Plenair Ten Hoeve bij behandeling Tijdelijke verhoging afromingspercentage bij overgang van een fosfaatrecht



Verslag van de vergadering van 4 juni 2019 (2018/2019 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.05 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Het fosfaatprobleem met in zijn kielzog het nitraatprobleem, inclusief de falende PAS-regeling, blijft ons achtervolgen. Daarvoor hoeven we het niet eens te hebben over alle problemen met mestfraude en mestverwerkingsfraude. We moeten nu weer constateren dat het aantal fosfaatrechten voor de melkveesector zo ver gegroeid is dat het geen garantie meer biedt dat de fosfaatproductie onder het sectorplafond kan blijven. Dat is voor de minister natuurlijk een flinke tegenvaller, waardoor zij gedwongen is om een oplossing te zoeken, want niemand wil straks van de ene dag op de andere de derogatie verliezen. Maar elke oplossing levert natuurlijk tegenstand op. Ik heb er ook wel begrip voor dat de minister gekozen heeft voor de oplossing die nog het makkelijkste lijkt te implementeren en die de gevolgen nog het meest lijkt te spreiden. Het gaat dus om de oplossing die het minste pijn lijkt te doen: het verhogen van het afromingspercentage bij de overdracht van de fosfaatrechten. Maar natuurlijk roept die maatregel wel verontwaardiging op.

De keuzemogelijkheden zijn beperkt: deze afromingsmaatregel of een generieke korting voor de niet-grondgebonden melkveehouders of, zoals gesuggereerd wordt, het opkopen van fosfaatrechten door de overheid. Die laatste mogelijkheid lijkt niet voor de hand te liggen omdat het gezien kan worden als staatssteun. Bovendien: misschien is het ook wel redelijk dat het probleem van de sector ook binnen de sector opgelost wordt.

Zoals gezegd, de afroming bij overgang van rechten lijkt de makkelijkste oplossing en ook de oplossing die het makkelijkst te verkopen is. Toch roept deze keuze, en niet voor de eerste keer, de vraag op waar we nu eigenlijk mee bezig zijn. De minister heeft tot tevredenheid van bijna iedereen kringlooplandbouw benoemd als het doel waarop het landbouwbeleid zich moet richten. Dat zou moeten betekenen dat alle beleidsmaatregelen die genomen worden daar ook aan moeten bijdragen. Zonder op het doel gerichte maatregelen halen we dat niet. Maar de werkelijkheid is naar mijn gevoel dat we blijven hangen in crisismaatregelen die de kool en de geit sparen, de hele sector in gelijke mate treffen en dus niets bijdragen aan bereiken van het gestelde doel. Kringlooplandbouw zal toch een hoge mate van grondgebondenheid in de veeteeltsector moeten betekenen. Ik hoop dat de minister dat met mij eens is.

De bedoeling om de afgeroomde fosfaatrechten in de fosfaatbank op te slaan en dan ten goede te laten komen aan de grondgebonden veehouderij is, voor zover ik dat kan zien, het enige beleidsvoornemen dat erop gericht is om die grondgebondenheid te stimuleren. Die fosfaatbank wordt nu en voorlopig gebruikt om het teveel aan rechten op te schonen en er worden ook geen maatregelen voorzien om hier op termijn compensatie voor te bieden. Is de minister het met mij eens dat wij dus opnieuw bezig zijn met crisismaatregelen die geen bijdrage of zelfs een negatieve bijdrage leveren aan het bereiken van het doel van kringlooplandbouw? Op die vraag is de minister ook in haar schriftelijke beantwoording niet ingegaan.

Voorzitter. Ondank dat ik, zoals ik al zei, niet helemaal zonder begrip ben voor de keuze die de minister heeft gemaakt, zou ik haar toch willen vragen of het langzamerhand geen tijd wordt dat wij in onze maatregelen niet meer de makkelijkste weg kiezen, maar een duidelijke keuze maken. Als we dat zouden willen, ligt dan een generieke korting op de niet-grondgebonden veehouderij niet veel meer voor de hand?

Voorzitter. Ik hoor graag de reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan de heer Binnema.