Plenair Kuiper bij behandeling Wijziging Mijnbouwwet



Verslag van de vergadering van 20 december 2016 (2016/2017 nr. 13)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 10.56 uur


De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Hoewel de schriftelijke voorbereiding van deze wetsvoorstellen namens mijn fractie door mijn collega Peter Ester is gedaan, voer ik bij afwezigheid van deze collega vandaag het woord. Ik hoop dat net zo diepgravend of — misschien nog toepasselijker — "diepborend" te doen als hij dat pleegt te doen.

Voor ons ligt een drietal belangrijke wetsontwerpen. Allereerst het wetsontwerp dat een implementatie betreft van een Europese richtlijn betreffende de veiligheid van offshoreactiviteiten, met name in de olie- en gaswinning op zee. Aanleiding zijn rampen, onder andere in de Golf van Mexico, die het bewustzijn hebben verhoogd van de enorme risico's van gas- en oliewinning op zee bij calamiteiten. Het gaat hier om de implementatie, zoals gezegd, van een Europese richtlijn die in de praktijk vooral ziet op activiteiten op de Noordzee. In de richtlijn zijn de systemen uit de verschillende betrokken landen met elkaar in overeenstemming gebracht. Nieuw in dit wijzigingsvoorstel is om een groot aantal bepalingen dat op zee wordt voorgeschreven ook toe te passen op land. Daar staan immers ook winningsinstallaties en kunnen zich eveneens grote gevaren voordoen. Als ik het goed zie, is deze uitbreiding naar land ingegeven door het commentaar van de Raad van State. Mijn vraag aan de minister is of andere landen ook overgaan tot die uitbreiding naar land. Met andere woorden: wordt de logica van deze stap ook in andere gas- en oliewinnende landen gezien en worden in dit opzicht ook de systemen met elkaar in overeenstemming gebracht?

Mijn tweede vraag over dit wetsvoorstel is welke gevolgen de brexit heeft voor het veiligheidsregime op de Noordzee, waarover deze richtlijn zich immers uitspreekt. Wat zal de Britse positie worden? Wordt daarover met hen gesproken? Tot slot zou ik van de minister willen weten wat de consequenties zijn voor de visserij. Er wordt wel gesproken over de belangen van de visserij in dit opzicht, maar is de sector ook geconsulteerd over deze wet?

Ik wil wat langer stilstaan bij het wetsvoorstel veiligheid en regie. Dat heeft twee contexten, zou men kunnen zeggen. De eerste context is die van onze nationale ervaringen en problemen met de gaswinning in Groningen, de veiligheid in brede zin van burgers en de vraag naar de zeggenschap over mijnbouwactiviteiten. De tweede context is die van de energietransitie, waarbij het gebruik van de ondergrond in een nieuw licht komt te staan in verband met onder meer het gebruik van aardwarmte, opslagcapaciteiten en de winning van delfstoffen in het algemeen.

Het is duidelijk dat de gaswinning in Groningen de les heeft geleerd dat hier soms ongedachte risico's aan kleven. Ik leerde lang geleden op mijn basisschool nog dat aardbevingen in ons land niet voorkomen. Inmiddels weten we wel anders. Risico's van deze aard hebben in een betrekkelijk dichtbevolkt land als Nederland direct grote gevolgen.

Voor toekomstige activiteiten zal de Structuurvisie Ondergrond leidend zijn. Deze zou moeten aangeven waar in de toekomst mijnbouwactiviteiten kunnen plaatsvinden en waar niet, mede met het oog op onder meer natuur en milieu, de leefomgeving en een veilige drinkwatervoorziening. Het ontwerp van die langverwachte structuurvisie is een maand geleden gepresenteerd door de minister van Infrastructuur en Milieu, mede namens deze minister. Het is mooi dat Nederland het gebruik van de ondergrond nauwkeurig in kaart weet te brengen en hierin internationaal koploper is.

Ten aanzien van de olie- en gaswinning is het beleid echter niet restrictief. Uiteraard wordt beseft dat we ons in het licht van de noodzakelijke energietransitie minder afhankelijk moeten maken van fossiele brandstoffen, maar tegelijkertijd wordt aangegeven dat het belangrijk is om de winning van gas uit kleine velden voort te zetten en wellicht te intensiveren. Daarbij speelt onze afhankelijkheid van nationaal gewonnen gas in veel opzichten. Toch blijft het de vraag of we echt alles op alles moeten zetten om dit gas te winnen, gelet op de veiligheid en het draagvlak onder de bevolking. Niet alles wat technisch kan, moet ook gebeuren. Wat is de opvatting van deze minister met betrekking tot dit vraagstuk?

Ik wil vervolgens iets vragen over de rol van gemeenten, hun adviesrol en de inspraak van burgers. Dit onderwerp kwam ook al even voorbij in de bijdragen van het CDA en GroenLinks. Zoals we weten, was de inspraak van burgers een centraal thema in het rapport van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid naar aanleiding van de gevolgen van de gaswinning in Groningen. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, geeft een indirecte rol aan gemeenten in de fase van de aanvraag van een opsporings- en winningsvergunning en een toenemende betrokkenheid van gemeenten bij de verlening van een omgevingsvergunning, dus wanneer het gaat om de toestemming voor echte activiteiten. De provincie, en dus niet de gemeenten, heeft een directe adviesrol in de richting van de minister. Het belangrijkste argument daarvoor is dat in de fase van de opsporing nog onduidelijk is in welk gebied er precies winningsactiviteiten zullen plaatsvinden.

Deze redenering heeft een mate van abstractie die we moeilijk kunnen volgen. De Structuurvisie Ondergrond laat immers vrij precies zien waar bijvoorbeeld de kleine gasvelden zich bevinden. Nog concreter: de gemeente Woerden weet allang dat zich daar een klein gasveld onder een plaatselijke woonwijk bevindt. Zou voor dat gasveld een opsporingsvergunning worden verleend met uitzicht op exploitatie, dan is de bevolking in rep en roer. Een aantal jaren geleden hebben we gezien wat voor commotie een mogelijke CO2-opslag bij Barendrecht gaf. Wat mijn fractie betreft, moeten burgers en gemeenten van meet af aan betrokken zijn. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid heeft gezegd dat het burgerperspectief structureel en herkenbaar meegenomen moet worden. Wij vragen ons af of dit nu gebeurt en of dit wetsvoorstel daarvoor voldoende mogelijkheden biedt.

In dit verband heb ik nog een ophelderingsvraag. In dit wetsvoorstel wordt aangegeven dat het bij het afgeven van een opsporings- en winningsvergunning om "marktordeningsinstrumenten" gaat. Er vinden nog geen activiteiten plaats. Een opsporingsvergunning betekent niet de toestemming om te boren, een winningsvergunning geeft niet de toestemming om concrete winningsactiviteiten uit te voeren. Wordt de werkelijkheid hier niet te "clean" voorgesteld? Immers, op andere plaatsen in de wetsvoorstellen die voorliggen, wordt gesproken over proefboringen en in het wetsvoorstel inzake de veiligheid van offshore (34041) gaat het over "installaties bestemd voor opsporing van olie en gas" en verderop over "risico's" die met de opsporing verbonden zijn. Kan de minister dit ophelderen?

Dit raakt dus opnieuw het punt van lokale steun, draagvlak en inspraak. Als het zo is dat zelfs bij de eerste trap van activiteit, namelijk de opsporing, installaties nodig kunnen zijn en er rekening moet worden gehouden met risico's, zal de bevolking al snel op zijn qui-vive zijn, en terecht. Dan is een indirecte vorm van burgerinspraak ontoereikend. Ook zou de gemeente al eerder in het proces een sterkere positie moeten kunnen innemen in procedures om te komen tot een winningsplan. Dat zou zich kunnen uiten in vroegtijdige consultatie. Ik hoor graag een reactie van de minister op dit onderdeel.

Ik heb tot slot een enkel woord over de zogenaamde novelle die de omkering van de bewijslast regelt bij schade aan gebouwen in het "effectgebied" van de gaswinning in het Groningenveld. Mijn fractie ziet hierin een belangrijk gebaar in de richting van burgers die niet om deze winning hebben gevraagd, maar wel lijden onder de collectieve schade die er is. Daarom is het goed dat dit "wettelijk bewijsvermoeden" wordt gestipuleerd. Wij steunen dit. Moge dit bijdragen aan het herstel van het rechtsgevoel en het vertrouwen van burgers in Groningen!