Plenair Schrijver bij behandeling Internationale veiligheidsstrategie



Verslag van de vergadering van 31 mei 2016 (2015/2016 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.07 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schrijver i (PvdA):

Voorzitter. Dit beleidsdebat handelt over internationale veiligheid. Dat heeft allereerst te maken met gewapende conflicten tussen en binnen staten of met de dreiging daarvan, maar het heeft ook te maken met de vraag hoe vrede te bestendigen via armoedebestrijding, rechtvaardige verdeling van rijkdom, politieke participatie, duurzame ontwikkeling, respect voor mensenrechten, opbouw en onderhoud van rechtsstaten en goed bestuur. Dat is natuurlijk een heel brede benadering van veiligheid. Het behelst meer dan nationale veiligheid, hoe belangrijk deze ook is. Het gaat ook om veiligheid voor mensen, om menselijke veiligheid. Dat geeft al aan hoezeer interne en externe veiligheid met elkaar zijn verweven. Deze brede benadering van veiligheid is de gedeelde verantwoordelijkheid van nationale staten, internationale organisaties, maatschappelijke bewegingen, de particuliere sector en individuele burgers. De PvdA wil dat alle inspanningen gericht zijn op het voortdurend nastreven van die gedeelde en menselijke veiligheid in een inderdaad turbulente wereld. Dat roept de vraag op wat de rol van Europa en ook de rol van Nederland hierbij kan zijn. Dit zal ook de rode draad zijn in de vijf onderwerpen die ik hierbij namens mijn fractie kort aan de orde zal stellen.

Allereerst wil ik iets zeggen over de Turkijedeal in een breed perspectief. De veiligheid van de Syrische en de Iraakse bevolking staat enorm op het spel. In Syrië zijn miljoenen mensen van huis en haard verdreven; enkele honderdduizenden zijn gedood. De vooruitzichten op een structurele oplossing zijn ver te zoeken. De stroom vluchtelingen uit dit oorlogsgebied houdt nog steeds aan. Wij blijven met de regering staan voor een ruimhartig opvangbeleid hier en in de regio. Voor de opvang in de regio is de zogenoemde Turkijedeal essentieel. Bij alle kritiek mogen we niet vergeten dat Turkije bijna 3 miljoen Syriërs heeft opgevangen, Libanon 1,2 miljoen en Jordanië bijna 1 miljoen. Het zijn de landen van eerste opvang. We kunnen zien dat de boog daar enorm gespannen staat. Naast voortgezette humanitaire en financiële hulpverlening aan Libanon en Jordanië blijft het van belang om de cruciale rol van Turkije te erkennen en om de samenwerking daarop te richten. Dit moet uiteraard niet tot elke prijs, maar mijn fractie juicht de Turkijedeal toe als een belangrijke voorwaarde om de aanzwellende stroom van vluchtelingen te beheersen en om met Europese hulp een menswaardige opvang in Turkije te verwezenlijken. Natuurlijk, als Turkije onder het voorwendsel van de vluchtelingencrisis of van terrorismebestrijding een jacht op de Koerden gaat ondernemen en op fundamentele vrijheden in Turkije beknibbelt, moeten wij Turkije daarop aanspreken in onder meer de Raad van Europa, waar ook Turkije partij is bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar de EU moet ook niet met steeds wisselende eisen aan Turkije komen. Het lijkt de PvdA-fractie goed om het vluchtelingenvraagstuk te depolitiseren. Wij vragen de regering om op deze stellingname te reageren.

Daarnaast informeert mijn fractie naar het karakter en de laatste stand van zaken van de Turkijedeal. Is deze vooral een kaderafspraak op zo'n 14 A4'tjes tussen de Europese Unie als vertegenwoordiger van de lidstaten en Turkije? In hoeverre zijn de lidstaten daar reeds aan gebonden? Of moeten er nog bepaalde stappen gezet worden om dat te bewerkstelligen? En welke zijn dat dan? Wat is hier de Nederlandse positie? Wat zouden de gevolgen zijn voor vluchtelingenopvang en vluchtelingenbeleid, in de regio en in West-Europa, als de Turkijedeal onverhoopt schipbreuk gaat lijden?

Naleving van het VN-Vluchtelingenverdrag is hierbij cruciaal. Natuurlijk is de tekst van dit verdrag hier en daar verouderd, maar zoals bij vele verdragen zijn in een dynamisch-evolutionaire context de toepassing en de uitleg nu gestoeld op de hedendaagse betekenis. Daar zit geen woord Frans bij. Het gaat om mensen die zich uit gegronde vrees voor hun veiligheid en leven uiteindelijk gedwongen voelen om hun vertrouwde omgeving te verlaten. Het verdrag heeft geen betrekking op economische migranten. Daarnaast is het VN-Vluchtelingenverdrag een mondiaal verdrag. De werking van het verdrag is niet beperkt tot vluchtelingen uit Europa. Deelt de regering deze twee uitgangspunten?

Het is nu vijf jaar geleden dat de Arabische Lente een vonk van hoop op vrijheid en democratie deed ontvlammen. Maar in nogal wat Arabische landen ...

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Heb ik goed begrepen dat de PvdA-fractie van mening is dat de Turkijedeal volledig in overeenstemming is met het VN-Vluchtelingenverdrag en dat het op geen enkele wijze schuurt? Is dat een juiste indruk?

De heer Schrijver (PvdA):

Er is een kleine ongemakkelijkheid in de zin dat Turkije zelf geen volwaardig partij is bij het VN-Vluchtelingenverdrag. In de praktijk van het Turkse beleid past men het echter wel grotendeels toe. Zoals u weet, behelst de Turkijedeal 72 afspraken tussen de EU en Turkije. Daarbij zit ingesloten een behoorlijke behandeling van vluchtelingen. Dat zal niet altijd helemaal gebeuren volgens de standaarden van de Procedurerichtlijn die in de Europese Unie wordt toegepast, maar Turkije is geen lid van de Europese Unie en houdt zich wel aan de geest van het VN-Vluchtelingenverdrag.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Is de heer Schrijver ervan op de hoogte dat er verschillende berichten zijn over de manier waarop teruggestuurde Syrische vluchtelingen worden behandeld in Turkije, en dat dit niet altijd in overeenstemming is met letter en geest van het VN-Vluchtelingenverdrag? Weet hij dat er ook Griekse rechters zijn geweest die vraagtekens hebben gezet bij de legale mogelijkheid om Syrische vluchtelingen terug te sturen naar Turkije?

De heer Schrijver (PvdA):

Ja. Met u zijn wij daar goed van op de hoogte en zijn wij daar bezorgd over. Daarom willen we ook zo veel mogelijk invloed uitoefenen op Turkije. En dat doen we niet door ze te isoleren, maar door de samenwerking te zoeken. Dat is, wonder boven wonder, neergelegd in de Turkijedeal. De uitvoering kent tal van problemen, maar wij zijn ervoor om die problemen op te lossen en niet nu de samenwerking naar nul terug te schroeven.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mijnheer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Nog een laatste vraag hierover. Is de heer Schrijver, in het licht van de huidige politieke ontwikkelingen in Turkije, de verhouding met de Koerden, de positie van Koerdische parlementsleden en de reactie van Erdogan op bepaalde elementen van de Turkijedeal, optimistisch over de voort te zetten samenwerking met Turkije bij de uitvoering van de Turkijedeal?

De heer Schrijver (PvdA):

Dank voor uw vraag. Ik ben daar niet optimistisch over, maar ik ben wel realistisch. Als wij niet de samenwerking met Turkije zoeken en proberen om onze invloed uit te oefenen via de samenwerking tussen de EU en Turkije, via de Raad van Europa en via andere gremia, zal de situatie beroerder zijn.

Ik ga terug naar het Midden-Oosten. Ik zei dat in nogal wat Arabische landen de Arabische Lente helaas in een vuurzee is ontaard, zoals in Libië, Yemen en Syrië, of uiteindelijk de ene dictatuur door de andere is afgelost, zoals in Egypte. Hier is de bittere les dat vrijheid en democratie beter langs de weg van de geleidelijkheid tot stand gebracht kunnen worden en stevig moeten wortelen in de samenleving om te kunnen beklijven. Daarbij kan lang volgehouden betrokkenheid van de internationale gemeenschap, via ontwikkelingsprojecten en versterking van de rechtsstaat, een belangrijke rol spelen. Dat is een zaak van lange adem, zoals de ervaringen in bijvoorbeeld Afghanistan en Irak leren. Het roept de vraag op of de vrije westerse wereld die lange adem kan opbrengen, getuige ook de verminderde ontwikkelings- en defensie-inspanningen van een aantal westerse landen. Hoe staat de Nederlandse regering hierin?

Grondoorzaak van de vluchtelingenproblematiek is de uitzichtloosheid op gedeelde vrede en menselijke veiligheid, met name in Syrië. Hoe ziet de regering de vredesbesprekingen zich ontvouwen? Het bestaan van de International Syria Support Group is een hoopgevend teken, maar deze bestaat wel uit een bont gezelschap van landen met zeer uiteenlopende belangen. Hoe schat de regering de rol van en de verhoudingen tussen sleutelspelers in, zoals Rusland, de VS, China en Iran? En hoe ziet zij de rol van de EU hierin, inclusief die van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini zelf? Alleen een volwaardige en veelomvattende internationale vredesstrategie voor Syrië kan op termijn soelaas bieden. In hoeverre is dit reeds bespreekbaar? Of wordt alle aandacht opgeëist door de urgentie van alledag over het bereiken van een staakt-het-vuren, de levering van humanitaire hulp en een gesprek tussen de Syrische partijen? En voor zover het reeds mogelijk is te spreken over naoorlogse vredesopbouw, hoe zou deze het beste georganiseerd kunnen worden? Daarbij zal waarschijnlijk een cruciale rol weggelegd zijn voor de Verenigde Naties, inclusief UNICEF en UNDP, en haar gespecialiseerde organisaties zoals Wereldbank, FAO en WHO. Zijn de lidstaten, inclusief Nederland, bezig deze organisaties op een dergelijke rol voor te bereiden?

We hebben reeds een uitgebreid schriftelijk overleg met de regering gevoerd over de rechtsgrondslag van het militaire optreden in Irak en Syrië naar aanleiding van de artikel 100-brieven. Indachtig de rol van de Eerste Kamer hebben wij dit overleg toegespitst op het achterliggende juridische kader. Mijn fractie dankt de regering voor de uitvoerige beantwoording. Het is duidelijk dat een bijzondere lappendeken aanwezig is van rechtsgrondslagen, die elkaar deels ook nog overlappen. Het recht op zelfverdediging van Irak speelt daarin een belangrijke rol en dat strekt zich uit tot het Syrisch grondgebied, daar waar de commandocentra van ISIS in Syrië en de aanvoerlijnen van gevechtseenheden en munitie vanuit Oost-Syrië Irak bedreigen. Tegelijkertijd zien we ook dat het Assad-regime op basis van het Syrische recht op zelfverdediging de hulp van Rusland en Iran heeft ingeroepen. Op zijn beurt roept ook Turkije het recht op zelfverdediging in om zich tegen gewapende aanvallen vanaf Syrisch grondgebied te weren; daarbij speelt uiteraard de moeilijke Koerdische kwestie helaas een vergiftigende rol; we hadden het er al even over.

We gaan dat uitvoerige schriftelijke overleg hier niet mondeling overdoen. Wel heeft mijn fractie enkele aanvullende vragen. Deze vragen hebben in essentie betrekking op de vraag hoe van het recht op zelfverdediging, uiteindelijk toch een vorm van eigenrichting, te komen in het collectieve veiligheidsspoor van de VN. Mijn fractie had bijvoorbeeld een appreciatie van de regering gevraagd van de aanvullende, mogelijke legitimerende waarde die van paragraaf 5 van Veiligheidsraadresolutie 2249 van 20 november 2015 kan uitgaan, die na de aanslagen in Parijs unaniem is aangenomen. Deze is niet gegoten in de vereiste standaardtaal van de Veiligheidsraad voor een volkenrechtelijk mandaat tot geweldgebruik, maar gaat wel een eind in die richting. Kan deze resolutie, in combinatie met andere, waaronder de belangrijke resolutie 2254 die handelt over een integraal vredespakket voor Syrië, worden opgevat als een mogelijkheid, misschien wel niet meer dan een strohalm, om toch van het spoor van collectieve zelfverdediging van Irak, de huidige rechtsgrondslag voor het Nederlandse militaire optreden, in het ons inziens veel betere spoor van collectieve veiligheid in het kader van de VN te komen? Dat vereist samenwerking, ook met Rusland, Iran en China. Wij stellen de regering graag in de gelegenheid, hierop alsnog te antwoorden. Daarbij vraag ik ook de minister van Defensie om een update te geven over de militaire inzet van onze F-16's in Syrië. Collega Van Dijk verwees er al naar dat de precisie van onze F-16's aanvankelijk enorm werd geprezen, wat ten grondslag lag aan het verzoek van de Fransen en de Amerikanen aan Nederland om onze luchtbombardementen ook tot Syrië uit te breiden, terwijl ons later berichten bereikten dat dit grotendeels achterwege moest blijven omdat de communicatieapparatuur daar onvoldoende op is ingesteld.

De hamvraag is uiteraard uiteindelijk of de acties tegen ISIS effectief zijn. Of is toch langzamerhand de bittere les dat een geharnaste gewapende groepering als ISIS en een fanatieke ideologie over een te stichten kalifaat zich niet uit de lucht weg laten bombarderen? Mijn vraag aan de regering is of we in feite niet — met de handen op de rug gebonden — om de heel hete brei heen lopen omdat uiteindelijk alleen een alomvattende vredesstrategie, met als militaire componenten luchtbombardementen én grondtroepen, en geheel ingebed in die vredesstrategie, en niet parallel daaraan, op z'n best enige kans van slagen heeft?

Nog dichter bij huis bevindt zich het conflictgebied in Oekraïne. Gelukkig blijkt een deel van de wapenstilstand op basis van Minsk II te beklijven. Daarbij vervullen de peace monitors van de OVSE, ongeveer 1000 medewerkers, ongewapend een belangrijke toeziende functie. Bij ons vorige debat in 2015 heeft de Eerste Kamer met overgrote meerderheid een PvdA-motie aangenomen om de rechtspersoonlijkheid van de OVSE op een betere juridische leest te schoeien. We zijn verheugd dat de regering, na een aanvankelijk nogal karige reactie in december, in januari 2016 alsnog uitvoerig op deze motie is ingegaan. Wij zijn ons diep bewust van de tegenstellingen hierover, met name tussen Rusland en de Verenigde Staten, maar de OVSE is een organisatie van 57 lidstaten en nog meer dan de andere opgericht om Europa niet te laten gijzelen door het Oost-Westconflict. We weten inmiddels dat ook het Duitse voorzitterschap prioriteit zal geven aan dit onderwerp. Kan de regering ons in dit debat een update verschaffen over de stand van zaken en ook over de Nederlandse inzet daarbij?

Als we over Oekraïne spreken kom ik natuurlijk ook op de Nederlandse reactie op de uitslag van het referendum. Ik geloof dat allen zich oprecht bekommeren om de vraag wat de bijdrage van Europa kan zijn aan vrede, sociale vooruitgang, rechtsstaat en democratie in Oekraïne. Onze opvatting dat het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne daarbij een belangrijk instrument is, is niet veranderd sinds wij daarover met de regering op 7 juli 2015 van gedachten hebben gewisseld en voor de goedkeuringswet hebben gestemd. Anders dan beide Kamers, heeft een duidelijke meerderheid van de deelnemers aan het raadgevend referendum zich hiertegen uitgesproken. Wij vinden het verstandig dat de regering op basis daarvan heeft gesteld "niet zonder meer tot ratificatie" over te kunnen gaan. Graag vernemen wij van de regering hoe het overleg met de Europese partners en de Europese Commissie over deze kwestie verloopt. Op welke termijn denkt de regering tot besluitvorming te komen? Op een zeker moment zal de regering toch hom of kuit moeten geven, nu op ons land na alle verdragspartners de ratificatieprocedures hebben doorlopen?

Naar het oordeel van mijn fractie bestaan er diverse juridische methoden om op adequate wijze recht te doen aan de uitslag van het referendum. De meest voor de hand liggende methode is het maken van voorbehouden bij enkele onderdelen van de overeenkomst. Zo kan Nederland verklaren zich uitdrukkelijk niet te binden aan specifieke verdragsbepalingen. De associatieovereenkomst zelf verbiedt dit niet en onder het algemene verdragenrecht is het maken van een voorbehoud mogelijk, mits niet in strijd met het doel en de strekking van het verdrag. Een minder vergaande methode is het afleggen van interpretatieve verklaringen over hoe Nederland als verdragspartij bepaalde verdragsartikelen verstaat. Mijn vraag aan de regering is hoe zij hier in staat. Natuurlijk, de meest vergaande methode is natuurlijk de ratificatiewet intrekken. Mijn fractie is daar niet voor, gezien de grote belangen van gedeelde vrede, stabiliteit en opbouw van rechtsstaat en democratie die hier voor Oekraïne en Europa op het spel staan. Wij hebben er bovendien geen behoefte aan dat Poetin in zijn vuistje lacht.

We zijn in afwachting van de publicatie van de nieuwe Europese Veiligheidsstrategie van de EU Hoge Vertegenwoordiger Federica Mogherini.

De heer Koffeman i (PvdD):

Collega Schrijver zegt dat zijn fractie geen voorstander van niet-ratificatie van het Oekraïneverdrag is. Zijn collega's in de Tweede Kamer hebben gezegd de uitslag van het referendum te willen respecteren en overnemen. Betekent dit dat de PvdA-fractie in de Eerste Kamer daar anders over denkt dan de PvdA-fractie in de Tweede Kamer?

De heer Schrijver (PvdA):

Dank u wel voor uw vraag. Het is natuurlijk altijd interessant om daarover te speculeren. Zoals ik net heb aangegeven, wil ik ook mijn uiterste best doen om de uitslag van het referendum te respecteren. Dat hoeft niet per se via intrekking van de ratificatiewet. Ik weet dat dit uw opvatting is. Die hebt u vorig jaar juli uitgedragen. Het is alleen maar consistent dat u dit nu waarschijnlijk opnieuw bepleit. Er zijn alleen ook andere methoden. Daar vroeg ik aandacht voor, mede in acht nemende dat dit een raadgevend referendum is en mede in acht nemende dat beide huizen van het parlement voor hebben gestemd en dat bovendien 29 van de 30 verdragspartijen — de Europese Unie en Oekraïne zijn ook verdragspartij — het ratificatieproces hebben doorlopen. Het ligt dus niet zo simpel, niet zo zwart-wit; ja of nee. Je kunt ook andere methoden volgen om hetzelfde doel te bereiken.

De heer Koffeman (PvdD):

Het antwoord van collega Schrijver bevat veel bekende feiten. Mijn vraag was helemaal niet speculatief bedoeld. De fractie van de Partij van de Arbeid heeft in de Tweede Kamer klip-en-klaar gezegd: wij willen dat de uitslag niet alleen gerespecteerd wordt, maar ook overgenomen. De uitslag van het referendum was wel zwart-wit in termen van: wilt u ja of wilt u nee? Het was niet: wilt u het een beetje anders, wilt u dat we wat aanpassingen doen, wilt u dat we nog wat omwegen bewandelen? Het was: wilt u ja of wilt u nee? De Nederlandse bevolking heeft gezegd: wij willen nee. De Partij van de Arbeid-fractie aan de overkant heeft gezegd: dat zullen wij overnemen. Mijn vraag nu was: denkt u daar anders over dan uw collega's in de Tweede Kamer?

De heer Schrijver (PvdA):

Het antwoord is nee, want u gaat uit van een onjuiste veronderstelling. Ik herinner mij dat de Partij van de Arbeid met een meerderheid in het parlement juist niet voor het intrekken van de ratificatiewet nu heeft gestemd, maar de regering gevraagd heeft om voor de zomer met een standpuntbepaling te komen. Ik heb dat vandaag misschien in iets andere bewoordingen ook bepleit. Ik ben zo hulpvaardig geweest om alvast twee heel belangrijke methoden in de geest van ons standpunt daarbij aan de regering aan te reiken en vraag daarop een reactie.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat is mij helder. Ik doel niet op wat de Partij van de Arbeid heeft gezegd nadat de bevolking zich uitgesproken heeft. Voordat de bevolking zich uitsprak heeft de Partij van de Arbeid-fractie in de Tweede Kamer gezegd: wij zullen de uitslag respecteren en overnemen. Ik constateer dat van dat heldere standpunt in ieder geval weggedreven wordt.

De heer Schrijver (PvdA):

Ik denk dat we een helder standpunt hebben. Als de heer Koffeman vragen heeft over het standpunt van de Tweede Kamerfractie, moet ik hem naar de overzijde verwijzen.

We hebben in april in de Ridderzaal een interparlementaire conferentie gehad over het gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid. Daar hebben we gesproken over intensievere EU-defensiesamenwerking, parallel aan onder meer de samenwerking binnen de NAVO en de Benelux, en de Duits-Nederlandse samenwerking. Ik verwijs de regering naar onder meer paragraaf vijf van het slotdocument. Hoe ziet de regering de toekomst van de defensiesamenwerking binnen de EU en wat is haar inzet daarover bij het opstellen van de nieuwe Europese veiligheidsagenda? Ik sluit me wat dat betreft aan bij de zeer pertinente vragen van collega Knapen daarover. Hoever dient de noodzaak van een geïntegreerd Europees beleid, gecoördineerd door de Hoge Vertegenwoordiger, te gaan?

Tot slot nog een enkel woord over de rol van Nederland in de Verenigde Naties. Mijn fractie is verheugd over de voortgezette Nederlandse bijdragen aan diverse multilaterale VN-vredesoperaties, met name die in Mali. Ook dit is sterk verbonden met de strategie voor gedeelde en menselijke veiligheid die ik aan het begin van mijn betoog bepleitte. Dit betreft ook integrale veiligheid en daarom zijn wij verheugd over de sluiting van de remigratie-overeenkomsten met drie landen in West-Afrika; alle complimenten aan de minister van Buitenlandse Zaken voor zijn sleutelrol daarin namens de EU.

Wie het ministerie van Buitenlandse Zaken binnenwandelt, ziet op een klok hoeveel dagen de campagne voor een Nederlandse zetel in de VN-Veiligheidsraad voor de jaren 2017-2018 nog kan duren; welgeteld nu nog maar 28. Het is ongehoord spannend en wij wensen de regering daarbij alle succes toe. We hebben hoge verwachtingen voor een bezielende invulling van het lidmaatschap van Nederland in de Veiligheidsraad en we hebben daar zelf in het parlement ook allerlei ideeën voor. Graag zouden wij in de Eerste Kamer ingeval van verkiezing met de regering tijdig overleg plegen over de Nederlandse inzet in de Veiligheidsraad. Is de regering daartoe bereid?

Ook aanstaande is de verkiezing van een nieuwe secretaris-generaal van de Verenigde Naties; soms omschreven als de meest onmogelijke baan ter wereld, soms ook als de meest belangrijke. De verkiezing van een nieuwe secretaris-generaal voltrekt zich gewoonlijk in een grote schimmigheid en in een soort jokerspel tussen de permanente leden. Wij zijn gecharmeerd van het burgerinitiatief 1 for 7 Billion, een persoon namens zeven miljard, een campagne die mede door de Nederlandse Yvonne Terlingen vanuit New York wordt geleid. Steunt Nederland het pleidooi voor meer transparantie? Steunt Nederland de campagne 1 for 7 Billion, zoals onder meer ondersteund door de Interparlementaire Unie? Die campagne is namelijk gericht op de kwalificaties van de kandidaat en niet zozeer op zijn of — hopelijk — haar regionale afkomst?

Voorzitter, wij wachten met belangstelling de antwoorden van de regering af.