Plenair Ten Hoeve bij behandeling Sint-Eustatius



Verslag van de vergadering van 6 februari 2018 (2017/2018 nr. 18)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.59 uur


De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Ik beperk mij tot wat constateringen. Allereerst: een zo ingrijpende maatregel als hier voorligt, moet in het parlement op brede steun kunnen rekenen. Anders is er wat mis. Wat mij betreft is die steun er volmondig, maar toch in feite met grote tegenzin, want het overnemen van het volledige democratische proces op Sint-Eustatius is natuurlijk ongehoord en een ultimum remedium. Een dergelijk paardenmiddel, men ziet er vaak heel lang tegenop om dat in te zetten en dan ben je vaak te laat. Inderdaad, we zijn hier ook eigenlijk te laat.

Brede steun in het parlement lijkt mij dus noodzakelijk. Brede steun op het eiland zelf is, denk ik, minder gegarandeerd, maar ook niet volstrekt noodzakelijk. De belangen die gediend worden, zijn niet uitsluitend die van de bevolking daar, maar ook het belang van de rechtsorde en zelfs het veel grotere belang van een stabiele ontwikkeling in het totale Caribische gebied zou een rol mogen spelen. Dat neemt niet weg dat het belang van de bevolking van Sint-Eustatius verreweg het meest concrete en menselijk gezien ook het meest verdedigbare argument vormt voor een ingrijpen, zodat het toch ook te hopen is dat er steun voor op het eiland is, naast waarschijnlijk toch ook verzet.

Of die noodzaak nu onmiddellijk wel of niet gevoeld wordt door de bevolking, het is in ieder geval van heel groot belang dat het ingrijpen zich naar de bevolking toe zal bewijzen door zijn manier van optreden en zijn resultaten. Er mag rekening mee gehouden worden dat op alle drie de Nederlandse eilanden de roep om meer autonomie bestaat. Op Saba nog het minst in staatkundige zin, maar zelfs daar is er behoefte aan meer concrete zeggenschap. De ingreep is dus uitdrukkelijk tegengesteld aan wat — niet door iedereen maar wel door hele groepen in de diverse samenlevingen — gevraagd wordt. Het is waarschijnlijk dat een groot deel van deze ontevredenheid met de bestaande situatie gevoed is door onze manier van omgaan met de eilanden, door de veelheid van departementen, die allemaal wat te zeggen wilden hebben, wat ook nog een hoop geld kostte, en wel zeker nog het meest door het chronische en sinds 10-10-10 beslist niet kleiner geworden armoedeprobleem.

Het is aannemelijk dat dit ook de politieke mogelijkheden vergroot heeft of misschien wel geschapen heeft van degenen die op Sint-Eustatius op een echt onverantwoordelijke manier het bestuur hebben laten ontsporen. Maar dat probleem is dus breder dan alleen Sint-Eustatius. Die problemen moeten voor alle drie de eilanden tegelijk worden opgelost. We kunnen niet volstaan met alleen naar Sint-Eustatius te kijken.

Intussen moet de regeringscommissaris het bestuur en al zijn uitvoerende diensten weer op poten helpen, zodat ook zichtbaar wordt dat de dingen beter en het bestuur betrouwbaarder wordt. En dus zo dat de samenleving zelf weer tot rust kan komen. Het inplanten van een democratische cultuur hoort daarbij, zonder daarbij de eigen cultuur geweld aan te doen. Ondanks alles is veel respect vereist.

Ik hoop dat dit allemaal lukt. inderdaad moet er later met een verantwoordelijk eigen Statiaans bestuur en met de andere eilanden verder gepraat kunnen worden over de mate van autonomie die wenselijk is. De staatkundige verhoudingen voor Caribisch Nederland en zelfs ook voor de vier landen liggen niet voor altijd vast. Voor Sint-Eustatius zeker niet; dat heeft nooit voor deze constellatie gekozen. We hebben nu wat we hebben en we moeten ons er eerst met elkaar voor inspannen om dat voor iedereen zo veel mogelijk te laten opleveren. Ik wens de regering, de staatssecretaris, graag alle succes toe met dat proberen om het goede, het onder deze omstandigheden meest zinvolle, te doen. Daar ligt een grote verantwoordelijkheid voor de Nederlandse regering, voor de staatssecretaris en eigenlijk voor heel Nederland.

De voorzitter:

Dank u wel mijnheer Ten Hoeve. Ik geef het woord aan de heer Schalk.