Plenair Van Hattem bij behandeling Initiatiefwetsvoorstellen-Snels/Sneller Wet open overheid



Verslag van de vergadering van 28 september 2021 (2021/2022 nr. 1)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 22.32 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een aantal punten voor de tweede termijn. Die richt ik nu primair op de verdedigers van het initiatiefvoorstel. Zo noem ik hen maar even.

Allereerst over de relatieve uitzonderingsgronden. Ik heb in het verslag van de deskundigenbijeenkomst in 2016 nog even een citaat gevonden van de heer Daalder. Hij is een van de grootste deskundigen in Nederland op het gebied van de Wob. Hij zei in die deskundigenbijeenkomst het volgende: "Het is daarom opvallend dat op de valreep bij de formulering van de relatieve uitzonderingsgronden — dat zijn de gronden op basis waarvan een afweging moet plaatsvinden — een wijziging is aangebracht. In artikel 5.1.2, tweede lid, stond aanvankelijk dat een belang zich alleen tegen openbaarmaking kon verzetten als dat ernstig zou worden geschaad, maar op het laatst is men teruggevallen op de huidige bepaling in de Wob. Er zit wel een versterkte motiveringsplicht in, maar die geldt sowieso al. Dus als de bedoeling meer openbaarheid is, dan moet ik vaststellen dat de afweging van belangen in de nieuwe wet niet anders is dan in de oude, terwijl er aanvankelijk een andere keuze was gemaakt."

Mijn vraag aan de verdedigers is of zij kunnen aangeven in hoeverre aan deze kritiek van de heer Daalder tegemoet is gekomen, zeker nu de bestaande jurisprudentie op het vlak van uitzonderingsgronden integraal wordt overgenomen. Er ligt een behoorlijk pak jurisprudentie, wat Wob-procedures juist vaak erg ingewikkeld maakt.

Dan het tweede punt. Daar heb ik zojuist al een paar keer naar verwezen. Dat is artikel 4.1, lid 1, van de Wet open overheid. Mijn vraag is hoe de verdedigers van het wetsvoorstel aankijken tegen koepelorganisaties als VNG en IPO. Moeten die conform dat artikel ook op deze manier behandeld worden bij een Wob-verzoek?

Dan kom ik bij het derde punt. Dat is artikel 5.2, lid 3. Daar heb ik in de eerste termijn ook naar gevraagd. Dat is de formele bestuurlijke besluitvorming. Daar wordt bij "persoonlijke beleidsopvattingen", et cetera, gezegd dat dat niet van toepassing is als het belang onevenredig wordt geschaad. Op de term "onevenredig geschaad" zou ik vanuit de bedoeling van de wetgever een toelichting willen. Wat zijn de criteria voor "onevenredig geschaad"? Is daar een bepaald kader voor te schetsen?

Mijn vierde punt gaat over het punt dat de heer Koole al terecht aanhaalde: hoe kijken de verdedigers aan tegen de positie van de bestuurlijke overlegtafels? Ik krijg daar graag een heel duidelijke uitspraak over, gelet op de bedoeling van dit wetsvoorstel.

Het vijfde punt is een puntje uit de praktijk van de lokale en provinciale overheden. Als er bij een bestuursorgaan een raadsvoorstel wordt ingediend, en dat wordt in samenwerking gedaan tussen de gemeente en de provincie, dan krijgen de gemeenteraadsleden een stuk wel onder ogen en de leden van Provinciale Staten krijgen het niet onder ogen. Er wordt gezegd: dit stuk is alleen voor de gemeenteraad van strategisch belang. Hoe gaat dat zich verhouden tot de Wet open overheid? Kan een Statenlid vervolgens zeggen: ik wil dat stuk per se ook hebben, ook als het college van die gemeente dat weigert? Hoe gaat dat conflict of interest tussen provincie en gemeente of welk overheidsorgaan dan ook zich uitkristalliseren? Is daar een kijk op vanuit de bedoeling van de initiatiefnemers?

Mijn volgende punt. Ik kom daarvoor even terug op de uitspraak van de Raad van State over het Wob-verzoek over de CdK-agenda. Voor alle duidelijkheid zeg erbij dat dat verzoek destijds door mijzelf is ingediend. In de toelichting bij artikel 5.7, waarnaar door de indieners werd verwezen, wordt gesteld dat het bestuursorgaan niet eerst hoeft na te gaan of de gevraagde informatie openbaar kan worden gemaakt voordat artikel 5.7 aan de orde is. En er staat: interventie van een bestuursorgaan is beperkt tot de vraag of de informatie die een onderzoeker wil gebruiken op grond van artikel 5.1 en artikel 5.2 openbaar is. Zo niet, dan verbiedt de wet het gebruik van die informatie. Ik vraag me toch af wanneer zo'n stuk wel of niet openbaar wordt als het voor onderzoek wordt opgevraagd. Kunnen ze daar nog een schets van geven?

Tot slot werd door de minister aangegeven dat de afhandelingstermijnen van verzoeken zijn opgelopen. Wat de PVV betreft moeten die afhandelingstermijnen snel, sneller en het snelst worden. En tot slot een aanbeveling aan de minister: om stevig te gaan bezuinigen op het gebruik van zwarte lak.

Tot zover, voorzitter, in tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Dan is het woord nu aan de heer Backer namens de fractie van D66.