Plenair Schnabel bij behandeling Verplichte geestelijke gezondheidszorg



Verslag van de vergadering van 15 januari 2018 (2017/2018 nr. 14)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.53 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schnabel (D66):

Ruim honderd jaar heeft Nederland het moeten doen met de Krankzinnigenwet van 1884 en aan de invoering van de Wet BOPZ in 1994 is ook bijna een kwart eeuw van discussie voorafgegaan. En in de bijna kwart eeuw sinds dat moment zijn de wet en de uitvoeringspraktijk alweer verschillende malen gewijzigd. Nu is het de bedoeling de Wet BOPZ te vervangen door uiteindelijk drie met elkaar samenhangende wetten, die elk ook alweer een lange periode van discussie, voorbereiding en wijziging achter zich hebben. Het gaat natuurlijk ook om regelingen met betrekking tot fundamentele vragen over de grenzen van de grondrechten. De Krankzinnigenwet ging nog uit van het bestwilcriterium, dat in de loop van de tijd echter toch steeds meer als tegelijkertijd te ruim en te paternalistisch werd gezien. De BOPZ was, zeker aanvankelijk, gebaseerd op een zeer strikt gedefinieerd gevaarscriterium, dat in de praktijk echter toch te beperkt bleek, ook omdat de wet wel voorzag in gedwongen opneming maar niet in gedwongen behandeling, wat in tegenspraak is met de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg van heden.

Als lid van de nationale raad voor de volksgezondheid was ik in de jaren tachtig nauw betrokken bij de advisering over de toekomstige BOPZ en ik heb toen gepleit, anders dan voor het bestwilcriterium en het gevaarscriterium, voor de ontwikkeling van wat ik toen een gemenebestwilcriterium heb genoemd. Dat is een manier van denken waarin een balans gezocht kon worden tussen enerzijds de bezorgdheid om de situatie van de patiënt en anderzijds het belang van de bescherming van de samenleving en het samenleven. Dat begrip, gemenebestwilcriterium, heeft geen ingang gevonden, maar in de praktijk van de BOPZ en in de nu voorliggende wetsvoorstellen, zeker in de Wvggz, is naar mijn idee toch duidelijk sprake van een zoeken naar een balans tussen behandelen en beveiligen, tussen bieden van zorg en beperken van gevaar.

Dat in de wordingsgeschiedenis van de Wvggz in de verschillende nota's van wijziging verschuivingen in de accenten tussen de beide polen kunnen worden herkend, is eigenlijk toch wel inherent aan de aard van de problematiek waar een oplossing voor moet worden gevonden. Het gaat steeds om de mate waarin en het moment waarop de veronderstelling dat volwassenen in staat zijn zich binnen de ruime regels van wat als normaal of aanvaardbaar geldt, in ieder geval als niet leidend tot ernstig nadeel voor de betrokkene en voor anderen, althans door die anderen niet meer volgehouden kan worden. In die situatie is natuurlijk steeds weer de vraag: wie mag dan wat onder welke voorwaarden en met welk doel doen?

Gezien de mogelijke consequenties — verplichte zorg, gedwongen opneming, verlies van bewegingsvrijheid — kan en mag het antwoord op die vraag niet gemakkelijk gegeven worden. De Wvggz omvat dan ook niet minder dan 50 bladzijden aan "regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis", zoals de volledige titel van de wet luidt, gevolgd door nog eens 50 bladzijden aanpassing andere wetgeving. Juist door deze overmaat verbaast het dan weer niet dat de minister van VWS in zijn brief van 18 december 2017 moest wijzen op het "per abuis" in de tweede nota van wijziging van de Wvggz verwijderen van artikel 13, lid 4, dat de opsporing regelt van patiënten die zich onttrokken hebben aan verplicht opgelegde zorg. Als het dan misgaat, wordt dat uiteraard vooral gezien als het falen van de hulpverlening en niet als een "abuis" van de wetgever. Die kennelijk lang onopgemerkt gebleven vergissing is misschien toch wel tekenend voor het risico dat ontstaat door juist het grote aantal in de wet opgenomen regels, de strikt te volgen procedures, de vele betrokken instanties, disciplines en personen en de in de tijd weken en soms maanden in beslag nemende besluitvorming. Op die manier kan het formeel en moreel betere de vijand worden van wat praktisch en klinisch door professionals in de ggz als het goede en het noodzakelijke wordt gezien.

Mijn fractie ziet dan ook graag een toezegging van de minister tegemoet dat in de evaluatie in het bijzonder aandacht geschonken wordt aan dit dilemma. Dat impliceert meteen dat de evaluatie niet gebaseerd moet zijn op simpelweg een peiling van meningen en ervaringen na het tweede jaar van toepassing van de wet, maar dat van het begin af aan die toepassing nauwkeurig gevolgd moet worden om in kaart te brengen wat goed en wat niet goed gaat. Het onderzoek moet eigenlijk meelopen met de toepassing van de wet; vroeger zou je dat "actieonderzoek" noemen. De zo gewonnen inzichten kunnen dan ook weer gebruikt worden voor de reeks van AMvB's die nog te verwachten is. Dit is dus niet de eindevaluatie, maar het gedurende de eerste jaren van toepassing steeds weer reageren op wat er in de praktijk aan ervaringen wordt gewonnen.

Voorzitter. De Wvggz houdt in veel opzichten een verbetering in ten opzichte van de BOPZ; een aantal van de collega's heeft dat ook al duidelijk gemaakt. Die verbetering komt met name ook tot uiting in de veel grotere aandacht en waardering voor de sociale omgeving van de patiënt. De versterking van de rol van de familie in het zorgproces heeft nu zelfs aanleiding gegeven tot de instelling van een familievertrouwenspersoon. Een punt van zorg, nog niet geadresseerd in de wet, is dan wel de verhouding van deze figuur tot de patiëntenvertrouwenspersoon. Ik hoop dat de minister of de staatssecretaris daar nog wat helderheid over kan verschaffen, want het is niet denkbeeldig dat deze twee vertrouwenspersonen in de praktijk tegenover elkaar kunnen komen te staan. Dat neemt niet weg dat we er gelukkig mee kunnen zijn dat de tijd dat juist de familie van de patiënt als zijn meest intieme vijand werd gezien, achter ons ligt.

Het probleem is nu veel eerder dat de patiënten, voor een groot deel jonge mannen, vaak niemand en niets hebben om op terug te vallen of steun aan te ontlenen. Ook de binding met een huisarts ontbreekt vaak totaal. Dat maakt ook begrijpelijk waarom de korpschef van de nationale politie, Erik Akerboom, ervoor pleit ter preventie van de inzet van de politie in een dan uit de hand gelopen situatie in elke wijk een ggz-werker te hebben. In feite is het een oproep tot de terugkeer van de inzet van de acute en sociale psychiatrie, zoals die vroeger in de grote steden bestond. De "rijdende psychiater" van de Amsterdamse GGD was daar al vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw het internationaal veel nagevolgde en in ieder geval veel besproken en bewonderde voorbeeld van. Ook vandaag de dag geldt: verplichte zorg in de ggz zou ingebed moeten zijn in een systeem van "bemoeizorg", van blijvend contact en contact zoeken met de betrokkenen. In het belang van de effectiviteit van juist de Wvggz doet mijn fractie een beroep op de minister van VWS om met de gemeenten, de politie, de ggz en ook met de eerste lijn tot zo goed mogelijke afspraken te komen, die uiteindelijk kunnen leiden tot een minder frequent beroep op de Wvggz en op de inzet van de politie in sommige situaties.

Voorzitter. In de lange jaren waarin is gewerkt aan de totstandkoming van de Wet BOPZ is er steeds discussie geweest over de vraag of er voor psychiatrische patiënten, verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten één gemeenschappelijke regeling voor de toepassing van dwang zou moeten komen of een aparte regeling voor ieder van de drie groepen, rekening houdend met de specifieke kenmerken en situatie van ieder van hen.

Het is een beetje cynisch achteraf te moeten vaststellen dat de als principieel voorgestelde keuze voor één gemeenschappelijke regeling in de BOPZ destijds om een heel praktische reden al voor de behandeling van de wet in het parlement is verlaten: de rechterlijke macht zou overbelast kunnen raken door het grote aantal rechterlijke machtigingen dat in het kader van de BOPZ in de psychogeriatrie zou moeten worden afgegeven. "Wie zwijgt, stemt toe" werd het nieuwe uitgangspunt. Dat sloot ook aan bij de praktijk in de zorg en beperkte de noodzaak van een rechterlijke machtiging tot de patiënten die zich duidelijk verzetten tegen opname in een verpleeghuis.

De discussie is niet verstomd, zoals vandaag ook blijkt in dit huis, maar heeft nu opmerkelijk genoeg een bijna tegengesteld karakter gekregen. Nu de scheiding tussen dwang in de ggz en dwang in de psychogeriatrie en bij verstandelijk gehandicapten definitief wettelijk vorm lijkt te krijgen, wordt er juist weer van verschillende kanten sterker gepleit voor één regeling of ten minste één kader voor de twee regelingen. Dat is zeer duidelijk het geval in de Thematische Wetsevaluatie Gedwongen zorg van ZonMW; het is hier ook al genoemd. De aanbevelingen in het rapport van de commissie-Legemaate hebben inmiddels hun weg gevonden in het recente amendement-Leijten, dat de minister van VWS nu weer graag "geamendeerd" ziet, zoals hij deze Kamer onlangs liet weten. Ik kom daar dadelijk nog op terug.

Ik wil nu eerst de Wet zorg en dwang bespreken zonder het amendement-Leijten. Mijn fractie ziet in de Wzd de nadere uitwerking van het verplichte juridische regime dat in het kader van de BOPZ voor de psychogeriatrie en de verstandelijkgehandicaptenzorg gold. Dat heeft onze steun. Wij kunnen ons ook vinden in de opdracht aan de zorgverantwoordelijken tot nader overleg met hun meerderen en ook andere deskundigen. Naarmate het karakter van de zorg onvrijwilliger wordt en de noodzaak ervan ook minder gedeeld wordt door de direct bij de cliënt betrokkene, heeft de zorgverantwoordelijke ook de instemming van andere deskundigen, in het uiterste geval ook in meervoud, nodig. Graag zag mijn fractie wel een verduidelijking door de minister van het door hem in de brief van 18 december geuite voornemen om de advisering door een externe deskundige alleen te laten plaatsvinden als dat nodig is "voor een goede zorgverlening". Enkele collega's hebben er al op gewezen dat dat een probleem zou kunnen vormen. Doelt de minister hier op de in artikel 11 genoemde deskundige? Zou het optioneel maken van het inroepen van een externe deskundige de zorgverlener niet al te veel ruimte laten?

Artikel 25 van deze wet regelt het indienen van een verzoek om een rechterlijke machtiging voor verblijf in een instelling. In het geval van een psychogeriatrische plaatsing dringt zich toch de vraag op of in artikel 25, lid 1 onder d ook de huisarts als verzoeker kan optreden. Wie kan als verzoeker optreden in het geval dat een (potentiële) cliënt geen bindingen of betrokkenen heeft? Kunnen dan bijvoorbeeld ook buren als verzoeker optreden of de politie of het Leger des Heils, als het gaat om iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats? Graag vernemen wij de visie van de bewindspersonen hierop.

Voorzitter. Ik kom nu te spreken over het amendement-Leijten. De minister van VWS geeft in zijn brief van 18 december aan dat het construct — want dat is het — van de Wzd-arts niet aansluit bij de praktijk van de gehandicaptenzorg, die immers al heel lang geleden vrijwel geheel gedemedicaliseerd is. De minister hoopt de rol van de Wzd-arts te kunnen uitbreiden tot een orthopedagoog of een gz-psycholoog. Dat lijkt logisch en verstandig, maar de strekking van het amendement heeft toch minder betrekking op professionele deskundigheid dan op verantwoordelijkheid voor "de algemene gang van zaken op het terrein van het verlenen van onvrijwillige zorg". De zorgaanbieder is verplicht een Wzd-arts aan te wijzen, die onafhankelijk is en die geen aanwijzingen krijgt van de zorgaanbieder. Dat geeft de Wzd-arts in feite de positie van geneesheer-directeur, zoals destijds ook vastgesteld door staatssecretaris Van Rijn in zijn reactie op het voorstel van mevrouw Leijten, dat op zichzelf weer gebaseerd is op een aanbeveling van de commissie-Legemaate. Het karakter van de wet verandert daardoor nogal fundamenteel. Dat wordt uiteraard versterkt wanneer deze rol ook door niet-artsen vervuld kan worden. Mijn fractie is zeer benieuwd naar de visie van de minister op deze verdergaande verandering in de wet — het gaat ook om anderen en niet alleen om de Wzd-arts — zeker ook in het licht van zijn eigen voorstel. De verandering waarin het amendement heeft voorzien strekt zich over vele artikelen in het wetsvoorstel uit en heeft bijvoorbeeld ook betrekking op het verlenen of weigeren van verlof en ontslag. In feite maakt het amendement iemand zonder lijnfunctie in de organisatie, eventueel zelfs zonder dienstverband bij de organisatie, verantwoordelijk voor de inrichting van een belangrijk deel van de zorg zonder daarover verantwoording af te hoeven leggen. Ik hoef daar bijna niet aan toe te voegen dat dit niet een heel erg wenselijke situatie lijkt.

Voorzitter. Ter afsluiting van mijn bespreking van de Wet zorg en dwang maak ik graag nog enkele opmerkingen over het concept Besluit zorg en dwang, dat inmiddels ter consultatie is gegeven. De betreffende AMvB, die met name regels stelt ten aanzien van onvrijwillige ambulante zorg, telt niet minder dan 26 bladzijden, waarvan 20 bladzijden een uiterst gedetailleerde toelichting bevatten op de do's-and-don'ts, al ontbreekt dan bijvoorbeeld wel een antwoord op de vraag of gedwongen toepassing van bijvoorbeeld anticonceptiemaatregelen is toegestaan. In een vorig bestaan had deze minister van VWS daar duidelijk een eigen opvatting over.

Maar de echte don'ts hebben vooral betrekking op insluiting en fixatie van psychogeriatrische patiënten. Zo mag wel een balkondeur worden afgesloten, maar niet de voordeur. De rolstoel mag niet op de rem worden gezet en polsbanden om iemand te helpen bij het eten zijn niet toegestaan. Een bedhek mag wel. Een traphekje, geloof ik, niet. Als je het zo gedetailleerd gaat voorschrijven, dreigt dan niet de situatie dat de hulpverlener niet mag wat door een mantelzorger indien nodig gewoon gedaan wordt, eventueel ook waar de hulpverlener bij is? Dat lijkt mij pijnlijk voor de hulpverlener en zeker niet bevorderlijk voor het vertrouwen van de mantelzorger in de hulpverlening. Het is de vraag of je zover moet gaan in je detaillering van dit soort situaties.

Onvrijwillige ambulante zorg is nieuw, zo stellen de bewindspersonen het zelf in de nota van toelichting. In de consultatie stellen zij met name vragen over de wenselijkheid om ook ambulant insluiting en fixatie te kunnen toepassen. Zijn er in die consultatie inmiddels al antwoorden op deze vragen? Kunnen de bewindspersonen aangeven of en in hoeverre er al experimenteel gewerkt is volgens de voorgestelde richtlijnen, en wat eventueel de resultaten daarvan zijn?

Voorzitter. Het derde voorstel, het wetsvoorstel Forensische zorg, wacht inmiddels al ruim vijf jaar op het oordeel van de Eerste Kamer. De praktijk van de forensische zorg heeft daar niet op gewacht, want inmiddels wordt er feitelijk al gewerkt langs de in de wet aangegeven lijnen. In het algemeen, zo heb ik kunnen vaststellen tijdens gesprekken met op dit gebied werkzame psychiaters, is men ook tevreden met de mogelijkheden om justitiabelen de zorg te verlenen die de Wet forensische zorg mogelijk maakt. Het is hier al genoemd: er is wel zorg over de precieze werking van de overgang tussen artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, met name over de mogelijkheid dat dit voor instellingen in de reguliere ggz zou leiden tot een belangrijk en niet van risico gevrijwaard verschil in samenstelling van de patiëntenpopulatie met een rechterlijke machtiging. Ik hoop dat de minister daar wat nadere informatie over kan geven.

Uit zowel de beschrijving van de casus Bart van U. in het rapport van de commissie-Hoekstra als uit wat inmiddels over de casus Michael P. bekend is geworden, wordt duidelijk dat de communicatie tussen de verschillende partijen en ketens, ggz, justitie en politie, niet alleen incidenteel, maar ook structureel te wensen overlaat. Onderling worden de verbindingen vaak moeizaam gelegd en in de eigen keten zijn de lijnen vaak lang, te lang in veel gevallen. Partijen beschikken niet alleen over verschillende informatie, maar hebben vaak ook geen toegang tot elkaars informatie. Een voorbeeld is de informatie die betrekking heeft op de plaatsing van een forensische patiënt bij een zorgaanbieder. Is het juist, zo vraagt mijn fractie zich af, en zo vraag ik dus nu via de voorzitter aan de ministers, dat de bewoording van artikel 6.1, lid 2 in feite uitsluit dat de instelling waarin de patiënt geplaatst wordt ook de beschikking heeft over alle met betrekking tot die patiënt relevante informatie en met name over de indicatiestelling en de daarbij behorende klinische informatie?

Tijdens de deskundigenbijeenkomst van 16 mei 2017 heeft de heer Aalbersberg, hoofdcommissaris van de politie in Amsterdam, er vanuit zijn positie op gewezen, en er eigenlijk zijn beklag over gedaan, dat de zorg wel informatie van de politie verwacht, maar die omgekeerd zelf niet geeft. Ik neem aan dat hij dan met name doelt op ontslag van de forensische patiënt uit zorg en zijn terugkeer in de maatschappij. Ieder van de drie wetten aangaande zorg en dwang verlangt de vastlegging en verwerking van veel gegevens met betrekking tot de patiënt, maar het werken met die gegevens lijkt op gespannen voet te komen staan met andere waarden, zoals het medisch beroepsgeheim en de privacy van de patiënt. De fractie van D66 is zeer geïnteresseerd in een antwoord van de bewindspersonen op de vraag in hoeverre juist een betere informatievoorziening over en weer een bijdrage zou kunnen leveren aan zowel de beveiliging van de samenleving als de bescherming van de forensische patiënt tegen zijn eigen impulsen.

Het medisch beroepsgeheim is uiteindelijk niet absoluut. Dat blijkt expliciet uit de nieuwe tekst van artikel 37a, lid 5 en 6 Wetboek van Strafrecht, en valt ook te lezen in het recente artikel van Aart Hendriks in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Die niet-absolute versie geldt met name voor de niet-behandelend arts. In reactie op wat net werd gezegd, door onder anderen mevrouw Wezel, denk ik dat we er rekening mee moeten houden dat het beroep vanuit de zorg om niets te kunnen zeggen in verband met het medisch beroepsgeheim in de samenleving juist vaak op onbegrip stuit. Het is dus niet zo dat vertellen wat er aan de hand is of zou kunnen zijn juist onzekerheid met zich meebrengt en het medisch beroepsgeheim zou ondermijnen. Heel vaak is toch het gevoel dat dat een scherm is dat opgetrokken wordt om het eigen falen of het tekortschieten van de hulpverlening niet te laten zien.

Van verschillende kanten is er, onder andere tijdens de deskundigenbijeenkomst, voor gepleit om ten behoeve van het lokale bestuur, de politie, justitie en de zorg meer gezamenlijke scholing en bijscholing te organiseren met betrekking tot de uitvoering van de Wet forensische zorg. Straf en behandeling, publieke veiligheid en persoonlijke vrijheid gaan in het kader van de forensische zorg op wisselende momenten wisselende verbindingen aan. Is al voorzien, of gaat er voorzien worden, in een programma om de verschillende bij de forensische zorg betrokken partijen beter met elkaar te laten samenwerken? Zijn er bij de uitvoering van de wet ook middelen beschikbaar om dat te bevorderen, niet alleen zoals nu al het geval is ten behoeve van de officieren van justitie, maar ook ten behoeve van de andere betrokken disciplines? Dit is temeer van belang omdat alle partijen erop wijzen dat voor een goede invoering van de wet als geheel echt ruim de tijd moet worden genomen, meer dan de maanden die dit jaar nog resten. Juist omdat het om justitiabelen gaat, leveren missers in het aanbod en de levering van zorg eerder een risico dan een leereffect op.

Vorige week hebben de "tbs-advocaten", zoals ze zichzelf noemen, zich gemengd in de discussie over het verschijnsel van de "weigerende observandus". Hun standpunt bevestigt het beeld dat er bij gebrek aan informatie over de psychische gesteldheid van de justitiabele bij rechters aarzeling bestaat ten aanzien van het opleggen van een rechterlijke machtiging of tbs. Dat weten de observandi ook en een weigering zien zij dan ook als voor hen voordelig. Of dat juist is of niet staat buiten de discussie. Kunnen de verantwoordelijke bewindslieden in ieder geval het misverstand dat dit voordelig zou zijn, bij de observandi en de rechters wegnemen met een uitdrukkelijke verwijzing naar de nieuwe versie van artikel 37a Wetboek van Strafrecht? Als dat inderdaad het geval is, zou de laatste volzin van artikel 37a, lid 4 dan niet in die zin wijziging behoeven, dat de rechter ook zonder medewerking van de betrokkene gebruik kan maken van "een ander advies of rapport", dat dan ook niet alleen gebaseerd hoeft te zijn op de actuele situatie of het huidige gedrag van de betrokkene, zoals de letter van de tekst lijkt te suggereren? Graag vernemen we het standpunt van de ministers over een adequate aanpak van het weigeringsvraagstuk, ook in het licht van dit voorstel van de tbs-advocaten. Ik hoop dat minister Dekker bovendien nog een reactie kan geven op de alternatieve procedure in geval van een weigerende observandus die door de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens in zijn brief van 11 januari 2018 wordt voorgesteld en die ook al door enkele collega's naar voren is gebracht als een mogelijk interessant alternatief.

Voorzitter. De drie wetsvoorstellen die we hier vandaag bespreken zijn steeds meer met elkaar vervlochten geraakt. Dat is ook de reden waarom we ze nu pas in gezamenlijkheid met elkaar bespreken. Tegelijkertijd hebben ze onmiskenbaar betrekking op naar hun aard, omvang, leefsituatie en levensfase grotendeels heel verschillende patiëntencategorieën. In de voorgestelde regeling is dat ook herkenbaar in de mate waarin het accent meer op veiligheid of meer op zorg is komen te liggen, en meer op "ernstig nadeel" dat de patiënt zichzelf of juist anderen aandoet en op bescherming van grondrechten dan op zijn positie als justitiabele. Het zijn accentverschillen in zaken die in een rechtsstaat als fundamentele waarden gelden, maar die in de praktijk hard met elkaar in botsing kunnen komen.

Dat leidt vanzelfsprekend weer tot de behoefte aan procedures die vooral gericht zijn op zorgvuldigheid in de besluitvorming, op het afleggen van verantwoording en op mogelijkheden om bezwaar en beroep aan te tekenen. Zeker vanuit de zorg, maar ook bij het openbaar bestuur, bij de politie en bij justitie is dan ook steeds meer de klacht te horen dat de eigenlijke taak overwoekerd dreigt te worden door administratie, registratie en communicatie. In het vorige week verschenen nummer van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde staat dat de gemeten administratieve werkdruk van psychiaters werkzaam in een ggz-instelling is opgelopen tot ongeveer 40% van de werktijd, waaronder ook gerekend de uren dat men bezig is om dit op te schrijven. De regeldruk specifiek ter voorbereiding van een gedwongen opname wordt door psychiaters, desgevraagd door mij, op gemiddeld twee fulltime werkdagen geschat. "De bezem erdoor!", luidt de kop van het hoofdartikel in het NTvG naar aanleiding van het citaat dat ik net aanhaalde. Mijn fractie hoopt van de ministers te horen dat in de komende AMvB's juist uiterste terughoudendheid in de nadere regelgeving zal worden betracht en hoort ook graag dat in de evaluatie van de nieuwe wetten in het bijzonder aandacht zal worden gegeven aan vermindering van de administratieve werkdruk.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schnabel. Ik geef thans het woord aan mevrouw De Bruijn-Wezeman. Zij houdt haar maidenspeech. Daarom zal ik de stemmingsbel luiden, zodat eenieder weet dat er een maidenspeech gehouden gaat worden. Mevrouw De Bruijn, ga uw gang.