Plenair Slagter-Roukema bij behandeling Wet maatschappelijke ondersteuning 2015



Verslag van de vergadering van 7 juli 2014 (2013/2014 nr. 37)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 23.29 uur


Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Voorzitter. Op de valreep, vlak voor het reces, behandelen we vandaag en morgen het wetsvoorstel Wmo 2015. Voor het kabinet zal het binnenhalen van de goedkeuring van deze Kamer eens temeer een bewijs zijn dat het op de goede weg is. In één jaar is de oogst immers opgeschaald van "bijna niks" naar "bijna klaar". De vlag kan uit, zo zou de conclusie kunnen zijn.

Echter, voor veel mensen die direct te maken zullen krijgen met de gevolgen van deze decentralisatie, zal een spannende tijd aanbreken. Het zijn veelal kwetsbare mensen, nu niet direct de slimme, zelfredzame, hoogopgeleide, daadkrachtige typen die het beleid aan beleidstafels vormgeven. Het lijkt erop alsof dat laatste type mens, de haves, steeds verder af gaat staan van de havenots. Voor ons blijft het een raadsel waarom de decentraliseringstrein gewoon doordendert, ondanks het feit dat bijna alle deskundigen waarschuwen voor de gevolgen van het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor de allerzwaksten naar gemeenten, met name in verband met de daarmee gepaard gaande taakstelling.

In dat spanningsveld wordt dit debat gevoerd. Omdat het een zeer complex wetsvoorstel betreft, met deels al wel bekende maar ook nog onbekende gedelegeerde regelgeving, zal het moeilijk blijken de hoofdlijnen vast te houden. Er zijn te veel losse eindjes en te veel vragen.

Mijn fractie stelt het overigens op prijs dat naast de verantwoordelijke staatssecretaris van VWS ook de minister van BZK, als coördinerend minister voor de decentralisaties, aanwezig is. Hoewel we er natuurlijk van uitgaan dat het kabinet met één mond spreekt, zullen we toch graag ook van hemzelf een aantal antwoorden op vragen met betrekking tot de randvoorwaarden vernemen.

In het debat over de Jeugdwet, dat we enige maanden geleden hebben gevoerd, zijn een aantal zaken benoemd die ook vandaag de aandacht moeten krijgen. Het ging over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen regering en gemeenten, over de democratische verantwoording binnen de verschillende regio's, over de manier waarop de voortgang moet worden bewaakt, over de manier waarop problemen worden gesignaleerd en wat daar dan aan te doen is, over hoe het zit met de kennis bij gemeenten en over de manier waarop continuïteit van zorg gewaarborgd wordt, over hoe de werkgelegenheid zich zal ontwikkelen, over hoe het zit met de kwaliteit van zorg en over de wijze waarop in gemeenten wordt omgegaan met de eisen die de privacywetgeving stelt aan het opvragen, verwerken en delen van gevoelige gegevens.

In een poging om deze Kamer tijdens dat debat gerust te stellen, kwam de staatssecretaris toen op de proppen met de Transitie Autoriteit Jeugd, de TAJ. Ook verwees hij naar de rapportages van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd, de TSJ. De vierde rapportage van de TSJ, die onlangs is uitgekomen, en de eerste geluiden uit de TSA kunnen niet geruststellend zijn voor de bewindslieden. De heer Geluk wijst er in dat rapport op dat er nog veel moet gebeuren. Verder staat daarin dat inkoop van jeugdhulp een zorgpunt is — er zijn nog weinig definitieve inkoopafspraken, er dreigen landelijke specialistische jeugdzorginstellingen failliet te gaan — dat de toegang nog niet is geregeld, dat er geen visie op het gedwongen kader is en dat er al wordt gedacht aan noodscenario's.

Met deze bevindingen van de commissie-Geluk in het achterhoofd moet het toch niet verbazen dat wij ons grote zorgen maken over hoe de vandaag aan de orde zijnde decentralisatieoperatie goed moet gaan verlopen. De prealabele vraag blijft daarom: waarom zo snel en waarom met zo weinig geld? Waarom niet meer tijd genomen om alles goed op de rails te zetten? Op vragen ernaar wordt verwezen naar de gemeenten, die met veel enthousiasme en gedrevenheid de transitie voortvarend oppakken, en bovenal naar het feit dat de staatssecretaris vertrouwen in de gemeenten heeft.

Kan hij ons vertellen wat de resultaten zijn van de laatste uitvraag van de belangrijkste focuspunten Wmo 2015? Uit contact met de VNG werd ons duidelijk dat er nog maar weinig gemeenten zijn die het beleidsplan en de verordening in de steigers hebben staan en dat het onzeker is of het gaat lukken om de inkoop van een passend en dekkend aanbod van maatschappelijke ondersteuning voor 1 oktober te realiseren. Bovendien bleek dat het ook onduidelijk is of gemeenten voor 1 november een laagdrempelige, herkenbare toegang hebben georganiseerd met beschikbare cliëntondersteuning. Inmiddels hebben wij in de loop van dit weekend wel een brief over die uitvraag ontvangen, maar eigenlijk stelt die brief mij net zomin gerust als hetgeen de VNG ons al had meegedeeld. Er moet nog heel veel gebeuren.

Gesteld werd dat de cliëntondersteuning kosteloos, onafhankelijk en professioneel moet worden vormgegeven. MEE is de organisatie die ervaren is in de ondersteuning van mensen met een handicap en zij zou voor de continuïteit kunnen zorgen. Er zijn in februari bestuurlijke afspraken gemaakt over de transitie van de cliëntondersteuning tussen VWS, VNG en MEE. Met de overheveling van gelden zijn ook de MEE-gelden naar gemeenten gegaan. Niets aan de hand, zou je denken. Hoe kan het dan dat MEE ons per brief van 2 juli meldt dat er in 63% van de gemeenten nog geen afspraak is op bestuurlijk niveau en dat er in meer dan één op de tien gemeenten zelfs nog geen afspraak in voorbereiding is? Is het dan geen tijd voor actie, vraag ik de staatssecretaris. In de brief die wij dit weekend kregen, wordt betoogd dat het eigenlijk wel meevalt. Wij hebben echter daar overheen ook alweer een brief van MEE gekregen waarin staat dat het niet meevalt. Graag krijg ik hierover morgen duidelijkheid van de staatssecretaris.

Hetzelfde geldt natuurlijk voor het passend en dekkend aanbod van zorg. De berichten over dreigende ontslagen in de ouderen- en thuiszorg zijn zonder meer alarmerend. Zoals de vakbonden en ActiZ melden, zetten gemeenten zuinig in, ook al omdat ze de financiële consequenties van hun nieuwe taken niet kunnen overzien. Gemeenten zeggen op grote schaal contracten met thuiszorgorganisaties op en maken huishoudelijke verzorging tot algemene voorziening, aan te bieden in de vorm van alfahulp. Wat is het standpunt van de staatssecretaris in dezen? Is hij het eens met de commissie-Kalsbeek die adviseerde om de alfahulpconstructie juist af te schaffen, ook omdat deze mensen net zo goed recht hebben op een volwaardige rechtspositie? Hetzelfde zien we overigens bij de inkoop van ondersteuning en dagbesteding. Er wordt ver onder de tarieven geboden die nodig zijn om het vereiste niveau van deskundigheid en professionaliteit te behouden. En ook hier worden alfahulpconstructies voorgesteld. ActiZ meldde mij vandaag dat uit de inkoop van ondersteuning en dagbesteding voor psychiatrische patiënten blijkt dat de hbo'ers die tot nu toe het werk doen voor een loon tussen de €60 en €90 straks mogen gaan werken voor €25. Dan kan natuurlijk niet de deskundigheid en professionaliteit worden behouden. Dat zou toch juist nodig zijn als het gaat om het waarborgen van continuïteit van zorg en ondersteuning — die toch is beloofd — voor de cliënten met indicaties in het overgangsjaar. Dan klopt dat toch van geen kant? Dit is toch gesol met mensen die zelf vaak niet in staat zijn om voor zichzelf op te komen?

Wanneer komt de rapportage arbeidsmarktbeleid beschikbaar? Het antwoord op die vraag is dat die vanmiddag is gekomen. De staatssecretaris licht daarin het verschil toe tussen zijn cijfers en die van ActiZ. Duidelijk is al wel dat hij het over fte's heeft en ActiZ over personen. Dat laatste lijkt reëler. Wij zijn van mening dat de staatssecretaris deze uiterst zorgelijke ontwikkeling een halt moet toeroepen. Hij neemt duizenden toegewijde zorgmedewerkers hun baan af en laat ze vervolgens met de pet rondgaan.

Hoe beoordeelt de staatssecretaris het feit dat er gemeenten zijn die zelf Wmo-diensten aanbieden? Is het een wenselijke ontwikkeling dat overheidsbedrijven directe concurrenten worden van maatschappelijke marktpartijen? Een andere vraag die mijn fractie in dit kader nog beantwoord wil hebben is de al eerder, ook door meer partijen in de Kamer, gestelde vraag in hoeverre samenwerkingsactiviteiten zoals multidisciplinair overleg, het afstemmen van wie welke zorg aan de cliënt levert et cetera vrijgesteld zijn van btw. Niemand is erbij gebaat dat de beoogde samenwerking niet tot stand komt. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de door de forse taakstelling al zo beperkte Wmo-middelen niet worden besteed aan zorg en ondersteuning, maar voor ruim 20% terugvloeien naar de schatkist? Staatssecretaris, geef hierover duidelijkheid!

In veel gemeenten wordt huishoudelijke hulp als algemene voorziening aangeboden en zullen de cliënten zelf de kostprijs van de huishoudelijke hulp moeten betalen. Dat is te billijken in gevallen waarin het inkomen zich ervoor leent, maar het moet de staatssecretaris toch ook bekend zijn dat zo'n 80% van de cliënten die nu nog deze vorm van hulp ontvangen, zelf op het minimumloon tot maximaal 110% daarvan zit. Wij verwachten dat zij zullen afzien van deze vorm van hulp. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit? Dit is toch juist de groep waarvoor de gemeenten extra inspanningen zouden moeten plegen? Bij deze kwetsbare groep zouden gekwalificeerde thuiszorgmedewerkers hun geld meer dan opbrengen door niet alleen schoon te maken maar ook te signaleren, zeker als het bijzondere doelgroepen zoals verslaafden, dementerenden en anderen met psychiatrische problematiek betreft. Verwacht de staatssecretaris dat de gemeenten deze mensen tegemoet zullen komen, met de compensatie via de gelden voor de gemeenten in het kader van de tegemoetkoming in aanmerkelijke meerkosten? Het is de staatssecretaris toch bekend dat een financiële bijdrage van de cliënt aan een algemene voorziening niet wordt gemeld aan het CAK als eigen bijdrage? Daardoor kan oncontroleerbare cumulatie ontstaan. Hoe denkt de staatssecretaris dit te monitoren? Het ingewikkelde is dat mensen die afzien van hulp, meestal niet in de statistieken worden gezien. Zij worden niet bevraagd.

De cumulatie van bijdragen, het zicht daarop of de onduidelijkheid daarover zal sowieso een probleem worden. Op vragen van mijn fractie naar een eigen bijdrage voor rolstoelen is het antwoord van de staatssecretaris op bladzijde 45 van de memorie van antwoord dat daarvoor geen bijdrage is verschuldigd. Er zou ook geen bijdrage verschuldigd zijn voor hulpmiddelen voor cliënten die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Hoe valt dit te rijmen met de opmerking op bladzijde 39 van de ledenbrief van de VNG van 15 mei 2014, die het commentaar bevat op de modelverordening voor de Wmo? Daarin staat vermeld dat hulpmiddelen en rolstoelen voor jongeren onder de Wmo blijven vallen. Daarvoor kunnen gemeenten dus wel een eigen bijdrage gaan vragen. Mijn fractie is het spoor in dezen toch wel bijster. Zij wil dat klip-en-klaar duidelijk wordt waar gemeenten zich aan moeten houden. Dit is overigens ook een vraag van Jan Troost, die al de hele avond achterin de zaal zit.

Mijn fractie ziet niet alleen uit naar de beantwoording van de vragen door de staatssecretaris, maar ook naar de antwoorden van de minister van BZK. Hij heeft ons een afschrift gestuurd van zijn brief aan de Tweede Kamer over de Transitiecommissie Sociaal Domein. Deze commissie gaat de vinger aan de pols houden bij de decentralisaties in het sociaal domein en bezien of gemeenten de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en financiële maatregelen hebben getroffen om de taken in overeenstemming met de wet te kunnen uitvoeren.

De minister benadrukt dat hij er veel vertrouwen in heeft dat gemeenten de juiste beleidskeuzen maken en dat de lokale democratie haar controlerende taak naar behoren vervult, maar hij signaleert toch dat er gemeenten zijn waar de ontwikkelingen achterblijven.

Bij lezing van de brief zijn er naar de mening van mijn fractie nog veel onduidelijkheden. Er staat dat de minister aanspreekbaar is op randvoorwaarden van de decentralisatieoperatie. Ik hoor graag een toelichting wat daarmee wordt bedoeld. Betekent aanspreekbaar ook verantwoordelijk? Vervolgens staat er dat de afzonderlijke betrokken bewindslieden verantwoordelijk zijn voor hun eigen stelselwijzigingen. Graag een toelichting hoe dat in de praktijk gaat functioneren. Wie spreekt wie aan? Hoe wordt voorkomen dat er ruis op de lijn komt? Gaan de minister en de staatssecretaris gezamenlijk of afzonderlijk bij gemeenten op bezoek? Hoe wordt voorkomen dat gemeenten dubbel bevraagd worden? Zijn de al genoemde uitvraag van focuspunten en de in de brief genoemde quickscan hetzelfde instrument? Wie stuurt het Ondersteuningsteam Decentralisaties (OTD) aan? Is de invulling van die transitiecommissie al bekend? Als blijkt dat individuele gemeenten risico's lopen, wat kan de transitiecommissie daar dan aan doen? Benadrukt wordt immers dat het nadrukkelijk geen autoriteit betreft. Kunnen gemeenten zelf ook terecht bij de TSD als blijkt dat ze op de genoemde aandachtsgebieden problemen hebben? De grote vraag voor mijn fractie blijft welke instrumenten de minister van BZK heeft als uit rapportages blijkt dat er bestuurlijke, financiële of organisatorische gaten vallen en vervolgens wat de mogelijkheden zijn om daar wat aan te doen. Welke tanden heeft deze tijger? Wat is de taakverdeling tussen minister en staatssecretaris?

De minister noemde eind vorig jaar in reactie op de hier aangenomen motie-Vliegenthart over het nut, de noodzaak en de democratische wenselijkheid van bestuurlijke hervorming, de decentralisaties in het sociale domein een majeure en historische operatie. Is hij van mening dat het van zorgvuldigheid getuigt als deze operatie nu wordt doorgezet, tegen het advies van deskundigen in? En wat gaat hij doen als volgend jaar blijkt dat het doorzetten nu van deze transitie leidt tot chaos en willekeur en lokaal onvermogen om afdoende te presteren? Mogen wij dan deze minister als eerstverantwoordelijke aanspreken of wijst hij dan naar zijn vakcollega's? Durft de coördinerend minister zijn politieke lot aan het welslagen van deze majeure en historische operatie te verbinden?

Met de instelling van de TSD wordt deels tegemoetgekomen aan de oproep van de Algemene Rekenkamer om in het najaar één integraal beoordelingsmoment decentralisaties te creëren, omdat het onzeker is of het kabinet de gemeenten op dit moment voldoende zekerheid kan bieden over een haalbare en verantwoorde decentralisatie van de jeugdzorg, de maatschappelijke ondersteuning en arbeidsparticipatie per 2015. Wij zijn van mening dat de transitiecommissie slechts een doekje voor het bloeden is. Wij horen graag de argumenten die ondersteunen dat het beoordelingsmoment onnodig is.

Daarnaast heeft de Algemene Rekenkamer aandacht gevraagd voor het gebrek aan mogelijkheden om via de lokale democratie inzicht te verkrijgen in hoe de gedecentraliseerde gelden besteed gaan worden of zijn. De instelling voor drie jaar van het deelfonds sociaal domein zal dat alleen maar ingewikkelder maken. Ik noem twee punten waarop mijn fractie reflectie van de minister wenst. Door de verschillende vormen en schalen van samenwerkingsverbanden waarbinnen gemeenten hun verschillende decentralisatietaken gaan organiseren, is de kans levensgroot dat de lokale democratie het overzicht verliest en daarnaast zal de controle door zowel de gemeenteraad als het Rijk op hoe de gelden zijn uitgegeven onmogelijk zijn gezien de verschillende soorten uitkeringen. En dat is gezien de hoeveelheid geld die wordt overgeheveld onacceptabel.

De bescherming van de privacy is een onderwerp dat mijn fractie na aan het hart ligt; dat mag ook wel blijken uit de aandacht die we er in de schriftelijke vragenrondes aan hebben besteed. We hebben erop gewezen dat alle operaties tezamen het risico met zich meebrengen dat er ongebreideld persoonsgegevens, waaronder bijzondere, de gezondheid betreffende gegevens, opgevraagd, opgeslagen, verwerkt en gedeeld worden, terwijl er onvoldoende duidelijkheid is voor gemeenten aan welke voorwaarden daarvoor moet worden voldaan en voor cliënten welke rechten ze hebben. We hebben daarom de beleidsvisie van de minister van BZK "Zorgvuldig en bewust; Gegevensverwerking en Privacy in een gedecentraliseerd domein" gelezen en hebben daarnaast kennisgenomen van de beantwoording in de nadere memorie van antwoord op onze vragen naar het gebrek aan een juridische grondslag voor grootschalig gebruik van gegevens en het verrichten van een PIA, zoals in februari door staatssecretaris Teeven toegezegd. Wij zijn het fundamenteel oneens met de conclusie van minister Plasterk dat er op centraal niveau geen nadere, richtinggevende kaders hoeven te worden opgesteld, waarbinnen gemeenten bij de verwerking van persoonsgegevens zullen moeten blijven.

De brief van 3 juni van het CBP onderstreept onze zorgen. "Gemeenten kunnen de naleving van de Wbp niet opschorten als gevolg van een lerende praktijk" — dat is de term die de minister gebruikt in zijn notitie — "die na enige tijd zal worden geëvalueerd". Het kwaad is dan immers al geschied. Wij verwachten zowel van de minister als van de staatssecretaris een reactie daarop. Daarnaast vragen we beiden in ieder geval onder de aandacht van de gemeenten te brengen dat het geven van toestemming niet altijd betekent dat gegevensverwerking geoorloofd is; toestemming dient vrijwillig, geïnformeerd en specifiek gegeven te worden. En met betrekking tot de beveiliging van de gegevens dient opgemerkt te worden dat het verre van realistisch is om te verwachten dat gemeenteraadsleden als ICT-waakhond de gemeenten gaan controleren. Zijn de bewindslieden serieus van mening dat gemeenteraadsleden ICT-deskundigen op het gebied van informatieveiligheid zijn? Als we kijken naar de enquêtecommissie die op het ogenblik opereert, moeten we toch met elkaar constateren dat het heel moeilijk is om echt te doorzien of de informatieveiligheid goed op orde is.

Over de kwaliteit van de ondersteuning en het toezicht erop is al het nodige gevraagd en gezegd. Bij de kwaliteit van het lokale Wmo-beleid moet het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap leidend zijn. De staatssecretaris heeft dat tijdens de plenaire behandeling van de Wmo 2015 in de Tweede Kamer ook beaamd. Dit verdrag is de kapstok voor de kwaliteit van gemeentelijk beleid. Hoe brengt de staatssecretaris dit verdrag onder de aandacht van de gemeenten? Wij hebben namelijk de indruk dat dat nog niet zo breed bekend is.

Op welke manier gaan de vijf verschillende landelijk werkende, toezichthoudende instanties samenwerken bij het toezicht op kwaliteit en veiligheid van het gemeentelijk beleid? Het is bekend dat onduidelijkheid over taakverdeling en verantwoordelijkheden ongewenste situaties kan bewerkstelligen. Ik verwijs naar het gedoe tussen de NZa en het OM bij de foute declaraties van een ziekenhuis. Wij zijn vooral geïnteresseerd in de taken die de IGZ hierbij heeft. Klopt het dat eventuele calamiteiten of incidenten niet gemeld hoeven te worden bij de IGZ? Waar worden ze dan wel geregistreerd en hoe kan worden nagegaan of er adequaat actie is ondernomen?

Tot slot plaats ik nog enige kanttekeningen bij de bedoelingen van de Wmo 2015, mede in het licht van de evaluatie van de Wmo 2010-2012 door het SCP en het essay "Rijk geschakeerd", waarnaar al eerder is verwezen. In de reactie van de secretaris op "De Wmo in beweging", de evaluatie van 2 juli, staat dat het SCP concludeert dat de weg naar ondersteuning zich ontwikkelt in de richting die de wetgever heeft bedoeld. Hiermee lijkt een goede basis aanwezig voor de uitvoering van de Wmo 2015 per 1 januari 2015, aldus de staatssecretaris. Hij wijst vervolgens op een aantal punten dat mede als reactie op de evaluatie in de nieuwe Wmo is verwerkt. Daarnaast bevat de evaluatie echter ook een aantal leer- en aandachtspunten voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Gewezen wordt op een groep ouderen en ernstig beperkten die onvoldoende de weg naar de gemeente weten te vinden. Daarnaast schiet de gemeentelijke kennis over de verschillende doelgroepen tekort; mensen met een zintuigelijke beperking of met langdurige psychiatrische klachten zijn onvoldoende in beeld en hun belangen worden onvoldoende behartigd. Ik benadruk nogmaals dat in de evaluatie alleen mensen zijn bevraagd die wel Wmo-zorg genoten; degenen die om wat voor reden dan ook afzagen van zorgvragen, zijn onbekend. Als we die feiten uit de evaluatie zetten naast de kernpunten van het essay, dan kan de conclusie toch niet anders zijn dan dat de Wmo 2015 te snel, te ondoordacht en met een onverantwoorde taakstelling over de schutting van de gemeenten wordt gekieperd.

Ik verzoek de bewindslieden om te komen met een reflectie op die kernpunten, en dan met name als het gaat om de constatering dat er nog onvoldoende besef is bij burgers en gemeenten dat de burger eerst zelf aan zet is, dat lokaal bestuur weliswaar dichtbij burgers staat maar dat dat niet automatisch betekent dat de zorg dan goed is, dat er lokaal weinig oog is voor de sociale grondrechten en het VN-verdrag, dat er sprake is van een democratisch gat en een risico voor vervreemding van de lokale politiek en, tot slot, dat de participatiesamenleving niet binnen een paar jaar is gerealiseerd. Het zou een grote cultuuromslag betekenen en daar is tijd voor nodig.

De fractie van de SP is van mening dat, hoewel we ons kunnen vinden in het uitgangspunt van de Wmo 2015 dat zorg dichtbij de burger in buurtnetwerken georganiseerd zou moeten zijn en dat de hulp- en ondersteuningsvraag uitgangspunt moet zijn, dit wetsvoorstel in ieder geval per 1 januari 2015 onuitvoerbaar is, omdat het recht op zorg niet is geborgd, de taakstelling niet klopt en de snelheid waarmee alles moet gebeuren, de zo noodzakelijke zorgvuldigheid in de weg staat. Als we onszelf serieus nemen, is het nog niet te laat om, zoals de vakbeweging voorstelt, aanname van deze wet in ieder geval uit te stellen totdat onomwonden is vastgesteld dat de Nederlandse gemeenten in staat zijn aan alle hen door de wet opgelegde verplichtingen te voldoen. Ik zal daarover in tweede termijn een motie indienen.

Als wij in deze Eerste Kamer vandaag en morgen er zijn om het slechte te voorkomen, is het nu het moment om "nee" te zeggen tegen de invoering van deze wet. Desondanks zien wij uit naar beantwoording van onze vragen door de bewindspersonen.