Plenair Postema bij behandeling Overeenkomst betreffende het gemeenschappelijk afwikkelfonds



Verslag van de vergadering van 8 september 2015 (2014/2015 nr. 39)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 14.17 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Postema i (PvdA):

Voorzitter. Ik bevind mij in de gelukkige positie als spreker ingeklemd te zijn tussen twee collega's die vandaag hun maidenspeech houden. Ik feliciteer de senatoren Prast en Van Apeldoorn hartelijk met dit mooie en belangrijke moment.

Voorzitter. Andermaal wordt de Europese Unie op de proef gesteld. Nu eens niet vanwege een volledig ontspoorde bankensector of door destructief begrotingsbeleid van sommige van zijn lidstaten. Nee, nu gaat het om een humanitaire crisis als gevolg van grote groepen mensen die op drift zijn geraakt, mannen en vrouwen die samen met hun kinderen een uitweg zoeken uit de oorlog en de uitzichtloosheid. En ja, andermaal kraakt Europa. Stel echter toch eens voor dat de EU er niet was om zich deze problematiek aan te trekken, dat het alleen maar ieder voor zich zou zijn. Je beseft, zo redenerend, andermaal dat de Europese Unie veel meer is dan een economisch ideaal. Het is een beschavingsideaal. Het is ook, het moet ook zijn, een actor die opstaat en handelt wanneer dit nodig is. Dat is nu weer aan de orde, zoals dat aan de orde was en is sinds het uitbreken van de bankencrisis in 2008.

De overeenkomst die vandaag ter bespreking in onze Kamer voorligt, vloeit voort uit de gemaakte afspraken in het kader van de realisatie van de bankenunie. Hiertoe zijn de afgelopen jaren reeds diverse richtlijnen en verordeningen uitgebracht, onder andere voor het vaststellen van gemeenschappelijke regels, voor het toezicht op banken en bankgroepen alsook voor de besluitvorming in geval instellingen in financiële problemen geraken. De kern van dit laatste betreft het op Europees niveau tillen van de afwikkeling van financiële instellingen die in onomkeerbare problemen verkeren, waartoe de banken een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds bijeenbrengen.

De Partij van de Arbeid heeft zich sterk gemaakt voor de totstandkoming van een volledige Europese bankenunie. Een dergelijke unie sluit aan bij de toegenomen onderlinge afhankelijkheid van het Europese bankwezen en bij de Europese ambitie om samen sterk te staan. Hierbinnen is een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds passend, om te voorkomen dat in de toekomst wederom publieke bail-outs plaatsvinden en om de verantwoordelijkheid primair bij de banken en hun aandeelhouders zelf neer te leggen.

Het is opvallend dat de totstandkoming en toekomstige mutualisatie van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de vorm van een overeenkomst is gegoten, in plaats van in de vorm een richtlijn of een verordening zoals die bij de andere onderdelen van de bankenunie steeds zijn gehanteerd. Wij hebben begrepen dat met name Duitsland stond op goedkeuring bij algemene instemming, in plaats van bij een gekwalificeerde meerderheid. Nu is het natuurlijk alleen maar heel mooi wanner het afwikkelingsfonds op de instemming van alle afzonderlijke deelnemende lidstaten kan rekenen. Toch bevreemdt een dergelijke gang van zaken mijn fractie. Is het nu zo, zo is mijn eerste vraag aan de minister, dat er voor wet- en regelgeving op Europees niveau naar believen kan worden gekozen, geshopt zo u wilt, om dit buiten het Unierecht te doen? Wat zijn in dat geval dan eigenlijk de argumenten en criteria die hieraan ten grondslag liggen? Met andere woorden, wanneer acht ook onze regering het verdedigbaar of zelfs wenselijk om afspraken die evident betrekking hebben EU-aangelegenheden, in veel gevallen zelfs rechtstreeks voortvloeien uit richtlijnen of verordeningen, vorm te geven met een internationale overeenkomst waarin de Unie en haar vertegenwoordigers zelf geen partij zijn? Acht de minister het wenselijk dat politieke machtsverhoudingen niet alleen bepalend zijn voor de inhoud van wet- en regelgeving, maar klaarblijkelijk ook voor de juridische vormgeving daarvan?

De totstandkoming van een door de banken zelf gefinancierd fonds dat straks grensoverschrijdend inzetbaar is voor de onverhoopte afwikkeling van banken vormt een essentieel element van de nagestreefde Europese bankenunie. Hiermee moet in de toekomst voorkomen worden dat publieke middelen worden aangewend voor het overeind houden van zogeheten too-big-to-failbanken. College Prast refereerde daar al aan. Ook de ingroei van het fonds, met oplopende jaarbedragen en gefaseerde mutualisatie, is realistisch en daarmee verstandig. Wel kan kan men vraagtekens plaatsen bij de omvang van het fonds. 55 miljard euro is een hoop geld, maar nog steeds minder dan alleen al de ruim 70 miljard aan noodmaatregelen die de Nederlandse Staat in het kader van het reddingsplan van de diverse banken (ABN AMRO, ING, SNS en anderen) sinds het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 heeft moeten nemen. Lopen we nu niet het risico, zo vraag ik de minister, dat het afwikkelingsfonds straks too small to succeed blijkt? Heeft de regering zelf ook een inschatting gemaakt van de gewenste omvang van het fonds? En, in geval deze afwijkt van de 55 miljard die het fonds uit hoofde van de vandaag voorliggende overeenkomst gaat bedragen, hoe gaat zij dit binnen de bankenunie bepleiten?

Ondanks deze ons inziens geringe omvang van het afwikkelingsfonds constateren wij ook dat juist de bail-in van de banken via het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds niet alleen een nuttig instrument is voor resolutie, maar tevens een drempel is voor roekeloos gedrag. Dit overigens in de wetenschap dat bankencrises van alle tijden zijn, ook met een Europese bankenunie, inclusief een gemeenschappelijk en volledig gemutualiseerd afwikkelingsfonds. Blijvende inspanningen om het preventieve en gedragstoezicht bij de tijd te houden en passende resolutiemechanismen achter de hand te hebben, zijn dan ook geboden.

Dat brengt mij bij mijn laatste vragen aan de minister. Als ik het goed begrepen heb, presenteert Commissievoorzitter Juncker morgen het plan voor de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie. In het verslag met dezelfde titel dat enkele maanden geleden het levenslicht zag, en waarop ook de naam van onze minister van onze minister van Financiën als voorzitter van de eurogroep prijkt, wordt onder het onderdeel financiële unie gerefereerd aan de voltooiing van de bankenunie. Hierin speelt het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, waarover wij vandaag spreken, uiteraard een belangrijke rol. Er wordt echter ook gerefereerd aan een gemeenschappelijk achtervangmechanisme voor dit fonds, aan een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel en aan de lancering van de kapitaalmarktunie. Kan de minister aangeven wanneer deze laatstgenoemde stappen zijn voorzien en of het afwikkelingsfonds nu reeds voldoende is opgetuigd om daadwerkelijk effectief te kunnen zijn?

Wij zien de beantwoording met belangstelling tegemoet.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Apeldoorn, die zijn maidenspeech zal houden. Nu laat ik toch even de stemmingsbel luiden, zodat iedereen dat weet.