeft inderdaad heel helder en heel consistent de hier gemaakte opmerkingen beantwoord. Voor een heel groot deel kan ik mij vinden in zijn benadering, in ieder geval wat het eerste punt betreft: de verlenging van de naturalisatietermijn van vijf naar zeven jaar. De staatssecretaris zegt daar heel nadrukkelijk over: dat is een politieke keuze; hier valt weinig te bewijzen. Ik denk dat dat inderdaad het geval is. Veel bewijzen heb je daar niet voor. Maar ik blijf wel bij mijn gevoel dat een zevenjarige termijn niet echt kan bijdragen aan de integratie van de mensen die dit betreft. Misschien dat een vijfjarige termijn dat beter zou kunnen doen, maar het blijft een kwestie van gevoel en er is weinig te bewijzen. Ik houd het op vijf jaar.

Over het andere punt, de driejarige verplichting voor echtgenoten of geregistreerd partners van Nederlanders om in Nederland te komen wonen, is misschien iets meer te zeggen. Naar aanleiding van de tweede termijn van mevrouw Oomen zou misschien gedacht kunnen worden dat de belofte van de staatssecretaris om maatwerk te leveren met betrekking tot het middelenvereiste, de angel uit het probleem zal halen. Maar dat is wat mij betreft niet het geval. Zoals ik daarstraks in een interruptie al zei: het gaat er mij principieel om dat wanneer iemand met een Nederlander is getrouwd of daar geregistreerd partner van is, binnen deze familiaire verhouding het recht bestaat om gezamenlijk één nationale basis te kiezen, die men ook kan vinden in het Nederlanderschap. Dat maken wij in een aantal gevallen onmogelijk door de eis om hier te wonen. De term "importbruiden" is in dit verband al gevallen. Het zou inderdaad voor mensen een belemmering kunnen zijn om met die algemene termijn van drie jaar gehuwd of partnerschap in te stemmen. Het zou de neiging kunnen geven om daar extra belemmeringen voor op te werpen. Ik vraag mij af in hoeveel gevallen dat echt voorkomt. En als het voorkomt, dan vraag ik mij ook af of je dit als misbruik van de regeling zou moeten zien of dat je dit als de natuurlijke gang van zaken, die er in dit geval bij hoort, zou moeten accepteren. Dus ook in dit geval deel ik niet de conclusie van de staatssecretaris dat het verantwoord is om zo veel extra belemmeringen op te werpen tegen iets wat voor mij een volledig natuurlijk fenomeen is.

Ten slotte. Dit heeft eigenlijk niet met dit wetsvoorstel te maken, maar ik wijs er nog maar even op dat een deel van mijn eerste inbreng uitdrukkelijk bedoeld was om aan te geven dat ik bezwaar heb tegen het feit dat wij zo veel moeite hebben met dubbele staatsburgerschappen. Ik denk dat dat niet goed is voor de mensen die zich verbonden voelen met een staat of een natie. Daar zouden wij toleranter in moeten wezen, denk ik.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan mevrouw Bikker.