Plenair Kneppers-Heijnert bij behandeling Aanpak schijnconstructies



Verslag van de vergadering van 26 mei 2015 (2014/2015 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.15 uur


Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Voorzitter. Vandaag is de laatste normale vergaderdag van de Kamer in haar huidige samenstelling. Vandaag is het ook de laatste keer dat ik als senator namens mijn fractie in deze mooie plenaire zaal het woord mag voeren. Ik doe dat, ook al was het mijn eigen keuze om niet terug te keren, met enige weemoed. Wij kennen in de Kamer wel een inaugurele rede — hier "maidenspeech" genoemd — maar niet een afscheidsrede. Ik beschouw mijn bijdrage van vandaag als mijn afscheidswoord. Een "rede" is teveel gezegd. Het is een afscheidswoord dat evenals mijn maidenspeech gaat over een onderwerp op het terrein van sociale zaken.

De Wet aanpak schijnconstructies, die we vandaag behandelen, bevat geen omschrijving van wat een schijnconstructie is. De minister heeft eerder een schijnconstructie omschreven als "een constructie waar de feitelijke situatie afwijkt van de situatie zoals die wordt voorgespiegeld". Het doel van schijnconstructies is het omzeilen van wet- en regelgeving op het terrein van de arbeidsvoorwaarden, sociale verzekeringen, pensioenen en fiscale wetgeving. De gevolgen zijn ongewenst voor werknemers, voor bonafide werkgevers die oneerlijke concurrentie ondervinden en voor de overheid, die premies en belastingen misloopt. De Wet aanpak schijnconstructies beoogt uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt, die daar het gevolg van is, tegen te gaan door betaling van werknemers onder het minimumloon dan wel onder het cao-loon te bestrijden. Daar kan niemand tegen zijn.

Met een aantal maatregelen in het wetsvoorstel is de VVD-fractie het dan ook eens, zoals de verplichting om het verschuldigde minimumloon giraal te betalen en transparante loonstroken te verstrekken. Deze maatregelen hebben als neveneffect dat zij de controle vergemakkelijken en informatie-uitwisseling mogelijk maken tussen de inspectie en de privaatrechtelijke handhavers, de cao-partijen. Ook de verplichting om het minimumloon volledig uit te betalen en daarop geen inhoudingen onder het minimumloon te verrichten, heeft als doel de handhaving te vergemakkelijken. De VVD vindt uitvoering en handhaving van wetgeving zeer belangrijk en heeft dan ook begrip voor dit verbod, waar het in de praktijk voorkomende onzinnige inhoudingen betreft. De VVD-fractie maakt zich er wel zorgen over dat het kind met het badwater wordt weggegooid waar het gaat om inhoudingen van de zorgpremies. In elk geval ligt wanbetaling op de loer, maar bestaat daarmee tevens het risico dat mensen straks niet of niet meer verzekerd blijken te zijn voor de Zorgverzekeringswet?

Ook de zorgen van de uitzendsector met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten delen wij. We moeten niet uit het oog verliezen dat er gelukkig veel goedwillende werkgevers zijn die goede huisvesting aanbieden aan hun tijdelijke werknemers, maar die nu overwegen daarmee te stoppen omdat zij het debiteurenrisico niet willen en kunnen lopen. Deze punten zijn ook in de Tweede Kamer aan de orde geweest, maar de minister wilde daar niet ingaan op een amendement van de SGP daaromtrent. Wij zouden dan ook graag van de minister vernemen welke oplossingen hij ziet ingeval de zorgen met betrekking tot de zorgpremies en de huisvesting in de toekomst terecht blijken te zijn, want anders draaien anderen voor die kosten op. Of komt hij nog met een AMvB voor 1 juni, zoals hij heeft toegezegd maar waarvan hij tot voor kort nog niet wist wat hij daarin wil regelen? Naast AMvB's die definities bevatten die eigenlijk in de wet hadden gemoeten en die iets nieuws introduceren in plaats van de wet uitwerken, zoals het geval is met de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en de Wet dieren, is er nu sprake van een nieuw fenomeen: een lege AMvB, waarbij de Eerste Kamer op de dag van de behandeling en een maand voor de door de regering beoogde inwerkingtreding van de wet niet weet wat erin komt te staan.

Het inhoudingsverbod gaat per 1 januari 2016 in, terwijl de minister de wet per 1 juli in wil laten gaan. In de memorie van antwoord op vragen van mijn fractie hierover heeft de minister gezegd dat werkgevers en werknemers enige tijd moet worden gegund om bestaande betalingsverplichtingen op een andere wijze te regelen. Dit begrijpt mijn fractie. Naar onze mening geldt dit echter ook voor afspraken die opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten maken om te komen tot niet-verwijtbaarheid en het inrichten van de administratie om al die afspraken bij te houden. Waarom wordt er wel tijd gegund voor de ene verplichting en niet voor de andere? Zou dit niet betekenen dat het beter is als de gehele wet per 1 januari 2016 in werking treedt?

De kern van de wet is de ketenaansprakelijkheid, tevens ook het lastigste onderdeel van deze wet omdat die tamelijk ingewikkeld is. De minister hoopt vooral op een preventieve werking. Laten we hopen dat hij daar gelijk in heeft. Een correctieve werking, voor zover die afhangt van gewone werknemers, is niet te verwachten, zeker niet als het gaat om buitenlandse werknemers. Welke dappere werknemer staat op om de angst van "voor jou tien anderen" te weerstaan en zelfs met steun van de bonden misschien deze slag te winnen maar de oorlog te verliezen door het kwijtraken van zijn baan en het niet meer voor een volgende klus worden ingehuurd? De buitenlandse werknemers, als ze al weten dat ze naar Nederlandse normen worden onderbetaald, zijn tevreden omdat ze altijd nog meer verdienen dan in hun thuisland. Wij horen graag de zienswijze van de minister.

De ketenaansprakelijkheid houdt in dat, als arbeid wordt verricht in dienst van een werkgever, ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst van aanneming van werk, de werkgever en diens opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het voldoen van het aan de werknemer verschuldigde loon. Het betreft dus minimaal een driehoeksrelatie tussen werknemer, zijn werkgever en diens opdrachtgever. De werknemer kan de opdrachtgever tegelijk met zijn werkgever hoofdelijk aansprakelijk stellen als hij het verschuldigde loon — dat is iets anders dan het minimumloon — niet krijgt. Opdrachtgevers verderop in de keten kunnen, als de vordering niet slaagt, vervolgens volgtijdelijk aansprakelijk gesteld worden.

Daarmee kom ik meteen ook aan een kernpunt van de wet, namelijk dat die op werknemers betrekking heeft, terwijl mijn fractie toch de indruk heeft dat de grootste schijnconstructies die zijn waar gewerkt wordt met schijnzelfstandigen. In het mondeling overleg dat wij met de minister op 28 april hebben gehad, heb ik namens de VVD-fractie de vraag gesteld of een schijnzelfstandige van de voorliggende wet gebruik kan maken als hij van mening is dat hij eigenlijk geen zelfstandige is maar een werknemer. Kan hij dan ook, naast degene voor wie hij werkt, zijn werkgever dus eigenlijk, de opdrachtgever/aanbesteder van zijn werkgever aansprakelijk stellen? De minister heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De preventieve werking van de wet is nou juist, volgens de minister, dat de opdrachtgevers in de keten gaan opletten of hun opdrachtnemers onderbetalen door gebruik te maken van schijnconstructies. De ketenaansprakelijkheid geldt niet indien door een echte zelfstandige werkzaamheden worden verricht onder aan een keten. Dat is nu juist het probleem waar ik mee blijf zitten. Hoe kan de opdrachtgever/aanbesteder nagaan of degene onder aan de keten een echte zelfstandige of een schijnzelfstandige is? Hetzelfde geldt voor de Inspectie SZW, die de wet moet handhaven. De minister heeft in het genoemde overleg verwezen naar de toen net verschenen brief van staatssecretaris Wiebes van 20 april aan de Tweede Kamer. Daarin schetst de staatssecretaris hoe we naar een systeem toegaan waarbij gebruik gemaakt wordt van een modelovereenkomst waarin duidelijk wordt of er sprake is van zelfstandigheid. De minister heeft onder verwijzing naar de brief zich toen geëxcuseerd omdat de informatie zeer recent was. Ik heb de brief gelezen. In plaats van de BGL-webmodule komen er modelovereenkomsten die de Belastingdienst uitsluitend toetst op de loonheffingsplicht en op niets anders. Aan zo'n overeenkomst is niet af te lezen of degene die het werk verricht een ondernemer is. Hoe kan een opdrachtgever in de keten of de hoofdopdrachtgever die zich aan de wet wil houden en de Inspectie SZW straks, zonder VAR of BGL-webmodule, vaststellen wie er werkzaam is in het kader van een beroep of bedrijf, als zelfstandige dus, en derhalve buiten de werkingssfeer van de WAS en de WML valt? Heeft er afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën over de verhouding tussen de modelovereenkomst en de minimumloonwetgeving c. q. de WAS? Hier moet duidelijkheid over komen voor de inwerkingtreding. Ook om deze reden vindt mijn fractie dat de wet per 1 januari in werking moet treden in plaats van per 1 juli aanstaande. Het artikel over de transitievergoeding kan wat ons betreft met inachtneming van artikel XII per 1 juli in werking treden.

De minister heeft het ook herhaaldelijk over misstanden in de vervoerssector. Is de minister het met de VVD-fractie eens dat, als een vervoerder werk uitbesteedt aan een andere vervoerder, omdat hij bijvoorbeeld op dat moment geen wagens en of chauffeurs ter beschikking heeft, de ketenaansprakelijkheid niet van toepassing is? Het werk van de chauffeurs wordt immers niet verricht ter uitvoering van een overeenkomst van aanneming van werk — daar valt vervoer niet onder — of een overeenkomst van opdracht, want artikel 7:400 BW zondert het vervoer van zowel personen als goederen met zoveel woorden uit van de overeenkomst van opdracht. Is de minister het met deze conclusie eens? Hetzelfde geldt volgens de VVD-fractie als de hoofdopdrachtgever een verlader is die een vervoersovereenkomst met een vervoerder sluit. De WAS is wel van toepassing als een vervoerder een uitzendbureau opdracht geeft om chauffeurs ter beschikking te stellen. Die vervoerder sluit een overeenkomst van opdracht met het uitzendbureau die onder artikel 616a en volgende valt.

Afgelopen week ploften de preadviezen van de Nederlandse Juristen-Vereniging bij mij op de mat met als onderwerp "kwaliteit als keuze" in onder andere wetgeving. De preadviseur constateert dat er zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer plenair nog vragen worden gesteld, ondanks schriftelijke voorbereidingsrondes, en dat het stellen van die vragen niet fungeert in de aanloop tot een standpunt. Er is dan ook, zo concludeert hij, weinig interactie en dialoog tussen regering en Eerste Kamer. Ook uit antwoorden van de regering zou blijken dat het niet om een debat of dialoog gaat, maar om het beantwoorden van vragen, aldus de preadviseur. Toen ik in 1999 voor de eerste keer in deze Kamer kwam, leerden mijn leermeesters in de fractie mij dat ik vragen moest stellen en geen betoog moest houden, wat ik in eerste instantie deed, omdat ministers dan zouden denken: dat is makkelijk, daar hoef ik niet op te reageren. Times change and we with them. Toch heb ik vandaag nog vragen gesteld. Ik vond het niet het moment om in mijn laatste bijdrage de strategie te wijzigen. Niettemin hoop ik naar aanleiding van mijn vragen op een dialoog met de minister, omdat wij het erover eens zijn dat er een probleem is dat moet worden opgelost en van mening verschillen of het doel van de wet op deze manier wordt bereikt.