Plenair Van Apeldoorn bij behandeling Doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs



Verslag van de vergadering van 1 februari 2022 (2021/2022 nr. 15)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.18 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn (SP):

Voorzitter. Ook ik verwelkom de minister voor zijn eerste debat in de Eerste Kamer, niet om zijn eerste eigen wetsvoorstel al te verdedigen — dat zou wel heel snel zijn geweest — maar om er een te verdedigen dat hij heeft geërfd van zijn voorganger. Het is op het oog een klein wetsvoorstel, maar wel een dat raakt aan een heel belangrijk thema: dat van kansenongelijkheid in het onderwijs en hoe die zo veel mogelijk terug te dringen. Er is al veel over gesproken door mijn voorgangers. Het is wel de vraag in hoeverre dit wetsvoorstel nu echt een wezenlijke bijdrage levert aan dat terugdringen. Mijn fractie vindt de keuze van de regering om voortaan slechts één aanmeldmoment voor alle leerlingen die doorstromen van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs in te voeren op zich logisch en goed. Zo nemen we de ongelijkheid weg tussen leerlingen die zich later aanmelden met een bijgesteld advies op basis van wat nu nog de eindtoets heet enerzijds, en de overige leerlingen anderzijds.

Verder is het de vraag, als je kiest voor een centraal aanmeldmoment, welk moment je dan daarvoor kiest. De vorige regering heeft ervoor gekozen het probleem op te lossen door de eindtoets, die als dit wetsvoorstel wordt aangenomen voortaan "doorstroomtoets" gaat heten, naar voren te halen, van april/mei naar de eerste helft van februari, dit om een centraal aanmeldmoment in maart mogelijk te maken. Wat ons betreft — we hebben dit ook al van andere fracties gehoord — zou het juist beter zijn geweest om het schooladvies later te geven, dus de doorstroomtoets ook later te houden en daarmee een later centraal aanmeldmoment mogelijk te maken. Een later aanmeldmoment beperkt het verlies aan effectieve onderwijstijd in groep 8 en vooral stelt het de in Nederland zo extreem vroege selectie nog even uit en vergroot het daarmee de kansengelijkheid. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Hoe gaat hij wat dat betreft uitvoering geven aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie van Van Meenen, Bisschop en De Hoop die vraagt om een zo laat mogelijk centraal aanmeldmoment? Die motie, die breed is aangenomen, staat eigenlijk in een heel gekke verhouding tot het wetsvoorstel; ze gaat er eigenlijk tegen in. Hoe gaat de minister daarmee om? Daar zijn wij erg benieuwd naar, dus graag een reactie.

Voorzitter. Behalve het herdopen en verplaatsen van de eindtoets om zo een centraal aanmeldmoment mogelijk te maken, beoogde het oorspronkelijke wetsvoorstel nog iets anders, namelijk het toetsen in het primair onderwijs geheel aan de markt over te laten. Mijn fractie heeft deze keuze nooit begrepen, maar is verheugd dat deze voorgestelde gehele privatisering weer uit het wetsvoorstel is gehaald met het met bijna algemene stemmen aangenomen amendement van GroenLinks en de SP in de Tweede Kamer.

Voorzitter. Al met al maakt dit wetsvoorstel bij mijn fractie niet heel veel enthousiasme los. Dat is ook omdat de vorige regering met dit wetsvoorstel de kans heeft laten liggen de kansenongelijkheid in ons onderwijsstelsel veel grondiger aan te pakken. Dan heb ik het ook over de kansenongelijkheid die samenhangt met hoe we nu in Nederland de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet hebben geregeld. Het is al vaak gezegd, door de voorgaande sprekers maar ook door verschillende partijen bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer: als je echt iets aan de kansenongelijkheid wilt doen, dan moet je kijken naar hoe we in Nederland leerlingen al op hun elfde of twaalfde, veel vroeger dan in veel buitenlanden, selecteren en vervolgens in hokjes stoppen waar ze moeilijk meer uitkomen, maar die erg bepalend zijn voor hun verdere kansen in de samenleving.

Veel kinderen selecteren we veel te vroeg en te definitief. De Onderwijsraad heeft dat vorig jaar ook nog eens overtuigend betoogd. Daar is net al uitgebreid aan gerefereerd door collega Fiers. Zij had wat dat betreft ook namens de fractie van de SP kunnen spreken, maar misschien is het in dit geval goed dat de boodschap nog eens herhaald wordt. Want ja, er zijn ook leerlingen van wie al in groep zes of zeven duidelijk is dat ze het best tot hun recht komen met vooral academisch vormend onderwijs, terwijl het voor anderen juist duidelijk is dat hun talenten vooral tot ontwikkeling kunnen komen met praktisch onderwijs. Daarom is maatwerk geboden. Maar er is ook een hele groep daartussen die wel degelijk baat zou hebben bij bredere brugklassen waarbij het moment van de keuze voor mavo, havo of vwo nog een paar jaar uitgesteld zou worden. En als het om maatwerk gaat, waarom zouden kinderen niet ook sommige vakken op mavoniveau en andere op vwo-niveau kunnen volgen? De Onderwijsraad stelt dat we later moeten selecteren en ook meer intern in plaats van extern, zoals nu, moeten differentiëren.

Voorzitter. Er is echt een nieuwe visie nodig op ons hele onderwijsstelsel wat mijn fractie betreft, met name als wij alle kinderen maximale kansen willen geven bij het doorstromen van p.o. naar vo. Gaat deze regering, gaat deze nieuwe minister, ook met zo'n visie komen? De vorige regering heeft hier te weinig aan gedaan. In het coalitieakkoord lezen we nu wel enkele bemoedigende woorden over het stimuleren van brede en verlengde brugklassen met ruimte voor een maatwerkdiploma. Het zijn echter vooralsnog niet meer dan twee zinnen in het coalitieakkoord. Er is nog geen uitgewerkte visie, laat staan wetgeving. Wij begrijpen dat deze minister er nog maar net zit, maar kan hij misschien al iets zeggen over de uitvoering van dit deel van het coalitieakkoord? Daar werd net ook naar gevraagd. Hoe gaat dit concreet vorm krijgen in de nog maar drie jaar die dit kabinet heeft? Welke wetgeving kunnen we verwachten voor het terugdringen van de kansenongelijkheid, met name in de doorstroom van p.o. naar vo? Gaat het dan om meer dan weer wat kleine wijzigingen, kleine reparaties? Of wordt opnieuw elke denkbare en meer fundamentele verandering doorgeschoven naar weer een volgend kabinet? Graag een reactie van de minister.

Ten slotte, voorzitter. Als het gaat om de groter wordende kansenongelijkheid in het onderwijs, is misschien wel het grootste probleem dat van de commercialisering en privatisering van het onderwijs en de manier waarop die het onderwijs als publiek goed ondermijnen. Ook hier heeft de Onderwijsraad onlangs nog scherp voor gewaarschuwd met opnieuw een heel gedegen advies. Mijn fractie is ook benieuwd naar de reactie van de minister op dit rapport. Deelt hij onze zorgen over de oprukkende commercialisering van het onderwijs? Ook al blijft het zo, als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, dat het schooladvies vóór de eindtoets — dan doorstroomtoets geheten — wordt gegeven en niet daarna; er zullen nog altijd meer vermogende ouders zijn die commerciële trainingen voor hun kinderen betalen in de hoop dat ze dan hoger scoren op die nieuwe doorstroomtoets. Dat geldt ook voor eerdere toetsen in het leerlingvolgsysteem. De commercialisering draagt zo bij aan een tweedeling tussen leerlingen met ouders die extra privéonderwijs voor hun kinderen willen en kunnen betalen, en ouders van wie de portemonnee daarvoor niet dik genoeg is. Dat is pas kansenongelijkheid. Is ook niet hier wetgeving nodig om deze ontwikkeling tegen te gaan, zo vraag ik de minister.

Voorzitter. Ik kom aan het eind van mijn betoog, maar niet dan nadat ik gezegd heb dat ik zeer uitkijk naar de beantwoording van de minister in zijn eerste debat.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Apeldoorn. Dan is nu het woord aan de heer Doornhof namens de fractie van het CDA.