Plenair Schnabel bij behandeling Erfgoedwet



Verslag van de vergadering van 8 december 2015 (2015/2016 nr. 11)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 15.33 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schnabel (D66):

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor de uitgebreide beantwoording van onze vragen, die voor een deel voortkomen uit de zorgen die we al eerder hebben uitgesproken en die nu ook niet helemaal weggenomen zijn en misschien ook niet weggenomen kunnen worden.

Ik wil toch nog even doorgaan op het punt van wie verantwoording moet afleggen over het vervreemden, dus over die vreemde figuur rond de publiekrechtelijke rechtspersoon. De minister wijst heel sterk op de betekenis van proportionaliteit en haar zorg over eventuele bureaucratisering. Aan de andere kant geeft de minister ook zelf aan dat het niet om veel gevallen zou kunnen gaan. Dan zal het met die bureaucratisering dus ook wel meevallen. Onze zorg was meer gelegen in de inconsistentie die er door de amendementontwikkeling is gekomen, waardoor je een rare figuur krijgt. Een publiekrechtelijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een universiteit die wat uit haar museum wil verkopen, is niet verplicht om dat te melden. Dan weet eigenlijk niemand behalve het museum zelf of het college van bestuur van de universiteit dat dat plan er is. Het is ook niet verplicht om een commissie in het leven te roepen, want eerst moet het zelf bepalen of het dat nodig vindt. Het rapport van die commissie wordt alleen aan de minister ter kennis gebracht als dat een negatief advies bevat. De minister is dan echter niet verplicht om dat openbaar te maken. Dat is een weinig effectieve optie, eigenlijk een optie die het mogelijk maakt om alles te vermijden. Onze zorg, die ook een beetje een gevolg is van het aanvaarden van het amendement, is dus dat het nu eigenlijk een beetje half geregeld is.

Ik wil wel graag zeggen dat ik blij ben met de toezegging van de minister over versterking van het nationaal fonds om belangrijk cultuurgoed te redden, over of binnen vijf jaar, ook al is die termijn wat lang. Zoals bekend speelt dat bij sommige musea echt rond een aantal bruiklenen. Dat heeft bijna altijd te maken met de waarde van die bruiklenen op de markt. Dat is de afgelopen jaren sterk gaan spelen. Het is dus echt wel iets met een zekere acuutheid.

Ten slotte kom ik op een vraag die misschien een beetje een grapje leek maar die dat toch niet was. In de wet staat uitdrukkelijk dat alleen "Onze Minister" — het is heel duidelijk dat dat de minister van OCW is, want dat staat ook in de eerste artikelen van de wet — degene is die ten aanzien van eventuele vervreemding van erfgoed melding moet maken. Mijn vraag aan de minister was: is het inderdaad zo dat al het culturele erfgoed van het Rijk, dus ook wat zich op andere ministeries enzovoorts bevindt, onder het gezag van de minister van OCW valt? Als dat niet zo is, dan zou dat wel een beetje een rare figuur zijn, want dan zou bijvoorbeeld de minister van Defensie of de minister van Buitenlandse Zaken heel makkelijk aan deze wet kunnen ontsnappen. Dat was gewoon nog even een vraag. In veel andere wetgeving staat in dit soort gevallen "Onze Minister" of "de minister die het betreft", maar dat staat in deze wet niet. De vraag is hoe dit technisch precies zit.