Plenair Binnema bij behandeling Tijdelijke verhoging afromingspercentage bij overgang van een fosfaatrecht



Verslag van de vergadering van 4 juni 2019 (2018/2019 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.09 uur


De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. We bespreken vandaag een op het oog eenvoudig en beperkt wetsvoorstel, zeker wanneer we afgaan op het aantal woorden, het aantal pagina's of het aantal artikelen in de Meststoffenwet dat wordt gewijzigd. Ten dele is het de schijn die bedriegt, want er gaat een wereld achter schuil van sectorplafonds, het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, het fosfaatrechtenstelsel en de derogatiebeschikking van de Europese Commissie. Bovendien gaat er een wereld achter schuil van melkveehouders die keuzes moeten maken, misschien wat sneller dan gedacht en misschien wat ingrijpender dan gedacht, over de toekomst van hun bedrijf.

Anderszins merken we in de zowel de memorie van toelichting alsook in de beantwoording van de vragen uit zowel Eerste als Tweede Kamer dat de regering probeert het voorstel telkens tot deze eenvoud en beperking terug te brengen. Geen beschouwingen over de grote effecten van fosfaat en stikstof voor natuur en milieu of de effecten van de grote veestapel voor de biodiversiteit. Het gaat om afspraken over maximaal toegestane productie van fosfaat en stikstof. Het gaat over de vraag hoe onder het sectorplafond te blijven. De rekensom is snel gemaakt: 85,8 miljoen kilo is meer dan 84,9 miljoen kilo en dat moet nog in 2019 op orde worden gebracht.

Kan de minister allereerst nog eens voor ons verhelderen waarom voor 20% is gekozen? Is het inderdaad niet veel meer dan de rekensom die zegt dat in 2018 bij 10% 0,4 miljoen kilo fosfaatrechten is afgeroomd dit bij een verdubbeling van het percentage tot een verdubbeling van die afroming tot ongeveer 0,8 miljoen kilo zal leiden en wellicht meer? Er wordt verwezen naar het toch wat abstracte begrip "latente ruimte" en de veronderstelling dat boeren die stoppen of afbouwen de niet-benutte rechten gaan overdragen. Er wordt aangenomen dat het prijseffect van een hoger afromingspercentage beperkt is. Daar staat een andere veronderstelling tegenover dat dit percentage de handel in fosfaatrechten minder aantrekkelijk maakt, maar dat naar verwachting er niet significant minder fosfaatrechten worden verhandeld. Tot slot wordt ook aangenomen dat maar een klein deel van de transacties door het aankondigingseffect versneld zal plaatsvinden om nog van de 10% gebruik te kunnen maken. Dat zijn wel erg veel verwachtingen en veronderstellingen. Daar volg ik de heer Reuten van de SP in. Vandaar de vraag aan de minister hoe groot zij de kans acht dat de rechten onder het plafond komen met deze verhoging en hoe groot zij de kans acht over enige tijd weer naar de Kamer te moeten met een voorstel om naar 25% of 30% te gaan. Hierbij merken we op dat de route terug naar 10% wel via koninklijk besluit kan worden bewandeld, maar een verdere verhoging eigenlijk om een nieuwe wetswijziging lijkt te vragen.

Een andere aanname is dat de lasten van een hoger afromingspercentage over een grotere groep landbouwers worden verdeeld dan de lasten die bij een generieke korting horen. Bij die laatste variant worden de fosfaatrechten van alle niet-grondgebonden melkveehouders verlaagd. De korting heeft in elk geval als duidelijk voordeel dat er grote zekerheid is dat de fosfaatrechten onder het plafond zullen komen. Kan de minister nog eens duidelijk schetsen wat in haar ogen de belangrijkste nadelen zijn van een generieke korting? Dan doel ik niet op de meer kwantitatieve maatstaf van het aantal landbouwers dat het betreft; daarover is de beantwoording relatief helder. Waar het mij om gaat, is hoe verhoging van het afromingspercentage enerzijds en generieke korting anderzijds zich tot elkaar verhouden als twee typen beleidsinstrumenten of beleidsinterventies, zo u wilt. Wat zijn de verwachte effecten van beide maatregelen en hoe zijn voor beide ook aspecten van legaliteit en uitvoerbaarheid gewogen?

De kilogrammen fosfaat die worden afgeroomd kunnen worden gebruikt om jonge, grondgebonden landbouwers ontheffing te verlenen van het fosfaatrechtenstelsel. Het kabinet heeft echter vorig jaar besloten de fosfaatbank vooralsnog niet open te stellen. Uit de schriftelijke beantwoording klinkt eigenlijk door dat dit ook niet snel te verwachten is. Bovendien klinkt de boodschap enigszins dubbel: enerzijds wordt gesteld dat door verhoging van 10% naar 20% openstelling eerder mogelijk wordt. Anderzijds gaat door amendering in de Tweede Kamer vrijwel direct na het reduceren van de rechten tot net onder het plafond het percentage weer terug naar 10%. Is de minister met GroenLinks van mening dat dit de bedoeling en de inzet van de fosfaatbank ondermijnt en een dubbel signaal afgeeft aan de grondgebonden boeren die hopen ooit van deze fosfaatbank gebruik te kunnen gaan maken? Ook hier graag een reactie op.

Tot slot. Vorige week bij het debat over het verbod op asbestdaken meende ik voor de laatste keer hier te hebben gestaan voor een plenair debat. Met dank aan deze minister, die dit wetsvoorstel met grote spoed door beide Kamers behandeld wilde hebben, kwam er onverwacht nog een debat bij. Gezien de aard van dit voorstel en ook de framing door het kabinet, zou je kunnen zeggen, is de nadruk nu in het debat komen te liggen op technische aspecten als de verhouding tussen fosfaatrechten en fosfaatproductie, de in te schatten effecten van deze afroming en de keuze voor een verhoging van 10% naar 20%. Uiteindelijk is het interessanter en uitdagender wanneer de bredere vraag naar het toekomstperspectief van de landbouw aan de orde is, vragen naar de haalbaarheid en wenselijkheid van de kringlooplandbouw en de overeenkomstige en strijdige belangen van landbouw, natuur en milieu, waarnaar ook de heer Reuten verwees. Dat zijn vragen die deze minister, zo heb ik zelf ook mogen ervaren tijdens mondelinge overleggen en tijdens het debat over de landbouwbegroting, zeker niet uit de weg gaat. Ik wens mijn opvolger dan ook veel mooie debatten met deze minister toe. U mag erop rekenen dat GroenLinks zich — zowel als het over landbouw gaat als wanneer het over heel veel andere onderwerpen gaat — kritisch en radicaal zal blijven opstellen, maar ook constructief en afgewogen. Want de toekomst van de landbouw blijft ons allen boeien.

Wij kijken uit naar de beantwoording van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Binnema. U was niet de enige die vorige week dacht dat het debat over asbest uw laatste debat was. U heeft vandaag bovendien een debat mogen voeren op uw verjaardag, en ook nog eens een kroonjaar, 40. Uw leven begint nu pas!

Ik geef het woord aan de heer Van Zandbrink.