Plenair Verkerk bij behandeling Grondeigendom Omgevingswet



Verslag van de vergadering van 3 maart 2020 (2019/2020 nr. 22)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.09 uur


De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Aan de Universiteit van Maastricht heb ik vele jaren een inleiding gegeven tot de wijsgerige ethiek. Dat is een filosofische discipline die zich bezighoudt met de grondslagen van de ethiek. Het gaat om de vraag: hoe doe ik dat eigenlijk? Ik bespreek daarin onder andere het commentaar van de bekende reformator Johannes Calvijn op het achtste gebod. Dit gebod luidt: "Gij zult niet stelen."

Het interessante is dat Calvijn eigenlijk van origine een jurist was. We vinden bij hem twee belangrijke noties over eigendom. De eerste notie is dat eigendom een religieuze dimensie kent. Calvijn verbindt eigendom met een Gever met een grote G: alle goederen krijg je van God. De tweede notie is dat eigendom ook een morele dimensie kent. Calvijn stelt namelijk dat we bereid moeten zijn om onze eigendommen te delen met anderen die in nood verkeren. Hij zegt dan ook dat een goed beheer van eigendom betekent "het beschermen en bevorderen van het voordeel en het nut van anderen". De religieuze notie begrepen de meeste studenten wel. Calvijn was immers een christen. Maar de morele notie vonden ze echt lastig. Waarom moet ik met mijn bezit iets doen tot voordeel en nut van anderen?

Voorzitter. Het zou best weleens kunnen zijn — ik formuleer het voorzichtig — dat die tweede notie van Calvijn ons helpt om ook de Omgevingswet in het algemeen en de Aanvullingswet grondeigendom in het bijzonder te verstaan. Ik denk daarbij ook aan de balans tussen benutten en bewaren. De genoemde notie van Calvijn laat zien dat het bij het benutten niet alleen gaat om de waarde voor de initiatiefnemer, maar ook om die voor alle anderen die daardoor beïnvloed worden. Datzelfde geldt voor de notie van het beschermen. Ook daarbij gaat het om het beschermen en het bevorderen van het voordeel en het nut van de ander.

Voorzitter. Calvijn maakt duidelijk dat morele overwegingen niet alleen een rol spelen in de balans tussen bewaren of benutten en beschermen, maar ook in de balans binnen het benutten en binnen het beschermen. De fractie van de ChristenUnie is van mening dat de Omgevingswet in het algemeen — we denken daarbij onder andere aan participatie — en de Aanvullingswet in het bijzonder — we denken daarbij onder andere aan de kostenregeling of de compensatie; ik kom daarop terug — mooie instrumenten bieden om al die balansen in kaart te brengen en te wegen.

Voorzitter. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben bij de behandeling van de Invoeringswet Omgevingswet hun waardering uitgesproken voor de grote inspanning die geleverd wordt door het ministerie, de provincies, de waterschappen en de gemeenten om een helder, toegankelijk en eenvoudiger stelsel voor het omgevingsrecht te creëren. Wij willen nu graag opnieuw onze waardering uitspreken, voor de Aanvullingswet grondeigendom en het Aanvullingsbesluit grondeigendom en voor al het werk dat de ambtenaren gedaan hebben, onder andere om onze vragen te beantwoorden.

De fractie van de ChristenUnie kan zich ook vinden in de conclusie zoals vermeld op pagina 10 van de memorie van toelichting, waar we lezen dat het integreren van de regels over voorkeursrecht, onteigening en inrichten van het landelijk gebied in de Omgevingswet, de introductie van kavelruil voor het stedelijk gebied, en de verdere aanpassing van de regels over grondexploitatie tot een regeling voor kostenverhaal, een belangrijke bijdrage leveren aan het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en de verbeterdoelen van de stelselherziening.

Voorzitter. In de memorie van antwoord wordt verschillende keren vermeld dat de nieuwe wet en de huidige wetgeving een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de burger bieden. De fractie van de ChristenUnie is ervan overtuigd dat dit ook de intentie van de wetgever is. Het blijft spannend hoe deze intentie uiteindelijk in de praktijk gematerialiseerd zal worden. Daarom vraagt de fractie van de ChristenUnie of de minister bij de evaluatie van de Aanvullingswet grondeigendom expliciet aandacht wil geven aan de praktijk van de bescherming van de burger in relatie tot de huidige wet. Onze vraag is of zij dat kan toezeggen.

Voorzitter. Ik heb ook een brief ontvangen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie over de Aanvullingswet grondeigendom. De datering van die brief is 14 februari 2020. Gezien de aanhef hebben meerdere Kamerleden deze brief ontvangen. In deze brief worden drie punten ingebracht: inschrijving herverkavelingsakte, inschrijving kavelruilovereenkomst en begrenzing landelijk en stedelijk gebied. De fractie van de ChristenUnie vraagt de minister of zij bekend is met deze brief en vraagt haar reactie daarop.

Voorzitter. In de nadere memorie van antwoord gaat de minister uitgebreid in op de vragen van onze fractie met betrekking tot een generiek kostenverhaal of een generieke compensatieregeling. Ik verwijs hierbij ook naar de bijdrage van collega Crone van de PvdA. De antwoorden roepen bij onze fractie nog enkele vragen op.

Bij de beantwoording van onze vragen wordt met name gewezen op de regelingen in de wet voor kostenverhaal en voor het vragen of afdwingen van een financiële bijdrage voor bijvoorbeeld compenserende maatregelen bij aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat dan om artikel 13.22 en artikel 13.23 van de Omgevingswet. Zien we dat goed? Zien we het goed dat ook het kostenverhaal en de regeling financiële bijdragen niet van toepassing zijn op milieubelastende activiteiten, lozingsactiviteiten en dergelijke?

De maatwerkregels die de minister noemt in de beantwoording roepen ook vragen op. Is het zo dat dit type regels met name de kant van het benutten faciliteert en niet die van het beschermen, behoudens een enkele maatwerkregels over natuur? Kunt u aangeven welke maatwerkregels bedoeld zijn om te beschermen in plaats van te benutten?

Zouden bijvoorbeeld ook voor het beheer van landschappen de waarden die aangetast worden en gecompenseerd moeten worden, niet helder omschreven moeten worden om tot een betere bescherming van het landschap te komen?

In de wet is voor de aspecten water — denk aan het waterafvoerend vermogen van de rivier — en natuur — denk aan de Vogel- en Habitatrichtlijn — wel een bevoegdheid opgenomen om compenserende maatregelen op te leggen. Maar verder zien we dat die compensatieregeling in hoge mate beperkt wordt tot bouwactiviteiten. Onze fractie vraagt zich dan ook af of een generieke compensatieregeling in de wet niet zou kunnen bijdragen tot een betere balans tussen benutten en beschermen, of in de woorden van Calvijn "het komen tot het beschermen en bevorderen van het voordeel en het nut van anderen", zowel binnen het benutten, als binnen het beschermen, als bij de balans daartussen. Onze vraag aan de minister is dan ook: kunt u op stelselniveau een onderzoek doen of laten doen naar het nut en de noodzaak van een generiek kostenverhaal of een generieke compensatieregeling in de wet? Kunt u daarin ook de gerechtvaardigde belangen van de verschillende stakeholders meenemen? En kunt u bij dat onderzoek ook de resultaten van de monitor van de regelingen voor financiële bijdragen uit artikel 13.22 en artikel 13.23 van de wet en het kostenverhaal betrekken? Zou dat onderzoek in het eerste jaar na de inwerkingtreding kunnen starten? Kunt u de Kamer bij dit onderzoek betrekken? Wij zouden het fijn vinden als u hierop toezeggingen kunt doen.

Onze fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkerk. Dan is het woord aan de heer Van Dijk.