Plenair Kneppers-Heijnert bij voortzetting behandeling Wijziging Wet minimumloon



Verslag van de vergadering van 1 april 2014 (2013/2014 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.50 uur


Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie heeft veel waardering voor de pogingen die de minister doet om tegemoet te komen aan de bezwaren die volgens ons aan het wetsvoorstel kleven. Wij danken hem voor zijn brief van onder andere 18 maart jongstleden.

Zoals ik in mijn eerste termijn heb benadrukt, onderschrijven wij de primaire doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk om oneigenlijk gebruik of misbruik van de overeenkomst van opdracht tegen te gaan. Wij hebben echter moeite met het feit dat het een generiek voorstel betreft, dat een oplossing moet bieden voor een specifieke situatie. Wij hebben vraagtekens geplaatst bij het effect van de wet op andere sectoren dan de postsector, de sector waarin bovendien al is afgesproken dat de bezorgers wegens een ingroeiregeling in loondienst komen of dat grotendeels al zijn.

Wij hebben over een aantal kwesties nog vragen en horen graag van de minister hoe hij die gaat oplossen. Onze vragen betreffen de afbakening van de zelfstandigheid ten opzichte van de overeenkomst van opdracht, de afbakening van de overeenkomst van opdracht ten opzichte van aanneming van werk, de vrijwilligers en last, but not least, het stukloon.

Ik kom op de zelfstandigheid. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, ontvangt degene die op basis van een overeenkomst van opdracht werkt, het minimumloon, tenzij hij dit doet uit hoofde van een beroep of bedrijf. De VVD-fractie is van mening dat dit onderscheid niet helder is. De minister is van mening dat "beroep of bedrijf" gericht is op het maken van winst en dat het bij een OVO gaat om het beschikbaar stellen van arbeid, om daarmee inkomsten te genereren. De minister zegt dat de VAR-criteria gelden en in de praktijk goed toepasbaar zijn. Daar zit volgens de VVD nu juist het probleem. Als dit zo is, waarom zijn er dan al die problemen met de zogenaamde schijnzelfstandigen en waarom staat de VAR-wuo ter discussie? Zolang de criteria voor zelfstandigheid niet duidelijk zijn of niet worden gehanteerd, biedt het huidige wetsvoorstel geen oplossing, omdat de ontsnappingsroute via de schijnzelfstandigheid blijft bestaan.

De minister heeft in zijn brief van 18 maart aangegeven dat hij verbeteringen voor de handhaafbaarheid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zal opnemen in het wetsvoorstel over de aanpak van schijnconstructies, maar wij zijn van mening dat de handhaafbaarheid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in deze wet thuishoort en niet in een ander, nog in te dienen, wetsvoorstel. Ik ben dan ook blij met wat de minister zojuist heeft gezegd.

Dan kom ik nu op de aanneming. Ook in de bouwsector worden niet-zelfstandige bouwvakkers onderbetaald. Naar de mening van mijn fractie biedt dit wetsvoorstel daarvoor geen oplossing, omdat in het nieuwe artikel 2, lid 2b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag de aard van de overeenkomst, namelijk een OVO, doorslaggevend wordt voor het in aanmerking komen voor het minimumloon, terwijl dat nu in het huidige artikel 3, lid 1, niet zo is. Daar komt bij dat mijn fractie niet de conclusie van de minister deelt in zijn brief van 21 februari jongstleden, dat alleen de hoofdaannemer een overeenkomst van aanneming heeft en dat de mensen die hij inschakelt, een arbeidsovereenkomst of een OVO hebben. De definitie van aanneming maakt duidelijk dat de aard van de arbeid bepaalt of er sprake is van aanneming. Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich tegen de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.

De wetsgeschiedenis is duidelijk over het onderscheidende criterium voor aanneming, namelijk het vervaardigen en/of het bewerken van een stoffelijk voorwerp. Dat doen niet alleen zelfstandige aannemers en zelfstandige onderaannemers — ik bedoel dan echt zelfstandige onderaannemers — maar ook de uitvoerenden in de bouw. Als zij niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken, doen zij dat op basis van aanneming en niet op basis van een OVO. Dit wordt bevestigd door de Cao Bouwnijverheid — maar ook door de Cao Afbouw, die vergelijkbare bepalingen heeft — die ook geldt voor niet-werknemers. In artikel 6, sub a, van de Cao Bouwnijverheid is het volgende geregeld. Werknemer is hij die bij een werkgever in Nederland werkzaam is: i. ingevolge een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 610 BW, of ii. ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij/zij zelf ondernemer is, of iii. als hulp van de aannemer van werk als onder ii bedoeld. Van de 33.000 opdrachtnemers die volgens de minister in de memorie van toelichting en in zijn genoemde brief van 21 februari — ik geloof dat die uiteindelijk van 4 maart was, maar oké — geen recht hebben op het wettelijk minimumloon, werken er circa 20.000 in de bouw, van wie 20% laaggeschoold en uitvoerend. Dit wetsvoorstel is dus op hen niet van toepassing, omdat zij werkzaam zijn op basis van een overeenkomst van aanneming en niet op basis van een overeenkomst. Zij hebben geen aanspraak op het minimumloon op basis van het nieuwe wetsartikel 2, lid 2b, omdat dit artikel de aard van de overeenkomst bepalend maakt. Graag een reactie van de minister.

Dan de vrijwilligers. Het wetsvoorstel heeft geen consequenties voor allerlei vormen van het verrichten van werkzaamheden die in het maatschappelijke verkeer niet beloond worden of waarvoor geen beloning vereist is, aldus de minister. Hij noemt vriendendienst, burenhulp, vrijwilligerswerk et cetera. Waar het om incidentele burenhulp en vriendendienst gaat — het gras maaien in de vakantie, het oppassen bij ziekte en dergelijke — is dit duidelijk. Regulier vrijwilligerswerk is echter niet zonder verplichtingen. Bovendien is het werk dat vaak ook commercieel gedaan wordt. Hoe zorgt de minister ervoor dat duidelijk is wanneer wel en wanneer niet de wet wordt overtreden? Als zo duidelijk is als de minister zegt wanneer iets vrijwilligerswerk is en wanneer niet, waarom gaat de minister dan in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland? Dat betrof vrijwilligers die hebben afgezien van een aanspraak op loon en het geld ten goede hebben laten komen aan een anbi-stichting. De rechter heeft ze in het gelijk gesteld toen zij opkwamen tegen een door de minister opgelegde boete van €31.500.

Last, but — zoals ik al zei — zeker niet least: het stukloon. Het minimumloon is gebaseerd op een tijdseenheid, uur, week, dag, zie artikel 8 van de Wet op het minimumloon. De te verrichten arbeid is een inspanningsverplichting. Stukloon is gebaseerd op een resultaatsverplichting. Opdrachtgevers die nu met stukloon werken, moeten dit via een prestatienorm omrekenen naar een loon op basis van tijdseenheid. Het huidige artikel 12, lid 4 van de Wet op het minimumloon zegt daar ook iets over. Dat is dus niet nieuw, zoals de minister ook zegt. In dat artikel staat namelijk dat indien de arbeidsduur wordt aangemerkt, dat de tijd is die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid. Ik citeer nu wat de minister schreef in zijn brief. "De werkgever moet een prestatienorm hebben, waarin is vastgelegd hoeveel tijd iemand nodig heeft voor een bepaalde klus of hoeveel iemand per uur kan produceren". Het is dus niets nieuws, zegt de minister. De opdrachtgever/werkgever heeft een norm nodig voor de planning van de personeelsbehoefte en de opdrachtnemer/werknemer heeft recht op inzicht in wat wordt verwacht. "Stukloon en prestatienorm vormen geen bedreiging voor degene die langzamer werkt. De werkgever betaalt immers alleen voor het verrichte werk en niet voor de tijd die men heeft gewerkt". Echter, betalen voor het verrichte werk is nu juist stukloon. Waarom komt er dan een prestatienorm, waarin is vastgelegd hoeveel tijd er nodig is voor een klus, als je er ook langer of korter over mag doen dan de norm, en daar toch hetzelfde voor betaald krijgt? Dat is en blijft ons principiële bezwaar. De minister haalt naar onze mening twee systemen door elkaar en daardoor bestaat er veel onduidelijkheid voor het veld.