Plenair Oomen-Ruijten bij behandeling Wijziging Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten



Verslag van de vergadering van 5 november 2019 (2019/2020 nr. 5)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 10.34 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie heeft niet meegedaan aan de schriftelijke voorbereiding van dit debat. Niet omdat het onderwerp ons of mij koud laat. Nee, in een inclusieve samenleving horen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een plek te hebben op die arbeidsmarkt. Wat wij wel hebben gedaan, is de discussie over de consequenties van de BAADI op de agenda zetten. In dit verband zou ik van de staatssecretaris willen weten hoe nu de sociale partners, die een opdracht hebben gekregen, aan het werk zijn.

Voorzitter. Toen ik de enkele woorden op papier zette voor deze inbreng van vandaag, realiseerde ik mij dat ik bij een van de eerste begrotingsdebatten die ik als jong Kamerlid deed aan de overkant, heb gesproken over het recht op "decent work for persons with disabilities, full opportunities, rehabilitation, special vocational guidance, training and retraining, and employment on useful work under the same conditions and same pay". Dat was toen geen verzinsel van mijzelf, maar het kwam uit de ILO-conventie in 1945 te Philadelphia die ook door Nederland is getekend. Twee jaar later kwam daar ook nog eens de opdracht bij om ervoor te zorgen dat er op zijn minst een quotum van 2% zou worden gerealiseerd.

Toen vroeg ik me af wat er sinds die tijd is gebeurd. Wat is er gebeurd om het aantal mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt inderdaad te vergroten? Ook dan komt de herinnering boven. We hadden in de jaren tachtig toch een poging gedaan met de WAGW, een 5%-quotumwet, die echter te generiek bleek en te veel zou leiden tot problemen om ooit adequaat te kunnen functioneren. Maar in 2013 kwam de oplossing. De toenmalige regering wist hoe het moest: iedereen onder de Participatiewet. Dat betekende het de facto beëindigen van een prachtige voorziening als de sociale werkvoorziening. Dat wil zeggen, het fors afbouwen van de populatie, maar je kon erop rekenen dat er problemen zouden komen. Die zouden dan worden opgelost met de Wet banenafspraak.

Ik zie nu allerlei constructies om mij heen met vormen van beschut werk die voor de positie van de aangewezen doelgroep niet altijd gezond zijn. Die voldoen dus niet aan werk dat lonend en bélonend moet zijn voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ik vraag me dan ook in alle gemoede af of het wel een wijs besluit was om de WSW af te schaffen.

Nu blijkt dat het realiseren van banen niet gelukt is bij de overheid, komt de regering met een voorstel dat wellicht wel kansen biedt, kansen om alsnog bij die overheid banen te realiseren. Het moet mogelijk worden om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen en dat doet de overheid op dit moment nog steeds te weinig. Natuurlijk is de CDA-fractie teleurgesteld dat het niet gelukt is bij de overheid; die zou toch een voorbeeldrol moeten spelen. Als ik naar deze wet kijk, dan denk ik: jammer, want die lost niets op. Wij hebben in het verleden fouten gemaakt en wij gaan er dus van uit dat de nieuwe kansen die deze wet biedt, met volle urgentie door de staatssecretaris worden opgenomen.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dan u wel. Het woord is aan de heer Kox.