Plenair Kuiper bij behandeling Invoering stelsel fosfaatrechten



Verslag van de vergadering van 16 mei 2017 (2016/2017 nr. 27)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 17.36 uur


De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ons landbouwbeleid is ingewikkeld geworden, met een woud aan regels met bijbehorende administratieve lasten. Ergens midden in dat woud bevinden wij ons vandaag. Wat zou het een zegen zijn als op dat punt een vereenvoudiging kan worden gebracht voor de sector, maar ook voor de politiek zelf. Het gaat een beetje voorbij aan het debat van vandaag, maar ook in de bijdrage van collega Ten Hoeve beluister ik een soort cri de coeur om het eens wat eenvoudiger te krijgen. De ingewikkeldheid komt omdat we ons bevinden in een stelsel van afhankelijkheden, van regels en van Europees kaders. Wat de ChristenUnie betreft proberen we in ons landbouwbeleid vanuit dat stelsel van afhankelijkheden toe te groeien naar een stelsel van evenwichten. Daar is mijn fractie ook vandaag naar op zoek.

Wie in dat stelsel van afhankelijkheden al te roekeloos aan een van de knoppen draait, brengt het beleid direct in onbalans. Meer evenwicht tussen milieubelasting en verantwoorde productie wordt in de melkveehouderij bereikt door reductie van meststoffen, verkleinen van veestapels en het herstellen van kringlopen, gebonden aan grond en met het oog op lokale en ecologische functies. Bij evenwicht hoort ook een gezond perspectief voor veel familiebedrijven die willen kunnen leven en overleven in een sector waarin de melkveehouder prijsnemer is en nauwelijks in staat de condities van de markt te beïnvloeden. De enige manier waarop zij hun eigen inkomen kunnen vergroten, naast het zelf verwerken van producten of het anderszins verbreden van hun bedrijf, is door het opschroeven van de productie. Maar wanneer boeren aan die knop draaien, ontstaan de waterbedproblemen op een andere plaats, met alle gevolgen van dien. Dat is gebeurd in 2015, toen de melkquotering verdween en er ongebreidelde groei plaatsvond. Wat voor het individuele bedrijf een rationele keuze leek, werd collectief een "tragedy of the commons".

We moeten het vandaag hebben over de fosfaatreductievoornemens voor 2017, maar ik wil het ook hebben over de langere termijn. Wat we hebben te beoordelen zijn de noodmaatregelen om onder het toegestane fosfaatplafond te blijven om de derogatie veilig te stellen, maar ook de vraag hoe de toekomst van de landbouw eruit ziet. Hoe koersen we af op een stelsel van evenwichten, zoals ik dat heb genoemd? Hoe krijgen we een sector die duurzaam kan produceren en in balans is met omgeving en landschap? Hoe krijgen we een sector met toekomstperspectief voor jonge boeren? Wij willen van de staatssecretaris weten hoe dit crisisbeleid samenhangt met het perspectief op een duurzame landbouw en levensvatbare bedrijven. De melkveesector is vanouds letterlijk beeldbepalend geweest voor de Nederlandse landbouw en ons landschap. Dat moet zo blijven, op een houdbare manier.

Dat er, nadat de Nederlandse veehouderij vanaf begin 2015 het fosfaatplafond begon te overschrijden, moest worden ingegrepen, is zonneklaar. De derogatie stond op het spel. Onder invloed van het fosfaatreductieplan is de productie van fosfaat in het eerste kwartaal van dit jaar reeds met 4,5 miljoen kilogram gedaald naar 175 miljoen kilogram. Dat gaat de goede kant op. Gaan we erin slagen dit jaar onder het plafond te komen? Die vraag is door velen vanmiddag hier gesteld. Wat voor effect zullen rechterlijke uitspraken hierop hebben als honderden bedrijven gaan procederen en om ontheffing vragen?

Een gevoelig punt dat samenhangt met zowel het oordeel van de rechter als de reeds eerder gemaakte opmerkingen van de Raad van State, betreft de inmenging in het eigendomsrecht door de overheid, onder meer door het vasthouden aan een enkele peildatum. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit element van de kritiek die de Raad van State dus al eerder heeft geuit en die ter zake bleek? Althans, volgens de voorzieningenrechter voorlopig. Is het realistisch te hopen dat de knelgevallenregeling waarin de wet voorziet, snel en voldoende soelaas zal bieden op dit punt? Veel melkveehouders hebben hierop hun hoop gevestigd. Over de knelgevallenregeling, waarover al diverse keren is gesproken vanmiddag, bestaat echter nog veel onduidelijkheid. Graag horen we er van de staatssecretaris in dit debat meer over. De op basis van het amendement van CDA en ChristenUnie verruimde knelgevallenreling wordt nu uitgewerkt door een commissie, maar hoeveel fosfaatruimte krijgt de knelgevallencommissie mee van de staatssecretaris?

Wie de cijfers over bedrijfsbeëindiging tot zich neemt, ziet een enorme afname van het aantal melkveebedrijven. Daarom een vraag over de stoppersregeling, naast het voerspoor en de fosfaatreductieregeling het derde instrument in dit plan. Hoe gevoelig is die regeling voor speculatie? Kan het zo zijn dat melkveehouders die nu gebruik maken van deze regeling in theorie gewoon weer beginnen met hun bedrijf op basis van de toegekende fosfaatrechten? Er wordt nu al een levendige handel in fosfaatrechten in het vooruitzicht gesteld. Wordt dat een probleem in de praktijk? Hoe denkt de staatssecretaris daarover?

Ik kom bij de wetten zelf. De wet over de fosfaatrechten is ingrijpend voor de Nederlandse melkveehouderij. Het is lastig dat pas in het najaar duidelijk wordt of de derogatie is veiliggesteld. Dat levert veel onzekerheid op in de sector. De wet gaat uit van de veronderstelling dat de derogatie in de toekomst kan worden veiliggesteld. Ik hoor daar graag wat meer over van de staatssecretaris. Wat verwacht hij zelf? Welke inspanningen worden in Brussel verricht om de derogatie definitief veilig te stellen?

De maatregelen grijpen diep in, maar werken ze ook in de goede richting? Wie stopt levert grond in en dit draagt bij aan het gevecht om de schaarse ruimte, waarin de kapitaalkrachtigen het winnen. Zal het zo zijn dat straks slechts de schaalvergroters kunnen overleven in een markt waarin grote agrifoodbedrijven de piketpalen uitzetten? Jonge boeren en relatief extensieve bedrijven zouden dan de dupe worden van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. We willen een toekomst voor de sector, voor een meer biologische landbouw en een duurzame productiewijze met gesloten kringlopen. De versterking van een technisch-wetenschappelijke aanpak binnen de gestelde normen en eisen brengt ons daar niet per definitie dichterbij. Welke kant willen we nu op in Nederland? Ik hoor graag een reflectie van de staatssecretaris op dit punt.

Op korte en middellange termijn romen we af en verscherpen we allerlei voorwaarden voor grondgebonden groei, maar welk perspectief resteert er voor een nieuwe generatie boeren die bedrijven willen overnemen? Daar maakt mijn fractie zich grote zorgen over. De huidige afromingsinspanningen en de mogelijk straks kostbare fosfaatrechten zorgen ervoor dat jonge ondernemers in de toekomst moeilijker en tegen hogere kosten een bedrijf kunnen overnemen. Wat zijn zij ermee opgeschoten als ze straks moeten betalen voor dure fosfaatrechten in plaats van een duur melkquotum? Hoe kan dit ingewikkelde systeem met goede en verkeerde prikkels evenwichtiger worden? Welke rol kan de fosfaatbank, waarin immers ook afgeroomde fosfaatrechten zullen terechtkomen, hierbij spelen? Kan de staatssecretaris de fosfaatbank inzetten als een "toekomstbank" voor jonge boeren, voor hen die net een bedrijf hebben overgenomen? Dat zijn urgente vragen met het oog op de melkveehouders die telkens weer bekneld raken tussen regels, die de opgave hebben om hun uitstoot te reduceren en die een wellicht te lage melkprijs krijgen om blijvend verantwoord te kunnen produceren. Ik ben heel benieuwd naar de visie van de staatssecretaris op de toekomst van de fosfaatbank. Kan die een aanjagende en stimulerende rol gaan spelen, onder andere ten behoeve van starters en van kwetsbare en niet zo kapitaalkrachtige bedrijven?

Het is niet fair om boeren alleen te laten opdraaien voor de ontstane onbalans. Voor de kleine en misschien grote ramp die nu is ontstaan, dragen ook anderen de verantwoordelijkheid: geldverstrekkers, belangenorganisaties, afnemers, de retail en de overheid. Er is ook veel ongeprijsde schaarste en daarover hebben we het in feite. Ook supermarkten zouden zich dit moeten realiseren. Zij zouden een "eerlijker" prijs voor de melk moeten vragen en daarmee een meer duurzame landbouw moeten ondersteunen. In een stelsel van evenwicht wentelen we de consequenties niet af op een enkele groep, maar proberen we elkaars lasten te dragen. De transitie naar een andere benadering met meer evenwicht moet dan echter ook samen worden gemaakt. Dat vraagt een solidariteit die nu in de sector onder druk komt te staan. Als iets dat duidelijk maakt, zijn dat wel de uiteenlopende reacties op de uitspraak van de rechter over de fosfaatreductieregeling.

Enkele jaren geleden voorspelde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in zijn advies Ruimte voor duurzame landbouw dat de schaalvergroting in de melkveehouderij zou doorgaan en dat de uitdaging voor dit bedrijfstype dan zou komen te liggen op het vlak van de ecologie en de inpassing in het landschap. Deze bedrijven zullen immers aangewezen blijven op technisch-wetenschappelijke oplossingen voor een complexe bedrijfsvoering. Dat zet blijvend druk op duurzame productietechnieken en roept de vraag op of het met het oog op het gezochte evenwicht een slag anders en wellicht ook minder kan. De wetten die nu voorliggen, beogen reductie en een grondgebonden groei. Er is blijvende bezinning nodig op de toekomstbestendigheid van onze landbouw. Ook op dit punt zien wij uit naar de gedachten van de staatssecretaris.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De heer Kuiper heeft in het algemeen kritisch gekeken naar het voorliggende stelsel en maakt zich zorgen over een aantal dingen, onder meer over grondgebondenheid en dergelijke. Is hij bereid om bijvoorbeeld voor een bepaalde groep bedrijven — ik noem de biologische bedrijven, een afgegrensde juridische groep — toch te bekijken of het wel reëel is dat ook zij de dupe gaan worden van dit fosfaatrechtenstelsel, terwijl zij niet hebben bijgedragen aan die overschrijding van de norm van de Europese Unie, namelijk 170 kilogram per hectare? Is de heer Kuiper bereid om te bekijken of voor zo'n groep iets extra's moet worden gedaan?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik weet dat dat nu gaat gebeuren door de knelgevallencommissie, zeker na de uitspraak van de rechter. Laat dat dus ook vooral daar gebeuren. Eerlijk gezegd strijden in mijn borst twee gedachten hierover: de ene is dat solidariteit in de sector een benadering vraagt waarmee iedereen die dieren houdt en die op die manier bijdraagt aan de fosfaatproductie, meegenomen moet worden in deze regeling. Dan komt uw bezwaar natuurlijk op tafel. De andere gedachte, die ik ook respectabel en belangrijk vind, is dat door biologische boeren al een inspanning wordt gepleegd om hun productieproces op een andere manier in te richten, dat zij nu claimen dat zij niet aan het probleem hebben bijgedragen en dat zij daarom zouden willen worden ontzien. Ik zou denken: laat de knelgevallencommissie daarnaar kijken. Daar zou ik nu liever op willen wachten.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik maak mij zorgen over die knelgevallencommissie. Tot nu toe is de staatssecretaris er buitengewoon scherp op geweest dat daar maar weinig in mag gebeuren. Als die commissie heel weinig ruimte krijgt, bijvoorbeeld om voor deze biologische bedrijven uitzonderingen te realiseren, zou dat voor deze groepen weleens een dode mus kunnen zijn. Vandaar mijn overweging: moeten we daar niet nu alvast extra aandacht voor vragen?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ook ik heb de brief van de staatssecretaris gelezen. De hoofdzin daarin is volgens mij royaal ten opzichte van de knelgevallencommissie. Hij zegt: laat de knelgevallencommissie ook zelf met voorstellen komen voor verruiming van de regeling. Daar is ook in de Tweede Kamer echt heel stevig op aangedrongen. Ik zou dit nu dus in handen van die commissie willen leggen, maar ik ben het met u eens: als wij over deze zaken spreken, zouden juist die grondgebonden landbouw, de meer extensieve landbouw en de biologische landbouw hier beslist niet slechter van moeten worden. Daar zit volgens mij immers de kans op verduurzaming van de landbouw en die kans moet ruimte krijgen; daar zijn wij het volgens mij over eens.

De voorzitter:

Ik constateer dat er geen Kamerleden meer zijn die in de eerste termijn het woord wensen te voeren.

De beraadslaging wordt geschorst.