Plenair Terpstra bij behandeling Bevorderen flexibel werken



Verslag van de vergadering van 7 april 2015 (2014/2015 nr. 27)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.31 uur


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Vandaag behandelen wij het initiatiefvoorstel van de leden Voortman en Heerma. Onze fractie heeft altijd grote waardering voor de noeste arbeid die geleverd moet worden om een initiatiefvoorstel tot wet te verheffen. Deze waardering staat bij ons altijd los van de inhoud van het voorstel. Deze waardering geldt ook de eerste initiatiefnemers, mevrouw Van Gent en de heer Van Hijum — door de voorzitter altijd Van Hiem genoemd, maar het is dezelfde persoon — die in september 2011 met het werk zijn begonnen. Er is dus niet over één nacht ijs gegaan.

Het doel van de indieners is te bevorderen dat werknemers gemakkelijker flexibel kunnen werken en ook meer thuis kunnen werken. Hiermee willen de indieners twee dingen bereiken. Vrouwen, die in Nederland veel in deeltijd werken, zouden meer uren moeten maken. Een interessante vraag zou zijn hoeveel moeite het het CDA gekost heeft om GroenLinks te overtuigen van deze gedachte. Uiteraard geldt dit ook omgekeerd. Hierdoor wordt het arbeidsmarktprobleem van de vergrijzing op lange termijn misschien beter oplosbaar. Graag zou ik van de minister willen weten hoe hij de positieve effecten van dit wetsvoorstel op dit punt inschat.

Tevens wordt het voor alle werknemers gemakkelijker gemaakt arbeid en zorg beter te combineren. Dat is vooral van belang voor jonge gezinnen, maar ook voor mantelzorgers, bijvoorbeeld voor ouderen. Beide doelen worden door ons van harte onderschreven. Het goed kunnen functioneren van gezinnen is voor de gehele maatschappij van levensbelang.

In dit kader moest ik als relatief oudere onwillekeurig even denken aan de vader van de tweede indiener, Enneüs Heerma. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen van 1994 heeft de vroegere CDA-leider in de Tweede Kamer meer aandacht gevraagd voor de rol van het gezin in de maatschappij. Zijn oproep viel toen niet in goede aarde, om het maar zacht te zeggen. Velen wilden toentertijd niet eens over het begrip "gezin" praten en het CDA werd verweten de vrouw weer naar het aanrecht te willen sturen.

Mijn poging de definitie van het begrip "gezin" te moderniseren heeft zelfs het toen populaire Loesje gehaald. Eén keer in mijn leven ben ik op een pamflet van Loesje verschenen met de volgende definitie van het gezin: voor het CDA is ook een alleenstaande met een goudvis een gezin.

In dit licht waardeer ik het zeer dat nu dit voorstel van CDA en GroenLinks in de Tweede Kamer zo breed gedragen wordt. De enige vraag die onze fractie heeft gesteld, was waarom op het punt van een onderdeel van de arbeidsverhoudingen gekozen is voor een wettelijke regeling en niet voor een vorm van Seelenmassage van de sociale partners. De indieners hebben hiervoor twee argumenten aangedragen. Het eerste argument is dat de wet tot doel heeft de cao-partijen te stimuleren deze zaak beter op te pakken. Willen de indieners zelf in de toekomst hieraan ook nog een bijdrage leveren?

In dit licht waren deze leden enigszins verbaasd te lezen — in antwoord op vragen van de ChristenUnie — dat de indieners over deze wet, althans recent, geen overleg hebben gevoerd met de sociale partners. Kunnen de indieners uitleggen waarom dit niet gebeurd is?

Het tweede argument is dat in het onderhandelingsproces de werknemers wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. De redenering van een steuntje in de rug heeft onze fractie ook gebruikt bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. De doelgroep van die wet kon en kan volgens ons inderdaad wel een duwtje in de rug gebruiken. Kunnen de indieners aangeven waarom dit op dit moment ook voor alle werknemers het geval zou zijn? De Raad van State heeft gewezen op het feit dat op lange termijn de positie van de werknemers op de arbeidsmarkt weleens sterker zou kunnen worden. Uiteraard hoeft dit niet voor alle beroepsgroepen en inkomensgroepen te gelden, zoals ook mevrouw Sent van de PvdA reeds in het verslag heeft gesteld.

Wij wachten het antwoord op onze vragen met belangstelling af. En luisteren uiteraard ook goed naar de antwoorden op de vragen van anderen.