Plenair Hoekstra bij behandeling Elektronische dienstverlening burgerlijke stand



Verslag van de vergadering van 30 september 2014 (2014/2015 nr. 2)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.38 uur


De heer Hoekstra (CDA):

Voorzitter. Wie in dit huis onder welke omstandigheden in welke gemeente aangifte heeft gedaan, weten we zo ongeveer. Dat zou je winst kunnen noemen. Ik ben er niet helemaal zeker van, maar dat hebben we in ieder geval met elkaar kunnen constateren.

Tegelijkertijd mogen we zeggen dat het doen van aangifte van de geboorte van een kind misschien wel iets minder vlekkeloos verloopt in de huidige systematiek dan ik mij in ieder geval had gerealiseerd. De vraag die het debat van zo-even heeft opgeworpen, is hoe eenvoudig het eigenlijk is in Nederland om naar het loket van een willekeurige gemeente te gaan en daar te vertellen dat je een kind hebt gekregen, nog één, nog één en nog één. Dat is een relevante vraag, omdat je dan ook de mogelijkheid om in ieder geval tot het moment dat die kinderen naar school gaan, te frauderen met bijvoorbeeld de kinderbijslag. Over de huidige situatie zijn de zorgen van mijn fractie alleen maar toegenomen. Geruststellend is wel dat de minister van BZK net heeft toegezegd dat er een attest moet komen in het geval van elektronische aangifte. Daarbij blijft overigens de lacune bestaan die hij zo-even zelf schetste. Een aanwezige arts kan eenvoudig constateren dat er een kind is geboren en dat dit kind ook is geboren uit de vrouw die daar net is bevallen. Veel vrouwen, ook in Nederland, bevallen echter nog steeds thuis, vaak in aanwezigheid van een verloskundige, maar zelfs dat niet altijd. Dat roept wel degelijk een detailvraag op die de minister misschien nog wil duiden.

Dan blijft over het punt van de veiligheid. Als ik heel eerlijk ben, blijft daarover toch nog het een en ander onduidelijk. Op zijn best kun je zeggen dat de exacte veiligheid van de systemen zoals de gemeenten die in de toekomst zullen regelen een zogenaamde "known unknown" is. Het is natuurlijk een probleem van de gemeenten. Dat is voor een deel ook het dilemma in dit debat. Wij hebben dit debat met de regering, maar vervolgens is die veiligheid primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten. De vraag die dat uiteindelijk dan ook oproept, is of het kabinet wat dit voorstel betreft het voordeel van de twijfel moet hebben of het nadeel van de twijfel.

Ik roep de regering er in tweede termijn in ieder geval toe op om niet alleen het punt van de aangiften nader te duiden, maar ook nog een specifieke vraag van mij uit de eerste termijn te beantwoorden. Het zal de staatssecretaris en de minister niet verbazen dat die vraag ook weer over de veiligheid gaat. Het ging daarbij om contingency: wat doe je als de risico's waarvan je hoopte dat ze niet zouden materialiseren toch materialiseren? Welk plan heeft de overheid dan?