Plenair Kuiper bij behandeling Verslag tijdelijke commissie GRECO-rapport



Verslag van de vergadering van 17 juni 2014 (2013/2014 nr. 34)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 14.52 uur


De heer Kuiper i (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. De schaduw van oud-minister Ien Dales is al over dit debat gevallen; "een beetje integer kan niet". Het is een citaat uit alweer 1992. Integer ben je wel of niet en dienaars van de publieke zaak moeten in dit opzicht boven iedere verdenking staan. Niet alleen omdat ze zichzelf recht in de spiegel moeten kunnen aankijken, maar ook en vooral om het gezag van het publieke ambt hoog te houden. Jammer dat de PVV wel aan dat eerste deel wil meewerken, het in de spiegel kijken, maar niet aan dat tweede.

Voor het hooghouden van het publieke ambt is transparantie vereist, zodat duidelijk wordt wie je bent, waarom je dingen doet en hoe je je werk hebt ingericht. Het is dan ook prima om het te hebben over enkele gedragscodes en richtlijnen, zoals wij vandaag doen, en daarover in het openbaar te spreken met elkaar. Die gedragscodes vervangen echter niet de noodzaak van een eigen moreel oordeel — niemand suggereert dat natuurlijk ook — maar onderstrepen deze juist.

Onze fractie kan zich goed vinden in de aanbevelingen van de tijdelijke commissie van deze Kamer, die wij alvast bedanken voor haar gedegen werk. De aanbevelingen zijn een reactie op het GRECO-rapport. Het is goed dat die nu op deze wijze een vertaling vinden naar onze situatie. Het is een verstandige benadering. De commissie probeert aan te sluiten bij de soms ongeschreven codes die we al kennen. Daarbij neemt zij in aanmerking hoe de Eerste Kamer in het Nederlandse parlementaire stelsel functioneert.

Niettemin bepleit de commissie explicitering van gedragscodes op een aantal punten. Wij onderschrijven dat. Ook in onze partij, de ChristenUnie, zijn dergelijke codes de laatste jaren geëxpliciteerd. Dit is natuurlijk een trend die zich in tal van sectoren in de samenleving voordoet. Wij als leden van de Eerste Kamerfractie van de ChristenUnie onderschrijven de gedragscode die in 2008 is vastgesteld en die elementen bevat die ook in het rapport van deze tijdelijke commissie worden genoemd. Overigens zullen wij ook een eigen reglement maken, een integriteitsdocument voor onze fractie in de Eerste Kamer, net zoals de Partij van de Arbeid dat gaat doen, zo hoorde ik zojuist.

Er worden nu concrete voorstellen gedaan voor een wijziging van het Reglement van Orde. Ik heb in dat kader een vraag aan commissielid Faber. Niet alleen ben ik benieuwd wat zij heeft weten te voorkomen door haar lidmaatschap van deze commissie. Daar word ik nu toch wel nieuwsgierig naar na de uitingen van de fractievoorzitter van de PVV. Ik wil ook weten of zij de overige aanbevelingen in het rapport deelt. Ik stelde die vraag zo-even al bij interruptie aan de fractievoorzitter van de PVV. Uit de voetnoot op bladzijde 1 begrijp ik dat het lid Faber bezwaar maakt tegen openbaarmaking van afspraken binnen fracties. Dat raakt echter niet aan al die andere voorstellen met betrekking tot wijziging van het Reglement van Orde. Van het lid Faber zou ik willen horen hoe zij daar zelf tegenover staat.

De voorstellen die door de commissie worden gedaan, lijken ons zinvol. Ze illustreren de toegenomen aandacht voor transparantie en integriteit in de praktijk van het parlementaire werk. We kunnen ons daarmee verenigen, maar het lijkt ons goed dat er nog eens wordt gekeken naar alle formuleringen, bijvoorbeeld door een daartoe in te stellen commissie. Daarna kan de Kamer hierover een finaal besluit nemen. Dat zou het beste kunnen in het kader van een bredere herziening van het Reglement van Orde. Ik merk hierbij op dat een van de aanbevelingen in het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie betrekking heeft op het Reglement van Orde, namelijk om de eigen onderzoekswerkzaamheden van deze Kamer een duidelijke plaats te geven in het reglement.

Helemaal tot slot een enkele opmerking over de telkens terugkerende aanduiding van de Eerste Kamerleden als parlementariërs met een deeltijdfunctie. Verscheidene woordvoerders hebben dat gezegd. Op een enkele plaats in het rapport wordt het werk in de Eerste Kamer zelfs omschreven als nevenfunctie. Ik snap wat er wordt bedoeld en ik weet ook dat dit een functie is die niet een hele werkweek in beslag neemt en dat deze functie wordt uitgeoefend naast andere werkzaamheden. Maar toch protesteer ik tegen het beeld dat dit parlementair werk is dat erbij wordt gedaan. Zo is het voor velen van ons allang niet meer, zeker niet voor leden van kleine fracties.

De heer Van Boxtel i (D66):

Ook ik was een van degenen die dat memoreerden. Ik heb echter geenszins willen suggereren dat je het niet volwaardig uitoefent. Het accent dat u nu legt, wil ik onmiddellijk wegnemen. Iedereen die hier zit doet het werk naar behoren, maar het is en blijft een nevenfunctie. Het is een hoofdfunctie in het parlementaire bestel, zij het voor één dag in de week.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb beslist niet willen suggereren dat leden van deze Kamer hun werk niet volwaardig doen. Dat bedoel ik natuurlijk niet te zeggen. Ik bedoel te zeggen dat het gewicht van dit ambt is veranderd en dat er zo langzamerhand sprake is van een uitbreiding van de werkzaamheden. Sinds 2007 ben ik lid van deze Kamer en in die toch betrekkelijk korte tijdspanne heb ik het werk zien toenemen. Het werk groeit en daarover wil ik een opmerking maken. Het voortdurend benadrukken van het werk in de Eerste Kamer als nevenfunctie zou de uitoefening van deze functie immers weleens tekort kunnen doen, zeker voor leden van kleine fracties. De werkdruk is vaak heel hoog. Overigens is er in het verleden ook weleens onderzoek gedaan naar de werkbelasting van Eerste Kamerleden. Volgens mij was dat nog voor 2007. Toen werd al geconstateerd dat de werkbelasting zeer aanzienlijk is, zeker meer dan één dag. Voor mij betekent een dag hier een dag van 's morgens negen tot soms 's avonds twaalf. Dat is al twee werkdagen ineen. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer is niet alleen een volwaardig parlementaire functie, maar door de toegenomen complexiteit van het wetgevingsproces — dat is mijn argument — en uitbreiding van werkzaamheden, onder meer in Europees verband, doet het een steeds groter beroep op onszelf. Het tijdsbeslag dat met dit ambt is gemoeid, de keuzes die senatoren moeten maken, ook met betrekking tot hun overige werkzaamheden en de manier waarop het werk hier wordt verricht, doen een toenemend beroep op ons allemaal. De vraag die ik in dit verband aan de orde wil stellen, en die misschien een beetje over het hoofd van de tijdelijke commissie heengaat, maar die ik toch aan de orde wil stellen vanwege de repetitie van het woord nevenfunctie is: is de huidige werkwijze van deze Kamer nog wel in overeenstemming met die toegenomen werkbelasting van dit ambt? Het zou goed zijn als wij het ook eens over dat aspect hebben van ons werk, op dezelfde manier als wij het nu hebben over het integriteitsaspect.

De heer Van Boxtel (D66):

Hoor ik mijn collega nu pleiten voor een zwaardere functie van het lidmaatschap van de senaat in tijd, dus twee, drie of vier dagen per week of fulltime?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb nog geen pleidooi ergens voor gevoerd, maar mijn gedachten gaan wel die kant op. Ik denk dat het werk dat wij nu in één dag proberen te doen —het woord "proppen" komt nu bij mij op — en de manier waarop wij daarmee onszelf beperkingen opleggen, in tijd en in voorbereiding, zou beslist nog eens bezien moeten worden. Als wij een tweede dag zouden hebben, bijvoorbeeld ook in verband met Europees werk dat gedaan wordt, zou dat het werk hier beslist ten goede komen. Dat is mijn opvatting.

De heer Van Boxtel (D66):

Daarmee neemt u afstand van het idee dat wij in Nederland altijd gekoesterd hebben, namelijk dat senaatleden op afstand en met twee benen in de samenleving in een deel van hun beschikbare tijd de controlerende functie ook op het wetgevingsproces van de Tweede Kamer en de Staten-Generaal uitoefenen.

De voorzitter:

Mijnheer Van Boxtel en mijnheer Kuiper, ik zou ook u willen vragen om u te beperken tot de aanbevelingen van het rapport.

De heer Van Boxtel (D66):

Maar voorzitter, dit raakt me. Ik vind dat de heer Kuiper het recht heeft om die vraag op te roepen, maar ik vraag hem dit expliciet, want dit zou wel eens kunnen noden tot een vervolgdebat of een initiatief van de ChristenUnie om het karakter van de senaat wezenlijk te veranderen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik zou niet het karakter van de senaat willen veranderen, ook niet als wij één dag erbij zouden nemen, wat even nu het hypothetische geval is. Er liggen helemaal geen voorstellen. Stel je voor, wij zouden er een dag bijnemen. Dan zouden wij hier twee dagen zijn tegen over de Tweede Kamer steeds drie of vier dagen. Er zijn dan nog allerlei nevenfuncties mogelijk naast het lidmaatschap van de Eerste Kamer. Dat zal blijven. Het waardevolle van met één been in de samenleving blijven, onderschrijf ik van harte.

Mevrouw Barth i (PvdA):

Ik heb misschien nog een heel kleine aanvulling. Ik zat eigenlijk te wachten tot de heer Kox de opmerking zou maken, want dat doet hij altijd, maar nu doet hij het niet. Wij worden voor anderhalve dag in de week betaald en niet voor één dag in de week.

De heer Kox i (SP):

Volgens mij worden wij betaald als lid van de Eerste Kamer. Daar staat een bedrag voor. Het staat iedereen vrij om daar zo veel of zo weinig tijd in te steken als men zelf wil. Daarom is de discussie over nevenfuncties niet zo heel relevant. Je bent volksvertegenwoordiger voor 24 uur en zeven dagen in de week en daar krijg je geld voor. Nou, dat is nog mooi meegenomen ook. Dat is overigens ooit een voorstel van Troelstra geweest. Dus wij bevinden ons in goed gezelschap.

De voorzitter:

Dit was geen vraag aan de heer Kuiper. Ik geef het woord aan de heer Koffeman.