Plenair Verheijen bij voortzetting behandeling Wijziging Mijnbouwwet



Verslag van de vergadering van 20 december 2016 (2016/2017 nr. 13)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 22.42 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Verheijen i (PvdA):

Voorzitter. Ook wij danken de minister voor de beantwoording van de toch technisch complexe en maatschappelijk gevoelige onderwerpen die we vandaag besproken hebben. Wij hadden een debatje over de positie van ons gasgebouw en de rol van de rijksoverheid daarin. Ik meende enig onbegrip bij de minister te bespeuren als het gaat om wat daar speelt in de rol van vergunningverlener enerzijds en van eigenaar anderzijds, van EBN bijvoorbeeld. Ik denk dat het in de Nederlandse bestuurscultuur een uitgangspunt is dat wij de scheiding van rollen proberen zo ver mogelijk door te voeren waar dat nodig is. Ik verwees ook naar de adviezen van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid. Natuurlijk heeft de regering veel van de adviezen van de Onderzoeksraad overgenomen, maar niet op dit punt ten aanzien van de positie van SodM. Ik begrijp uit de aanvullende beantwoording die de minister daarna in zijn betoog heeft gedaan dat hij wel degelijk streeft naar meer transparantie in dat gasgebouw en dat hij de rollen die daar aan de orde zijn wil herijken. Ik vertrouw op zijn inzet om te komen tot die scheiding en de verantwoordelijkheden beter te maken dan ze in de afgelopen jaren waren. Ik denk dat de verwijzing naar de afbouw van de gaswinning onvoldoende is, want we hebben ook uit zijn betoog begrepen dat we daar een bron van energie hebben die we nog jaren noodzakelijk zullen moeten inzetten. Het is dan wel belangrijk om te komen tot herziening van het gasgebouw zoals het de afgelopen 50 jaar heeft gefunctioneerd.

Op de tweede plaats heeft de minister in de beantwoording gesproken over jurisprudentie ten aanzien van het bepalen van het effectgebied en hij heeft gezegd dat de rechter daar uiteindelijk het laatste woord over zal hebben. Dat lijkt voor de hand te liggen. Mijn vraag daarbij was of er in het kennisprogramma expliciet een opdracht is gegeven of wordt gegeven om de effectgebieden in een langjarig onderzoeksprogramma verder te duiden, zodat die motivaties gehanteerd kunnen worden bij juridische procedures. Als er wetenschappelijke overeenstemming en consensus is wat betreft de onderbouwing van de mogelijke effectgebieden kan dat leiden tot een snellere afhandeling van procedures. Ik heb begrepen dat het antwoord in de richting van mevrouw Klip was dat daar wel degelijk aandacht voor gevraagd gaat worden. Ik hoor dat graag nog eens expliciet.

Op de derde plaats ben ik blij met de toezegging dat wij het meerjarenprogramma inzake het langjarig perspectief krijgen aangeboden. Ik heb dat natuurlijk nog niet gezien. Ik ga ervan uit dat het bestuursakkoord, Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen, dat medio 2018 afloopt, op het goede moment wordt verlengd op basis van de voorstellen die dan in het meerjarenprogramma worden gedaan.

Ten slotte heeft onze fractie een dilemma, omdat de minister op het punt van de schadeafhandeling, de positie van de Nationaal Coördinator, de neutralisering van de positie van de NAM en de verzelfstandiging van de positie van het CVW ons inderdaad toezeggingen heeft gedaan waar wij zeer tevreden mee zijn. Wat ons wat ongewis maakt is het tempo waarin de voorstellen aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. De minister noemde juli 2017 als het eerste moment waarop het kabinet voorstellen aan de Tweede Kamer kan voorleggen. Wij vragen ons af of het niet verstandig zou zijn om toch een motie op dit punt vast te stellen om uit te spreken dat we het beleid van de minister in dezen ondersteunen. De uitgangspunten die de minister heeft geformuleerd komen naadloos overeen met wat er in deze Kamer is gezegd. Daarom dien ik deze motie in.

De voorzitter:

Door de leden Verheijen, Barth, Beuving, Nooren en Sini wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat als gevolg van de gaswinning in Groningen er nog steeds een toename is van materiële en psychische schade;

overwegende dat er, gelet op de noodzaak om te komen tot een eenduidige en voortvarende aanpak van de schadeafhandeling, de wens is om de rol van het Centrum Veilig Wonen (CVW) en de NAM te neutraliseren en de positie van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) bij dit proces te versterken;

verzoekt de regering, zo snel mogelijk met voorstellen te komen die de NCG doorzettingsmacht verschaft bij schadeafhandeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter K (34041).