Plenair Schnabel bij voortzetting behandeling Publieke mediadienst



Verslag van de vergadering van 1 maart 2016 (2015/2016 nr. 21)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 12.35 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schnabel (D66):

Voorzitter. Bij het begin van het debat op 2 februari over de wijziging van de Mediawet verwees ik naar het ongemakkelijke gevoel dat na de deskundigenbijeenkomst in december bij mij en een aantal van de collega's over was gebleven; zo veel meningen en vooral zo veel verschil van mening over het wetsvoorstel. Still confused, zei ik toen, en ik voegde er hoopvol aan toe dat het minstens "confused on a higher level" zou zijn en hopelijk ook "about more important things". Voor zover dat bij het begin van het debat nog het geval was, was van dat hogere niveau aan het eind van de avond weinig meer te bespeuren.

In zijn antwoorden op vragen uit deze Kamer leek de staatssecretaris het spoor aardig bijster. Hij liet ons behoorlijk verbijsterd achter. In zijn brief van 12 februari probeerde hij wel de weg terug te vinden, maar ik kan toch nog niet zeggen dat hij daarmee ook op het rechte pad is teruggekeerd. Daarvoor is de omweg toch te groot die hij meent te moeten maken om in de brief in het geheel niet in te gaan op de kritiek van D66 op zijn wetsvoorstel. We were not amused, kan ik u zeggen. Ik dank de staatssecretaris in dit geval dan ook niet voor het niet beantwoorden van onze vragen.

Daarom wil ik deze tweede termijn graag gebruiken om nog eens heel duidelijk te stellen wat minstens nodig is om de steun van D66 voor dit wetsvoorstel te kunnen krijgen. Om zelfs op een hoger niveau geen verwarring te laten ontstaan, beperk ik me tot de more important things, de wat D66 betreft zelfs most important things. Allereerst moet uit de Mediawet klip-en-klaar blijken dat de selectie van leden van de raad van toezicht van de publieke omroep op een volstrekt transparante en van iedere politieke invloed ontdane wijze moet plaatsvinden. De voordracht bij minister of staatssecretaris moet door een onafhankelijke commissie gebeuren en de voordracht moet bindend zijn. Mochten er — dat kan natuurlijk altijd — zeer zwaarwegende redenen zijn om toch niet tot benoeming over te gaan, dan moet daarover opening van zaken worden gegeven en is het vervolgens aan de commissie om met een nieuwe voordracht te komen.

De raad van bestuur van de publieke omroep wordt wat ons betreft benoemd en ontslagen door de raad van toezicht van de publieke omroep. Mutatis mutandis geldt dat ook voor de RPO. Het is duidelijk dat het zowel wat de raad van toezicht als wat de raad van bestuur betreft om belangrijke veranderingen in het wetsvoorstel gaat. Het is aan de staatssecretaris om ons daarover een goed voorstel te doen, maar ik zeg daar wel uitdrukkelijk bij dat voor D66 een simpele toezegging voor verandering in de toekomst na aanname en invoering van de wet in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar is.

Wij hechten zeer aan een goede governance van de publieke omroep. Dat is meer dan het versterken van de sturingskracht in en van de publieke omroep. Dat "meer" omvat ook de procedures en regels om te komen tot een sturing die gevrijwaard zal zijn van invloeden die de missie en de doelstellingen van de publieke omroep instrumenteel kunnen maken voor de behartiging van andere belangen dan het voorzien in hoogwaardige publieke mediadiensten. Probeer dat maar eens te citeren! De in het wetsvoorstel voorziene versterking van de sturing door de NPO kan wat D66 betreft slechts plaatshebben na de gewenste aanpassing in de governance. Wat ons betreft kan de volgorde niet worden omgedraaid.

Voorzitter, D66 wil graag bijdragen aan het streven naar een meer open bestel, waarin er meer kansen zijn voor nieuwe aanbieders van buiten het nu al bijna 100 jaar geleden ontstane stelsel van verzuilde omroepen. D66 wil niet bijdragen aan een overgang van verzuiling naar verpolitieking van het bestel. "Meer openheid, pluriformiteit en creatieve competitie" belooft het voorstel van wet in de aanhef. Dat hoort ook in de governance zichtbaar te zijn. Ik hoor graag van de staatssecretaris dat hij dat ook zo ziet en daarnaar handelt.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Schnabel.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze.