Plenair Thissen bij voortzetting behandeling Wet hervorming kindregelingen



Verslag van de vergadering van 10 juni 2014 (2013/2014 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.57 uur


De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Het spreekgestoelte wordt wat hoger gezet, om het gevoel bij de heer De Grave weer in te wrijven dat hij toch wat kleiner is dan ik. Maar goed, hij is wel lid van een grotere fractie. Hij woont bovendien in een grotere stad, zoals hij nog een keer zei. Dat wil overigens niet zeggen dat die stad niet af en toe dorpse kenmerken heeft.

Iedereen kan zich optimaal ontwikkelen om maximaal mee te doen. Dat is het uitgangspunt van deze regering, en volgens mij van de hele Kamer, om de verzorgingsstaat in dit land op moderne leest te schoeien. De vraag is of dit wetsvoorstel daar nu ook voluit aan bijdraagt. De vraag is overigens ook wat de samenhang is tussen dit wetsvoorstel en de toekomstige wetsvoorstellen die wij in deze Kamer nog voor het zomerreces moeten behandelen: de wijziging van de Wet werk en bijstand, de Participatiewet en vooral ook de Wmo 2015. Juist op het punt van de samenhang vind ik de bewindspersonen die namens de regering in het sociale domein met voorstellen komen tot decentralisatie- en hervormingskwesties erg karig in de onderbouwing daarvan. Ik heb al eerder in een debat — dat was volgens mij vorige week in het debat over de Wet werk en zekerheid — gevraagd naar een sociale-effectrapportage van de verschillende maatregelen die ertoe moeten leiden dat mensen meer mee kunnen doen in deze samenleving. Wat is nu het gevolg van de cumulatie van al die maatregelen die het kabinet afkondigt? Het is eigenlijk nog heel erg stil gebleven van de zijde van het kabinet.

Over de armoedeval en wat het beste werkt om mensen meer te laten meedoen op de arbeidsmarkt, zou langzamerhand wel eens een beleidsdebat in deze Kamer moeten worden gevoerd. Want ik blijf, in de woorden van de minister en van een aantal collega's, horen dat dit punt vooral geprikkeld wordt door de voorzieningen die we met z'n allen in de verzorgingsstaat hebben opgebouwd en waarvoor onze voorouders vaak geknokt hebben. Die voorzieningen zouden we moeten versoberen, omdat die nou juist verhinderen dat mensen gaan meedoen op de arbeidsmarkt. Alsof mensen er vrijwillig voor kiezen om in een sociale regeling te verblijven. Alsof mensen er vrijwillig voor kiezen om in de WW te gaan. Alsof mensen er vrijwillig voor kiezen om in de bijstand te blijven. Mensen willen verschrikkelijk graag aan de slag. Volgens mij was het de collega van deze minister, minister Dijsselbloem, die heeft gezegd dat hij er als minister van Financiën van uitgaat dat mensen liever gisteren dan vandaag willen meedoen op de arbeidsmarkt. Hij erkent het probleem van de armoedeval als een blokkade op dit punt.

De heer De Grave (VVD):

Ik gun de geachte collega zijn emotie. Maar er is ook een grens. Nou heeft de heer Thissen er met mij een discussie over gevoerd en ik heb hem gezegd: nee, mijnheer Thissen, dat is mijn emotie niet, mijn emotie is dat werken moet lonen en dat er verschil moet zijn tussen een uitkering en loon. De minister heeft omstandig uitgelegd dat het niet zijn emotie is. De collega van de Partij van de Arbeid heeft gezegd: nee, ik heb een woord gebruikt dat die indruk zou kunnen wekken, maar dat is niet mijn bedoeling. Wat wil de heer Thissen nou nog meer? Welk spook staat hij te bestrijden? Doe dat niet, we zijn het op dit punt eens. Nee, die emotie is er niet, althans niet in dit huis, laten we ons richten op wat ons bindt en op hoe we het voor elkaar kunnen krijgen dat werk loont, waardoor meer mensen aan de onderkant aan het werk gaan. Dat moet de gezamenlijke inzet zijn. Laten we ophouden met het bevechten van windmolens. Don Quichot zou de heer Thissen niet passen.

De heer Thissen (GroenLinks):

Hoera, we zijn het eens; mooi. Toch hoor ik hier door de verschillende woordvoerders en ook uit de mond van de minister, dat er prikkels nodig zijn om mensen te verleiden naar de arbeidsmarkt te komen. Het spijt me, maar het zijn uw woorden. Ik hoor de minister vaak zeggen dat mensen weer van de bank af moeten komen. Daar zeg je naar mijn stellige overtuiging mee dat mensen ervoor kiezen liever op de bank te zitten dan mee te doen op de arbeidsmarkt. Het is geen emotie, maar een constatering van woordgebruik. We zitten weer in een ideologische fase, waarin we mensen in een uitkering een bepaald stigma meegeven. Daarom zou ik het erg fijn vinden om eens een beleidsdebat te voeren over deze kwestie. Hoe je het ook wendt of keert, de fractie van GroenLinks wil alles uit de kast halen om ervoor te zorgen dat we kansen bieden aan de anderhalf miljoen mensen die nu in allerlei vormen van uitkeringen zitten, zodat ze naar vermogen mee kunnen doen op de arbeidsmarkt. De vraag is of dat met de huidige hervormingen die het kabinet voorstelt — de Wet werk en zekerheid, hervorming kindregelingen, wijzigingen Wet werk en bijstand, Participatiewet en Wmo-2015 — gaat lukken of niet. Ik daag het kabinet uit om daarover eindelijk eens een samenhangend verhaal te houden.

Ik kom toe aan de kwestie waarover Kamerbrede overeenstemming bestaat dat er wat gebeuren moet voor de alleenstaanden in de Bijstandswet en voor de niet-alleenstaanden in de Awir, die er flink op achteruitgaan. Ze zijn aangemerkt door een brief van Divosa, waarvoor een oplossing moet komen. Bij interruptie heb ik al met de minister gewisseld dat je, wanneer je dat via de bijzondere bijstand gaat oplossen, wat nu een recht is voor mensen eigenlijk, vanuit de ogen van de gemeente bekeken, het maakt tot een gunst voor mensen, omdat gemeenten zelf in de bijzondere bijstand kunnen afwegen of ze een tegemoetkoming doen, ja dan nee. Ik snap het dilemma van de minister en ik prijs hem dat hij de Kamer tegemoetkomt met een regeling voor in ieder geval een jaar, overeenkomstig het amendement van mevrouw Hamer, dat overigens slechts geldt voor de bestaande gevallen en dus niet, is mij gebleken, voor de nieuwe gevallen na 1 januari 2015.

Dat overgangsrecht is mooi. De minister zegde toe dat hij zal zorgen voor het nodige budget via de bijzondere bijstand. We vertrouwen erop dat hem dat lukt. Het gaat om 5 à 10 miljoen. Toch zijn alleenstaande ouders, zonder partner of met een partner die niet vindbaar of die ergens anders verblijft, overgeleverd aan de autonome afweging van de gemeente. Ik vraag de minister om het met zijn collega Klijnsma, die toch flink bezig is om de Wet werk en bijstand stevig te wijzigen, op te lossen via een wijziging in de Wet werk en bijstand. Dat zou volgens ons meer rechtszekerheid bieden aan deze groep en beter borgen wat onze gezamenlijke inzet en die van de minister is.

Echter, een overgangsregeling is geen structurele oplossing, maar bedaart de gemoederen in de Kamer in relatie tot het voorstel van de minister enigszins. Over een jaar zitten we echter waarschijnlijk met eenzelfde discussie als het niet structureel geregeld is. Bovendien had ik de minister in eerste termijn gevraagd om een volledig antwoord te geven op de brief van Divosa. Vooral op pagina 2 staan een aantal behartigenswaardige zaken. Er staat dat het voor veel mensen een moeilijk te vinden weg is wanneer het naar de bijzondere bijstand gaat. Tevens staat er dat de alo-kop — het blijft een vreselijk woord, de alo-kop: de alleenstaande-ouderkopregeling — een voorschotregeling is, die bij onterecht toekennen weer terugvordering tot gevolg heeft. Kortom, er staan een aantal belangwekkende opmerkingen in de Divosa-brief over zaken die eerder fraudegevoelig zouden kunnen worden dan dat ze beter geregeld zijn via de nieuwe partnerdefinitie.

Het eind van de zomer is nog niet in zicht. Ik denk dat alle mensen die op vakantie gaan, het toejuichen dat de minister van Sociale Zaken ons dat in ieder geval toezegt. In dat kader heb ik de minister nog gevraagd of hij wil nadenken over een inkomensafhankelijke kinderbijslag.