Plenair Kuiper bij behandeling Modernisering universele postdienstverlening



Verslag van de vergadering van 19 mei 2015 (2014/2015 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.42 uur


De heer Kuiper i (ChristenUnie):

Voorzitter. Het is toch een interessant debat, waarin ook verschillende benaderingen zichtbaar worden. Ik ben in ieder geval blij dat we op den duur naar evaluaties gaan, waarbij mogelijk ook weer andere benaderingen in beeld komen dan de minister nu voordraagt, al heeft hij daar natuurlijk alle recht toe, zeg ik met alle respect. De hele benadering steunt op het idee dat wij gaan digitaliseren in onze communicatie met elkaar. In de economische redenering wordt natuurlijk altijd met gemiddelden gewerkt. Het zal gemiddeld waar zijn, maar niet alle burgers zullen straks op gelijke wijze toegang hebben tot het gewone postverkeer zoals wij dat nu kennen. Als we zeggen dat het nu eenmaal zo is en dat de klant iets anders wil, dan sluiten we mensen uit die wel echt aangewezen zijn op het fysieke briefverkeer. Brievenpost heeft meerdere functies dan alleen het overbrengen van informatie van a naar b. Het briefgeheim werd al genoemd. Er zijn nog zo veel andere functies. Ik mis die dimensie in het debat.

De ACM is nog bezig met een studie naar de businesscase van Post NL. In de overwegingen bij het wetsvoorstel wordt duidelijk gemaakt dat er iets aan de hand is met het rendement. Dat geloof ik en dat is natuurlijk een dynamiek die onontkoombaar is voor het bedrijf. Toch is het enigszins vreemd dat we dit aspect niet kunnen meewegen. De resultaten van de studie van de ACM zouden we eigenlijk eerst moet hebben, voordat we over deze stappen spreken. De stappen zijn immers onomkeerbaar. Er worden namelijk dingen uit de wet gehaald en er komen Algemene Maatregelen van Bestuur. Dat geeft in de toekomst heel andere mogelijkheden om te sturen. We gaan artikel 30 en 31 straks niet meer terugzetten in de wet, zoals iemand suggereerde. Er wordt dus echt iets onherroepelijks gedaan. Daarmee volgen we heel sterk het achterblijvende aanbod. Zouden we hier vanuit een publieke overweging niet anders op moeten reageren? Moeten we niet zeggen dat we voor de burgers voor wie het wel degelijk heel belangrijk is, met name vanwege de andere functies van het postverkeer, een minimum willen behouden en het fysieke netwerk in stand houden? Ik denk dat hier een taak ligt voor de overheid. Ik heb de minister hierop bevraagd. Er is immers inzet van de overheid nodig om een basiskwaliteit van het netwerk te behouden. Dat is onze benadering. Het brengt ons denk ik niet helemaal bij elkaar. Het maakt dat wij kritisch zijn op het voorstel. We willen natuurlijk alles weten van dit debat, maar we hadden het belangrijk gevonden als de overheid had gezegd dat de post een heel belangrijke voorziening is die behouden moet worden. De minister heeft weliswaar gezegd dat hij de voorziening overeind wil houden, maar wij vinden dat overeind houden toch een grotere inzet vergt, zoals het niet uit de wet halen van artikel 30 en 31 om het publieke postverkeer in stand te houden.

De voorzitter:

Ik vraag de minister of hij in de gelegenheid is om direct te antwoorden. Ik begrijp van hem dat dit mogelijk is.