Plenair Vlietstra bij behandeling Programmatische aanpak stikstof



Verslag van de vergadering van 9 september 2014 (2013/2014 nr. 39)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.13 uur


Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter. Na de warme herdenking vanmiddag van mijn fractiegenoot Willem Witteveen vind ik het moeilijk om hier te staan, maar ik doe mijn best om over te gaan tot, wat iemand noemde, de orde van de dag.

In twee briefings, de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het verslag, hebben de staatssecretaris en haar medewerkers de leden van de commissie voor Economische Zaken geïnformeerd over het wetsvoorstel en de Programmatische Aanpak Stikstof en hebben zij de door mijn fractie gestelde vragen uitvoerig en goed beantwoord. Dank daarvoor.

Dit uitgebreide voortraject geeft aan dat we hier te maken hebben met een nogal ingewikkeld wetsvoorstel, waarvan niet zonder meer valt te beoordelen of de beoogde doelen en effecten ook inderdaad in de praktijk gerealiseerd zullen worden. Mijn fractie heeft een aantal punten van zorg hierbij. Landen om ons heen hebben geen ervaring met deze aanpak, zo heeft de staatssecretaris ons verteld. Nederland loopt voorop en dat maakt dat een zorgvuldige beoordeling door deze Kamer op zijn plaats is.

De doelstellingen van de PAS zijn helder en worden door mijn fractie gedeeld. In een groot deel van de Natura 2000-gebieden is sprake van een hogere stikstofdepositie dan de natuur daar kan verdragen, met als gevolg verzuring en vermesting, waardoor de natuur wordt aangetast en de internationaal afgesproken instandhoudingsdoelen niet worden gehaald. Met name de veehouderij, maar ook het verkeer en het vervoer en de industrie zijn de oorzaak van deze uitstoot. Stikstof is daarmee een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de Natura 2000-gebieden.

Tegelijkertijd zitten onder de huidige wetgeving veel economische ontwikkelingen op slot, omdat het voor een ondernemer of overheid vrijwel ondoenlijk is aan te tonen dat door zijn of haar activiteit in een al overbelast gebied de natuurdoelen niet in gevaar komen. Daarmee zit de vergunningverlening feitelijk op slot.

De Programmatische Aanpak Stikstof beoogt de economische ontwikkeling en de instandhoudingsdoelen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn samen te laten gaan en bevat daartoe brongerichte maatregelen, die leiden tot een afname van stikstofdepositie en een versterking van de natuurwaarden in zo'n 124 Natura 2000-gebieden. Als gevolg daarvan ontstaat ruimte voor nieuwe economische activiteiten, de zogenaamde "ontwikkelingsruimte". Voor al die gebieden is een gebiedsanalyse gemaakt om de beschikbare ontwikkelingsruimte vast te stellen en de verwachting — ik zet een streep onder het woord "verwachting" — is dat de PAS voor het merendeel van de gebieden voldoende ontwikkelingsruimte oplevert. In het begrip "verwachting" zit wat mij betreft de kern van dit debat met de staatssecretaris. Ik kom daar in het vervolg van mijn inbreng op terug.

Mijn fractie deelt het standpunt dat het onder de huidige wetgeving heel lastig is op gebiedsniveau aan te tonen dat economische plannen niet leiden tot een hogere uitstoot van stikstof. Wij delen ook de mening van de regering dat een andere aanpak noodzakelijk is en dat deze problematiek op landelijk niveau, in samenwerking en overeenstemming tussen Rijk en provincies aangepakt moet worden. Stikstof komt immers niet alleen uit heel verschillende bronnen, ze verplaatst zich ook over grote afstand. Een programmatische aanpak lijkt dan ook veel betere mogelijkheden te bieden dan de huidige situatie.

Maar bij mijn fractie leven ook zorgen. Niet voor niets heb ik gezegd een streep te zetten onder het begrip "verwachting". De verwachting is dat de programmatische aanpak voldoende ontwikkelingsruimte zal opleveren en dat tegelijkertijd als gevolg van herstelmaatregelen de kwaliteit van de natuur niet achteruit zal gaan en op termijn zal verbeteren.

Tegelijkertijd kiest de regering ervoor om vanaf de vaststelling van het programma ontwikkelingsruimte beschikbaar te stellen en niet pas veel later, als gebleken is dat als gevolg van stikstofreducerende maatregelen en herstelmaatregelen die ontwikkelingsruimte er ook daadwerkelijk is. Op zich kunnen wij die keuze volgen, maar voorkomen moet worden dat de PAS een mooi theoretisch model is dat in de praktijk niet leidt tot het dichterbij brengen van de afgesproken instandhoudingsdoelen. Daarom dient voorzien te worden in een aantal belangrijke randvoorwaarden.

Om te beginnen een correcte "nulmeting" per gebied in de vorm van een absoluut betrouwbare en goed onderbouwde gebiedsanalyse als basis voor het programma. Uit de schriftelijke beantwoording trekt mijn fractie de conclusie dat die gebiedsanalyses met behulp van het instrument AERIUS op gebiedsniveau zo zorgvuldig als mogelijk in kaart zijn gebracht. Door de staatssecretaris is aangegeven dat nog een quickscan plaatsvindt om gesignaleerde verschillen tussen de berekeningen en feitelijke metingen te verklaren en dat alle gebieden zijn gescreend op mogelijke gevolgen van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over het Tracébesluit A2 's-Hertogenbosch-Eindhoven. Ervan uitgaande dat zowel de quickscan als de screening intussen is uitgevoerd, hoort mijn fractie graag wat de resultaten van beide acties zijn en of die inmiddels zijn verwerkt in de binnenkort ter inzage te leggen gebiedsvisies.

De heer Koffeman (PvdD):

Zolang de uitkomsten van die quickscan niet met ons gedeeld zijn en wij dus niet weten waar nou dat verschil zit tussen berekende waarden en gemeten waarden, wordt het toch wel heel moeilijk om deze wet hier met elkaar goed te keuren. Als er enorme twijfel is over de verschillen die geconstateerd zijn, zul je toch moeten weten waar dat dan aan ligt en hoe dat eventueel op te lossen is. Bent u met mij van mening dat we daarop zouden moeten wachten voordat we een goed besluit kunnen nemen over deze wet en de handhaafbaarheid daarvan?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Nee, dat laatste ben ik niet van mening. Ik denk dat we wel een besluit kunnen nemen vandaag of over twee weken. Ik deel wel uw zorgen over het verschil tussen de metingen enerzijds en de berekeningen anderzijds. Ik heb daar ook net een vraag over gesteld aan de staatssecretaris. Overigens heb ik in de beantwoording gelezen dat ook de staatssecretaris zelf zich er zorgen over maakt en juist om die reden opdracht heeft gegeven tot die quickscan. Dus ik wacht heel graag het antwoord af van de staatssecretaris om dan te kunnen beoordelen of de effecten van die quickscan intussen op een correcte wijze in de gebiedsanalyses, die overigens nog ter inzage gelegd moeten worden, zijn verwerkt.

De heer Koffeman (PvdD):

U deelt mijn zorg daarover, maar u vindt niet dat, zolang niet duidelijk is waar die verschillen zitten en zolang de staatssecretaris daar geen bevredigend antwoord op kan geven, dit het aannemen van deze wet in de weg zou behoeven te staan?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Op voorhand niet. Het lijkt mij verstandig om het antwoord van de staatssecretaris op dit punt eerst even af te wachten. Dan weten we waar we het over hebben.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb ook een vraag op dit punt want u stelde zo-even zelf dat een absolute voorwaarde voor u is dat die nulmeting volstrekt betrouwbaar is. Maar dat is nu juist het punt dat ter discussie staat. Het blijkt dat het rekeninstrument tot uitkomsten leidt die in werkelijkheid niet gemeten worden en dat er dus nog tal van vragen zijn. Is het dus niet nodig dat eerst aan die randvoorwaarde van u wordt voldaan en dit pas van start kan gaan wanneer absolute betrouwbaarheid over die nulmeting gegarandeerd is?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Dat zijn twee verschillende dingen. Ik vind dat de gebiedsanalyses betrouwbaar moeten zijn en volgens mij deelt de staatssecretaris dat standpunt ook. Dat vind ik echter nog wat anders dan zeggen dat je pas een besluit over dit wetsvoorstel kan nemen op het moment dat alles zichtbaar wordt.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Stel dat het wetsvoorstel wordt aangenomen. Het is dan de bedoeling dat vanaf de start van de PAS al ontwikkelingsruimte wordt uitgedeeld. Voordat we het weten komen we dan in een situatie waarin de vervuiling toeneemt en de maatregelen onvoldoende werken. Hoe wilt u dat voor uw verantwoording nemen? Hoe wilt u dat voorkomen?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Naar ik heb begrepen — ik hoor dat overigens ook nog graag van de staatssecretaris zelf — is de vaststelling van het programma voorzien aan het eind van het jaar. Bovendien wordt het programma nog voorgehangen, ook in deze Kamer. Dus dan kunnen we er ook nog wat van vinden. Pas na vaststelling van het programma komt er ontwikkelingsruimte beschikbaar, dus niet op het moment dat deze Kamer ingestemd heeft met het wetsvoorstel. Er komt nog een heel traject achteraan.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Zou dan ook wat u betreft pas ontwikkelingsruimte beschikbaar mogen zijn wanneer er absolute betrouwbaarheid en zekerheid bestaat dat de maatregelen ook de winst gaan opleveren die verwacht wordt?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Ja, maar dat is ook wat de staatssecretaris zelf zegt. Pas op het moment dat het programma is vastgesteld, komt ontwikkelingsruimte beschikbaar.

Voorzitter. Dit was de eerste randvoorwaarde die ik noemde, namelijk de betrouwbaarheid van de gebiedsanalyses. Ik heb daarover een aantal vragen gesteld. Ik neem aan dat de staatssecretaris die heeft gehoord.

Er zijn nog een aantal belangrijke randvoorwaarden, die ook door de staatssecretaris zijn genoemd. Zo is er de randvoorwaarde wat betreft de marge in de hoeveelheid uit te geven ontwikkelingsruimte. Ik heb daar nog wel de vraag bij of die marge er inderdaad is, want ik hoor er toch wat tegenstrijdige berichten over. Andere randvoorwaarden zijn een evenwichtige verdeling van de ontwikkelingsruimte over de eerste en tweede driejaarsperiode, een evaluatie na afloop van de eerste zesjaarsperiode — ik hoorde mevrouw Vos overigens spreken over een periode van drie jaar, dus misschien dat daarover nog wat meer duidelijkheid kan worden gegeven — en, last but not least, een adequaat monitorings- en bijsturingssysteem om tussentijds in te kunnen grijpen mocht dat noodzakelijk zijn. Net als mevrouw Vos krijg ik graag de toezegging van de staatssecretaris dat de evaluatie te zijner tijd ook aan deze Kamer wordt voorgelegd.

De staatssecretaris wil "de hand aan de kraan" houden. Doelstelling voor de eerste zesjaarsperiode is dat in ieder geval geen verslechtering optreedt in de huidige natuurwaarden in alle 124 gebieden. Maar wat als blijkt dat de verwachtingen op dat punt tegenvallen? Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe zij denkt bij te sturen wanneer zich zo'n situatie zou voordoen. Welke mogelijkheden en instrumenten heeft zij dan om in te grijpen? Immers, de beschikbare ontwikkelingsruimte is dan voor een deel al uitgegeven.

In de schriftelijke gedachtewisseling is uitgebreid ingegaan op de procedure en de criteria om de zogenaamde prioritaire projecten vast te stellen. Onze vragen op dit punt zijn voldoende beantwoord. Wij hebben er vertrouwen in dat de prioritaire projecten op zorgvuldige wijze worden vastgesteld in goed overleg en overeenstemming met de verschillende overheden.

In de Tweede Kamer is een motie aangenomen van de leden Smaling en Jacobi, waarin is vastgelegd dat het programma PAS en ministeriële regelingen met een substantiële inhoudelijke component worden voorgehangen in de Tweede Kamer. Op een vraag van mijn fractie heeft de staatssecretaris al toegezegd het programma PAS ook voor te hangen in deze Kamer. Ik vraag haar datzelfde te doen met de in de motie genoemde ministeriële regelingen en ga ervan uit dat dit dan in elk geval geldt voor de regeling waarin de prioritaire projecten worden vastgesteld. Op dit punt zou ik graag een toezegging van de staatssecretaris willen hebben.

Iets heel anders is of er na vaststelling van de prioritaire projecten nog voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor andere projecten. Daarvan is mijn fractie nog niet geheel overtuigd. In de beantwoording van de vele schriftelijke vragen op dit punt heeft de staatssecretaris aangegeven dat als gevolg van afspraken met het landbouwbedrijfsleven, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en Europese verplichtingen in combinatie met herstelmaatregelen de stikstofemissie terug zal lopen waardoor ontwikkelingsruimte ontstaat. Dat is een verheugende mededeling, maar ik vraag de staatssecretaris of die ruimte er ook nog is nadat de voor de prioritaire projecten benodigde ontwikkelingsruimte daarvan is afgetrokken. Ik heb gemerkt dat daarover her en der in het land grote zorgen bestaan. In de provincie Zeeland bijvoorbeeld lijkt helemaal geen ontwikkelingsruimte aanwezig. Het provinciaal bestuur van die provincie geeft aan dat de economie op slot gaat als gevolg van het ontbreken van ontwikkelingsruimte. De Provinciale Zeeuwse Courant opende enkele dagen geleden met de kop: Stikstofwet ramp voor Zeeland. In de memorie van antwoord heeft de staatssecretaris gezegd dat zij in overleg met Vlaanderen zal bezien in hoeverre kan worden voorkomen dat de provincie Zeeland in de problemen komt met de ontwikkelingsruimte, omdat immers de stikstofdepositie uit Vlaanderen wordt meegerekend. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris op de noodkreet van de provincie Zeeland en op de stand van zaken van het overleg met Vlaanderen. Is er nu wel of geen ontwikkelingsruimte in deze provincie? Zo nee, hoe denkt de staatssecretaris te voorkomen dat de provincie op slot gaat als gevolg van het feit dat de emissie uit het buurland wordt meegerekend? Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij in overleg gaat met het provinciaal bestuur van deze provincie om oplossingen te zoeken voor de problematiek?

Tot zover onze vragen en opmerkingen. Wij wachten de beantwoording met belangstelling af.