Plenair Van Hattem bij behandeling Tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15



Verslag van de vergadering van 24 november 2015 (2015/2016 nr. 9)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 13.55 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Voorzitter. De Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, die we vandaag bespreken, vormt de wettelijke grondslag voor tolheffing op deze twee nieuwe verbindingen. De PVV-fractie heeft er alle begrip voor dat de minister vaart wil maken met wegeninfrastructuurprojecten. Deze zijn hard nodig om de files aan te pakken. Het afgelopen jaar zorgden alle files samen voor een kostenpost van maar liefst 655 tot 852 miljoen euro, zo maakte de transportsector gisteren bekend.

De wijze van bekostiging van deze projecten is echter een ander verhaal. De minister geeft aan dat de middelen binnen het infrastructuurfonds ontoereikend zijn om de projecten ViA15 en Blankenburgverbinding volledig met publiek geld te bekostigen en dat er ook nog geen duidelijkheid is over een verlenging van het infrastructuurfonds. Daarom zou tolheffing op deze trajecten noodzakelijk zijn. De minister stelt in de memorie van antwoord echter ook het volgende: "Tolheffing kan achterwege blijven indien uit de verschillende regio's een aanvullende bijdrage wordt gedaan die gelijk is aan de tolopgave van het project. Tot dusver heb ik bij de regionale partijen hiertoe echter geen bereidheid gevonden." Dit geeft aan dat tolheffing geen absolute noodzaak is, maar vooral de consequentie van politieke keuzes in de besteding van middelen op rijks- en regionaal niveau. Het is immers niet zo dat er geen potentiële financieringsmogelijkheden zijn. De provincies hebben immers nog miljarden aan middelen beschikbaar uit verkopen van energiebedrijven.

Op 3 november jongstleden maakte het CBS nog bekend dat de provincie Gelderland een eigen vermogen heeft van 4,7 miljard euro. In principe zou de tolopgave voor het project ViA15 in die provincie dus makkelijk gedekt kunnen worden. Bovendien heeft de provincie Gelderland veel baat bij het project. De nieuwe ViA15-brug ontlast immers de provinciale weg N325 bij Arnhem.

De bijdrage die de regionale partners leveren aan deze rijkswegenprojecten kunnen we zeker waarderen. Het zou echter beter zijn, ook voor de regio's, als deze projecten gerealiseerd kunnen worden zonder tolheffing. Daarom vraag ik de minister of niet alsnog gezocht moet worden naar bereidheid bij de provincie om deze tolopgave te financieren. Dan kan alsnog van dit onnodige, complexe systeem van tolheffing worden afgezien.

Automobilisten betalen al motorrijtuigenbelasting. Daarbovenop komen ook nog de provinciale opcenten. De automobilist betaalt dus al een forse rekening aan de overheid, 20 miljard euro per jaar. Hieruit kan de wegeninfrastructuur gefinancierd worden. Extra tolheffing zou dus driedubbelop zijn. In plaats van dit geld te besteden aan onze eigen wegen wordt het nu via EU-afdrachten onder andere uitgegeven aan snelwegen in de westelijke Balkanlanden, zoals Albanië en Bosnië. De Europese Commissie heeft in dit kader voor de komende vijf jaar maar liefst 1 miljard euro toegewezen aan deze landen, als zogenaamde pretoetredingssteun. En dan Turkije, dat vanuit de EU zelfs 220 miljoen euro ontvangt van ons belastinggeld voor de aanleg van spoorweginfrastructuur in het kader van de TEN-T transportcorridors. Ons eigen rijksinfrafonds is ondertussen uitgeput en de automobilist mag hiervoor opdraaien met de voorliggende tolheffing.

Om terug te komen op de mogelijke bijdrage uit de regio, de opcenten motorrijtuigenbelasting worden door de provincies niet een-op-een ingezet voor de financiering van wegeninfrastructuur, maar als algemeen dekkingsmiddel. De automobilist is hierdoor de melkkoe voor de linkse hobby's, zoals de spilzuchtige subsidies aan schijnelitefeestjes, klimaatkolder en islamfaciliterende migrantenorganisaties. Als er al een snelweg van gefinancierd wordt, dan is het slechts de zogenaamde groene snelweg van de ecologische hoofdstructuur.

Wat de PVV betreft is het de wereld op zijn kop dat de inkomsten uit de opcenten niet rechtstreeks naar wegeninfrastructuur gaan. Steeds wordt daarvoor de drogreden aangevoerd dat de opcenten nooit als doelbelasting bedoeld zouden zijn. Opcenten waren oorspronkelijk wel degelijk een doelbelasting, ingesteld in 1965 om een Rijkswegenfonds te voeden. Pas begin jaren tachtig zijn de opcenten als bestuurlijk goedmakertje richting de provincies een algemeen heffingsmiddel geworden. De vraag is of het wenselijk is dat provinciebestuurders tot in lengte der jaren een claim kunnen blijven leggen op de opcenten motorrijtuigenbelasting als een algemeen heffingsmiddel, of dat zij, gelet op de problematiek van de financiering van wegeninfrastructuurprojecten, weer als doelbelasting aangemerkt zouden moeten worden. Graag een reactie van de minister.

Met de regio's zijn bestuursovereenkomsten afgesloten. In de bestuursovereenkomst over de ViA15 is ten aanzien van tolheffing in artikel 9, lid 2 het volgende opgenomen: "Bij tegenvallers in de geraamde tolopbrensten delen Rijk en de provincie Gelderland de kosten daarvan, waarbij de provincie Gelderland dat doet voor een maximumbedrag van 60 miljoen euro. Daarmee dragen Rijk en de provincie Gelderland gezamenlijk elk voor de helft het risico tot 120 miljoen euro. Daarboven staat het Rijk garant."

Hoe kan de minister deze bepaling rijmen met het karakter van het voorliggende wetsvoorstel, waarbij het uitgangspunt is dat het tolbesluit in ieder geval wordt ingetrokken, uiterlijk op het moment dat de netto-opbrengsten gelijk zijn aan de tolopgaven? Wanneer kan er dan sprake zijn van tegenvallende tolopbrengsten? Graag een reactie van de minister.

In een afgelopen 5 november getekende, aanvullende bestuursovereenkomst voor de ViA15 tussen het Rijk en de provincie Gelderland zijn maatregelen onder voorbehoud van meevallers bij realisatie opgenomen. Dit betreft niet-prioritaire maatregelen rondom het project, zoals inpassing van poelen, wandelpaden en fietspaden. Dit betekent dus dat de automobilist middels de tolheffing eventueel gaat meebetalen aan maatregelen die niet vallen onder het Tracébesluit. Waarom is er niet voor gekozen om deze eventuele meevallers in te zetten voor het verder beperken van de tolopgave? Graag een reactie van de minister.

Gelet op de voornoemde, alternatieve potentiële financieringsmogelijkheden is het bizar dat de minister moet teruggrijpen op het middel van tolheffing. Niet voor niets zijn alle rijkstollen al in 1900 afgeschaft en de gemeentelijke tollen in 1953. Tolheffing is een complex systeem en de automobilist betaalt al middels de motorrijtuigenbelasting en de opcenten. Uitbreiding van de tolheffing in Nederland is dan ook onwenselijk, zeker als de minister tegelijkertijd bezwaar maakt tegen de invoering van een Duits tolvignet. Moeten we dit wetsvoorstel zien als een volgende stap in de uitbreiding van tolheffing op de Nederlandse wegen? Wordt de Nederlandse automobilist in de toekomst wellicht opnieuw lastiggevallen met plannen voor rekeningrijden met tolpoortjes? Momenteel worden honderden miljoenen euro's uitgegeven voor het aanleggen van peperdure ecoducten. Moeten automobilisten straks wellicht ook tol gaan betalen om onder een ecoduct door te mogen rijden?

In de memorie van toelichting trekt de minister de conclusie dat de weggebruiker geen btw is verschuldigd over de te innen tolheffingen omdat de tol geheven wordt ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. Kan de minister bevestigen dat dit voor de gehele tolopgave ook zo zal blijven en dat de tolheffing nooit zal worden overgedragen aan een btw-plichtige privaatrechtelijke onderneming, zoals dat bij de Westerscheldetunnel het geval is? Graag een bevestiging van de minister.

Ook de betalingsmogelijkheden die in het kader van het nader op te stellen uitvoeringsplan nog zullen worden uitgewerkt, baren onze fractie zorgen. Onduidelijk is nog steeds of er geen rechtsongelijkheid kan optreden tussen Nederlandse en buitenlandse automobilisten indien de laatsten hun tolfactuur niet betalen. De minister geeft weliswaar aan dat het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van toezicht op het netwerk met de mogelijkheid, motorrijtuigen staande te houden en een direct te betalen bestuurlijke boete aan de bestuurder uit te reiken als hij geen tol heeft betaald. De vraag is echter in hoeverre dit systeem in de praktijk haalbaar en uitvoerbaar is. Een waterdicht systeem lijkt het in ieder geval niet te zijn. Graag een reactie van de minister.

De complexiteit van het systeem van de betalingsmogelijkheden voor deze tolheffing heeft veel weg van de provinciale weggeldkaart die tot 1940 enkel in de provincie Noord-Brabant gehanteerd werd om de provinciale wegen te bekostigen. Deze gold alleen voor bepaalde provinciale wegen en niet-ingezetenen moesten een aparte vijftiendagenkaart halen bij een gemeentekantoor. Een ingewikkeld en irritant systeem, dat voor veel verwarring zorgde en daarmee een stortregen aan processen-verbaal. De kans is groot dat anno 2015 het free-flow system voor tolheffing met een online gebruikersregistratie en met betaalmogelijkheden vooraf en achteraf minstens net zo verwarrend zal worden. Ook nu zouden zomaar weer veel boete-inkomsten kunnen worden geïnd. In 1914 haalde het zelfs de krant toen een lid van deze Eerste Kamer, mr. Van Lanschot, een proces-verbaal kreeg omdat hij zich zonder wegkaart op de Brabantse provinciale wegen had begeven. Ruim een eeuw later zal het wachten zijn op het eerste huidige Eerste Kamerlid dat zich in de krant zal beklagen over een boete vanwege het per ongeluk vergeten te betalen bij het passeren van de Blankenburgtunnel of de A15. Daarom nu beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

De PVV is verheugd dat eindelijk de schop de grond in kan voor de aanleg van de Blankenburgtunnel en de verlengde A15. Het blijft echter een brug te ver dat automobilisten die al zoveel motorrijtuigenbelasting en opcenten afdragen ook nog eens tol moeten gaan betalen.